woensdag 21 november 2012

Oldschool Kamagurka

Om vele redenen ben ik gebonden aan België. Dat is minder saai dan het klinkt. Ik zal hier niet weglopen, al was het maar omdat ik dan misschien het bestaan van 'Reyers laat' zou vergeten, een nochtans naar de mainstream afglijdende late night talkshow waarvan ik slechts fragmenten meepik en, of omdat, de presentator me ergert, maar die af en toe een leuke gast mag ontvangen. Gisteren was dat Kamagurka.

Kamagurka in 'Reyers laat' dus. Hij ging niet mee in de licht opgefokte, wat krampachtig vrolijke, sfeer van het programma - er mag bijvoorbeeld weleens iemand joelen in het studiopubliek, wat nooit maar dan ook echt nooit terzake doet - en zat er op zijn dooie gemakje bij, bijna verveeld zelfs, wat een aantal kijkers misschien van enige arrogantie vonden getuigen.

De striptekenaar/scenarist/schilder/all-round artiest is echter niet arrogant, hij is bezadigd. Hij zit erbij als iemand die zich niet meer moet bewijzen en niet bang is om dat ook uit te stralen. Hij heeft een onaantastbaar credibility en heeft daar überhaupt volkomen lak aan - zoveel kan hij zich permitteren. Hij is niet eens bezig met wat hij zich al dan niet kan permitteren.

Wat ik zo cool vind aan Kamagurka is de manier waarop hij op zijn verleden als striptekenaar kan terugblikken en daar heel gewoontjes over kan doen, goed wetende dat hij back then ook al blijk gaf van heel veel talent en dat de mensen dat wéten. Bovendien kan hij door heel gewoontjes te doen, door gewoon zichzelf te zijn, zijn authenticiteit aantonen, gegevens waar hij overigens opnieuw totaal niet mee bezig is.

(Terzijde is de persoon Kamagurka ook een dankbaar referentiepunt voor ieder die zich progressief of links of een beetje rebels wil profileren. Voor die mensen is Kamagurka een van die persoonlijkheden waarop ze hun eigen identiteit kunnen enten. Ikzelf laat me bijvoorbeeld door hem inspireren voor wat het rebelse betreft. Kamagurka is voor progressieve, hoger opgeleide Vlamingen een 'klassieker', zoals in de uitdrukking: ken uw klassiekers. Men moet al met sterke argumenten komen om de persoon van Kamagurka in negatieve zin te mogen becommentariëren. Bovenal is Kamagurka echt wel cool. En oldschool, nu ik erover nadenk. Oldschool is nog veel cooler dan cool. Daarom was u ook zo gretig om dit stukje te lezen: omdat het woordje 'oldschool' in de titel staat, en oldschool cool is.)

Ook is Kamagurka schijnbaar een fucking mysterie. In 'Reyers laat' zit hij tegenover de spraakwaterval en zijn partner in crime Herr Seele, die veel minder cool is, hoewel hij, volgens mij, meer met zijn cool begaan is, maar hij zegt ongeveer vijf keer zo weinig als zijn flamboyante kameraad. Dat voedt het zogenaamde mysterie. Als kunstenaar overklast Kamagurka Herr Seele, en ook in een talk show doet hij het beter. De man is droog en bedachtzaam. Hij komt bovendien zeer intelligent over, een intelligentie die ook spreekt uit zijn scenario's voor de absoluut geweldige Cowboy Henkstrips. Waar haalt die uiterlijk doodgewone Kamagurka dus die absurde humor vandaan? Omdat het gewoon zo is, zo simpel is het. Er is helemaal geen mysterie.

En dan... komt fucking Miguel Wiels van K3 in 'Reyers laat' opdraven. Die jongen is ontevreden omdat hij door de Vlaamse muziekscène over het hoofd wordt gezien voor de MIA-muziekprijzen. Vanaf de start van Wiels' pruiliperige betoog is het hek van de dam en wordt Kamagurka met de minuut cooler. Hij schuwt de provocatie niet, zet Wiels met een knip in de zeik en ontmaskert de zielloze showslaaf. Deze tot dan toe bezadigde man ontketent plots een vermakelijke scène waarbij hij achteloos de commerciële moppersmurf overrulet en hem genadeloos in het zand laat bijten.

Een moment van uiterst genietbare televisie.

dinsdag 20 november 2012

Tourinnes-la-Grosse

Tourinnes-la-Grosse. Zo dichtbij en toch zo ver. Tien kilometer in afstand, maar ik denk er nooit aan. Niet dat ik daardoor iets substantieels mis, overigens.

Mijn moeder was er naar een openluchttentoonstelling gaan kijken en wilde terug omdat ze nog niet alles gezien had. Ik ging mee om mee te gaan en liep er rond om er rond te lopen. Moeder wees me in de kerk op keramieke godsbeeldjes waarvan ik me een minuut later al niet meer kon herinneren hoe ze eruit zagen, welke kleuren ze hadden. Een man verkondigde in zijn beste Nederlands dat er om vijf uur een dorpstoneel ten berde zou worden gebracht. Wij waren gecharmeerd door die spontane uitnodiging, maar waren niet zinnens naar de voorstelling te gaan. Onwillekeurig zagen mijn moeder en ik een en ander in een communautaire context. Wij zijn erg begaan met de politieke situatie in ons land en kunnen niet ontsnappen aan die communautaire gedachten.

Wij verlieten samen de geasfalteerde, voor doodrijders geschikte, hoofdweg van Tourinnes en begaven ons op zanderige weggetjes langs weinig onderhouden huisjes enerzijds en pafferige buitenverblijfvilla's anderzijds. Die eersten behoren wellicht aan de oude dorpsbewoners toe, de villa's, die nu ook weer niet zo heel erg het authentieke karakter van het dorp aantasten, zijn wellicht neergepoot door de bon vivants, waaronder allicht ook Vlamingen die de rust van het platteland opzoeken.

Geïnspireerd door onze pro-Waalse gedachten wilden mijn moeder en ik koeien horen loeien, harken horen harken, de aanblik van een varken. Maar zo Waals werd het die namiddag niet. Doch, omdat wij op Waals grondgebied altijd over Wallonië spreken en de regio dan liefst romantiseren, kwamen wij tot het besluit dat "de dingen" er trager gaan, minder opgefokt zijn dan in Vlaanderen. Dat "de Walen" een ongeasfalteerde weg rustig een ongeasfalteerde laten zijn en dat een open veld verdomme een open veld mag blijven. Geen fucking asfalt, geen fucking nieuwbouw. Het was een zwaktebod van me om Vlaanderen, mijn regio, zo af te vallen. Zonder meer verspilling van energie.

(Ik weet natuurlijk ook dat Waalse wegen en huizen minder goed onderhouden worden omdat ze er daar gewoon minder geld voor hebben, want mochten ze wél geld hebben voor degelijk onderhoud dan zouden ze niet wachten. Denk ik.)

Wij gingen nog een thee drinken in een voor de feestelijke gelegenheden tot een café omgevormd ontmoetingshuis en raakten moeiteloos aan de praat met een oud koppel (hij 86, zij 80) naast wie wij op een bankje plaats hadden genomen. Opnieuw gemotiveerd door communautaire, pro-Waalse, gedachten wil ik opmerken dat meneer en mevrouw het gesprek begonnen en dat meneer zijn beste Nederlands bovenhaalde toen hij ons Nederlands hoorde spreken. Hij kon zich werkelijk vrij goed uitdrukken, in tegenstelling tot zijn vrouw die wel zegde dat elke Belg tweetalig zou horen te zijn, maar zelf de Nederlandse taal enkel maar een beetje verstond. Ook nu weer konden we dus de communautaire thematiek niet omzeilen. Meneer sprak over het FDF en hoe hij die partij verfoeide, en knikte heftig toen ik opmerkte dat de partij van Olivier Maingain er inderdaad enkel op uit is om de Vlamingen te provoceren. Ik was het dus roerend met deze aimabele 86-jarige krasse knar eens en houd een goeie herinnering over aan onze ontmoeting.

Ik kan besluiten dat het een goed idee van mijn moeder was om naar Tourinnes-la-Grosse terug te keren en mij mee op sleeptouw te nemen. Ik had anders toch maar naar de, door het deskundige commentaar van Michel Wuyts opgefleurde, derde manche van de Superprestige zitten kijken. Sven Nys zou hebben gewonnen (hij won daadwerkelijk) en ik zou geen modderspat materiaal hebben gehad om een door positieve herinneringen geïnspireerd stukje te schrijven.

maandag 19 november 2012

Mijn vriend, Jelle Cleymans

In het danscafé toonde ik mijn vriend de oplichtende digitale klok van mijn gsm. 03:13. "Je krijgt 100 euro van mij als je om half vier die mooie Spaanse naast je een tong gedraaid krijgt". Hij had 17 minuten, maar wist dat het onbegonnen werk was. En hoe meer minuten ik hem zou geven, hoe lastiger hij het zou krijgen. Hij probeerde het dus niet eens en nog voor half vier verlieten we het café.

Toen hoefden we niet meer tegen elkaar te roepen en waren we op weg naar dat punt van het stadscentrum vanwaar we elk onze weg naar huis kiezen. Een koppeltje hield ons staande. "Ben jij Jelle Cleymans?", vroeg het meisje aan mijn vriend. "Jij bent Jelle Cleymans! Mag ik met jou op de foto?" Dat mocht. Mijn vriend deed een goeie Jelle Cleymansimmitatie en ik riep dat Jelle, die normaal om half tien moet geen slapen van zijn ouders, uit zijn raam was gekropen en nu in Leuven stevig de bloemetjes had buitengezet. Natuurlijk was dat slechts gezever, maar niemand lette op mij dus werd er ook niet verder op ingegaan.

"Er zijn wel meer mensen die sterk op een bekende persoon gelijken", zei het meisje nog. Zelf wist ze dat ze wel wat weghad van Céline Dion, maar die gelijkenis zagen mijn vriend en ik niet. Toen werd ze mee weggetrokken door haar iets nuchterdere vriend en gingen ook mijn vriend en ik ons weegs.

Ik was vreselijk schor, merkte ik op weg naar huis. Dat is omdat ik een zwakke stem heb, een die luide muziek amper kan overstijgen. Dat laatste ontneemt me dooorgaans de zin om me in danscafés te wagen. Maar ik wilde de sfeer erin houden, geen valse noot zingen.

Toen ik in mijn bed kroop was het 04:42. Dat was weer eens lang geleden. De volgende dag was ik moeër dan anders. De dag erna nog moeër.

zaterdag 13 oktober 2012

En er is Blaudzun

Ik lijk over niemand anders meer te kunnen schrijven dan over die baardaap. Als ik mijn blog open en een nieuw bericht wil beginnen (ik heb geen vastomlijnd thema, ik blog niet met voorbedachte rade), moet ik telkens aan die baardaap denken. Dat kan niet zo blijven duren, dat is duidelijk.

Er is een andere jongen, een blinde muziekliefhebber die alleen al dit jaar zes memorabele concerten en evenveel memorabele muziekfestivals heeft bijgewoond. Zeverrock was er daar geen van, maar het had gekund als A Brand er op de affiche had gestaan.

Over mezelf praten, vind ik gemakkelijk. Ik val er mensen mee lastig, maar ik ben geen Freddy die het echt helemaal nergens over kan hebben, behalve over zichzelf. Dat is één uur grappig en toelaatbaar, daarna wil ik hem bij zijn haar grijpen en over de vloer slepen. Laatst zag ik hem voorbij de wasserette hobbelen en wist ik niet zeker of hij nu echt die gevierde copywriter is, dan wel een marginaal met te veel fantasie om een goede thriller te schrijven.

Dan is er de Kwast, de verfkwast, zou je kunnen zeggen. Net als de copywriter heeft de verfkwast het alleen over zichzelf. Ik vertrouwde iemand toe dat de verfkwast niet moet denken dat hij met mij op gelijke voet staat. Ik hield mijn linkerhand een stuk hoger dan mijn rechter om te tonen waar de kwast (rechts) en ik (links) ons respectievelijk bevinden. Ik superieur aan hem.

Er zijn ook de meisjes met wie je ijsjes wil eten, zonder dat ze het zelf weten. Hé meisje, zin in een ijsje - het is er het weer niet meer voor, maar voor het eind van dit jaar kan ik maar beter een bol pistache in iemands gezicht geduwd hebben, anders is mijn jaar om zeep. Nee, dat is niet waar.

Ik heb begin dit jaar al ijsjes gegeten die naar zeep smaakten. Ik moet dat nu niet nog eens doen. Ijsjes eten is één ding. Ijsjes eten met meisjes moeten twee dingen zijn.

En er is Blaudzun met 'Heavy Flowers'. Het nummer loopt af en dit stukje ook.

dinsdag 11 september 2012

Forrest Gump

'Forrest Gump'. Tot voor gisteren had ik die film nog nooit gezien. Maar er zoveel over gehoord. Eén van dé films van de jaren 90. En met Tom Hanks, die blijkbaar enkel al daardoor legendarisch is.

Het was prachtig. En net keek ik nog eens naar verschillende scènes afzonderlijk. En ik heb een traantje weggepinkt. Ik kan enorm emotioneel zijn als ik naar films kijk. Krop in de keel, soms dus zelfs een traantje, maar hoogst zelden. 'Forrest Gump' is prachtig.

En nu ga ik de DVD zoeken voor acht euro, ofzo.

zondag 5 augustus 2012

Blèters

Het is niet de eerste keer dat ik over hem schrijf. De seut, de kutseut, de grienseut - de eeuwige student van 29 die enkele vrienden heeft wijsgemaakt dat huilebalken cool is anno 2012.

Ik ken hem niet persoonlijk, maar heb hatelijke gedachten als ik aan hem denk. Mede omdat hij mij erg doet denken aan een ex-vriend, die ik met de jaren ook grensverleggend irritant ging vinden en voor wie ik soortgelijke haatgevoelens koester.

Hij heeft die typische hoogopgeleide smoel mét zwartomrand brilmontuur en heeft 'iets vaags' gedaan aan de universiteit, op kosten van pappie en met zeker één buisjaar waarin hij zich vast wat pips voelde, waarin hij begon te beseffen dat er een klein vrouwelijk publiek bestond voor zijn slaphangende schoudertjes en zijn sentimentele maar goed doordachte overpijnzinkjes.

Ik ken zo'n trutje dat hem erg op prijs stelt. Op Facebook doen zij postmodern ironisch en kloppen zij zich op de nochtans erg broze borst. Voorts hebben zij met elkaar gemeen dat ze zich net voor hun dertigste verjaardag nog gedragen als blèters uit het derde middelbaar, of toch als hun angstvallig gekoesterde hippe homies bij hen in de buurt zijn.

"Ik zag het vandaag weer niet zitten." "Stuntelig waag ik me aan sociaal contact. Ik misluk jammerlijk." "Ik kijk voor me uit en realiseer me dat ik nooit eerder zo depressief ben geweest." Zo'n dingen zeggen en schrijven die mensjes.

maandag 30 juli 2012

Moorestown

Haar raam keek uit op North Church Street
Vanuit een overwoekerde zolderkamer
Een fotoboek vol lachende vrienden
Een wegenkaart, New York, L.A.
Haar kamermuren waren mediterraans blauw
Haar kleine zusje koos de kleur
Zoutzure snoepjes, de Jerseykust
Blauw als haar vingernagels

Het huis is niet ver van de school
Haar moeder, leerkracht aan de Hudson
Haar vaders gitaar zingt melodieën
Weergalmend door de benedenverdieping
Onze liefde bloeide open, een zomer, daar
We zwierven maar rond, dag na dag
Er zijn oude parkeerterreinen en buurten
Betoverend mooi in Moorestown

Ik volgde haar over de planeet
Door Londense parken, de kusten van Perth
Newport, Kentucky, New Orleans
We leken een miljoen levens te delen
Zovele nachten sliep ik met haar
We stuwden elkaar naar hemelse sferen
Zo dicht bij de slapende North Pacific
Was ook jij één keer bij mij

Toen verhuisde zij naar Williamsburg
Ze sprak met droeve ogen
Gedachten staan stil, mijn keel zwelt op
Als haar naam wordt uitgesproken
En als ik de kille zee overschouw
Kan ik niet laten me af te vragen
Of de zacht uitdovende lichtjes
In Moorestown voor ons gloeien
In Moorestown voor ons gloeien

zondag 29 juli 2012

Het beleefdst

Ik had verwacht dat ze met de nacht verdwenen zou zijn, de ergernis. Doch 's ochtends was ze er nog. Ze ging tekeer, ik schaamde me zelfs niet. Ik zei dingen over haar die haar het recht geven mij een maand niet meer te willen zien. Ik ben de lafaard die weet dat ze van dat recht geen gebruik zal maken en zich stevig in zijn handjes knijpt.

Ze is een vrouw die al-tijd bezig moet zijn. Ik ben een jongen die het best tot zijn recht komt als hij niets moet doen. Niets doen, het leven vermijden, niet kunnen mislukken, dat is comfort.

Ik ben dan maar gegaan, dat was wel het beleefdst. Een volwassen beslissing waar ik niet trots op hoef te zijn omdat ik mezelf ook niet té vaak moet complimenteren. Ik deed het voor mezelf in de eerste plaats. Dat zij er baat bij had was heel mooi meegenomen. Tot volgende week, riep ik uitdagend, en ik bedoelde: niet tot morgen, niet tot overmorgen, nee, tot over, op z'n minst vijf dagen, liever langer.

zaterdag 14 juli 2012

Kanker

Een van mijn beste vrienden heeft kanker. Hij vindt dat niet erg, wil geen chemotherapie ondergaan, noemt het ook geen kanker. Ik noem het kanker; hij is niet ziek.

Ik zég dat een van mijn beste vrienden kanker heeft. Hij heeft geen kanker, is daarentegen kerngezond. Hij heeft een mosgroene trui die uitstekend bij 'm past. Eerlijk gezegd zag hij er nooit beter uit dan nu.

Al ruim drie jaar zeg ik dat hij kanker heeft. Niet tegen hem, wel tegen anderen die het van mij aannemen willen. Gelukkig zijn dat er niet veel.

De uitwassen van de kanker die ik hem toedicht zijn niet zo ernstig. Hij heeft er geen of nauwelijks last van. Zijn kanker was voor zijn vriendin wel een reden om bij hem weg te gaan. En ik mijd 'm ook wel nu en dan, vanwege zijn kanker. Jammer toch.

Gisteren was zo'n avond. Ik wilde hem zien, maar hij had kanker, dus ging ik maar weer naar huis.

donderdag 5 juli 2012

eee - foe - doun

* eeee

Hij mag voelen. Ik weet niet of ze het leuk vindt. Misschien is ze het gewoon. Dat kan wel, want ze staat verveeld, zo lijkt het, met haar handen in haar zij. Ik kan haar hoofd niet zien. Maar de essentie heb ik mee.

Het schijnbaar achteloze is de ware kick. Ook zijn kostuumvest intrigeert. Ze suggereert een grote afstand tussen hem en haar. Waar heeft deze situatie zich voorgedaan? In een hotel? Hoe kwam het zover? Heeft hij betaald?

Het lijkt de moeite wel waard.


* foe

Hier gaat vanalles gebeuren. Het zou zonde zijn indien niet. Dit is het begin van iets dat ze allebei zien zitten. En met allebei bedoel ik ook allebei. Ik kan zien dat ze er vanaf hier geen gras over zullen laten groeien.

Zeker hij niet. Maar wat zij doet, is ook verdomd klasse. Klasse - ik zoek een ander woord. Ik denk dat ze weet hoe het spel wordt gespeeld. Ik ben er zeker van. Kijk naar die voet.


* doun

Alsof ze zich schaamt. Maar dat kan ook in scène zijn gezet. Toch oprechte gêne? Lijkt me helemaal niet nodig. Echt nog een meisje. En ze is er niet honderd procent van overtuigd dat ze mooi is. Echt een kind nog, op dat ene detail na. Ja, het had nog beter gekund. Nog ietsje beter, valt me nu pas op.

Ik kan niet in haar hoofd kijken, maar misschien kijkt ze wel naar een denkbeeldig uurwerk. Wat meteen zou impliceren dat de hele situatie daadwerkelijk in scène is gezet. Maar toch doet dat geen afbreuk. Veel meer kan ik er ook niet over zeggen.



maandag 30 april 2012

Maxicosi

"We moeten het over kinderen hebben."

Ze is 22. 22. En ze moet het over kinderen hebben. Met haar vriend. Die 22 is. 22.
Hun relatie zal stuklopen op dit thema: kinderen. Hun relatie vereist een kind. En een (ander) huis, op termijn. In dit huis valt geen licht binnen, en dat stoort. En kinderen kan je er ook niet in opvoeden.

Hij heeft wat tijd gevraagd. Om aan het idee te wennen. Kinderen. 22. Het einde van een tijdperk.
Wil hij dat? Kan hij zich überhaupt voorstellen wat dat is? Een fucking maxicosi.

Net liep ik door de stad en had ik het met hem over kinderen. Die hij tot nader order nog steeds niet heeft, nu hij 24 is. En u raadt het nooit, maar valt daar toch wel geen kind van zijn fiets met zijn hoofdje tegen een muur. Echt. En dan die akelige ene seconde stilte, wanneer de pijn doordringt. En dan het wenen, keihard. Een kind, en hoe ermee om te gaan. En hoe niet.

Met hun hoofd tegen een muur botsen en wenen, dat is een kind voor mij. Ziek zijn ook.
Ik ben de wanhopige ouder die zich afvraagt hoe hij dat kutkind - oeps, het woord floept eruit - stil moet krijgen. Ik ben de kleine jongen met de grote verantwoordelijkheid, moet een ei breken met bibberende handen.

Een kind. Twee kinderen. De crèche. Het kindermeisje. De fucking babysit. "Want we willen nog eens een avondje voor onszelf." Doodeng.

En de overbevolking, nog zoiets. Mijn moeder toont mij geboortekaartjes en ik word halvelings geacht in mijn handjes te klappen. Hoera nicht y of neef x heeft een kind. Ik gruw. Waarom?, vraag ik me af. Wat doen ze zichzelf toch aan - retorische vraag.

De mazelen. De windpokken. De inenting. De bosklassen.
Het fucking oudercontact.

Het autistische zoontje. Naar de juf ermee, naar de specialist, naar het aangepast onderwijs.
Het depressieve tienermeisje. Je kan het zo vreselijk niet bedenken of ze bestaan.
Ik ben zelf een kind geweest, ik ben het nog. En heb me nooit geëxcuseerd bij mijn ouders voor het kutkind dat ik was. Ze hebben het zelf gewild, ik niet. Ik heb hen eens gezegd dat ik het niet had gewild in hun plaats. En dat ik het zelf ook niet absoluut gehoeven had. Kind worden. Leven.
Had ik op voorhand een kijkje mogen nemen, misschien had ik wel voor iets anders gekozen dan voor het leven.

Voor je het weet ben je die ene man zonder kinderen of relatie en hebben al je vrienden jengelende kinderen die hen avond na avond thuishouden, die hen uitputten en hen tot loopbaanonderbreking dwingen. Die hen een generatieconflict cadeau doen wanneer het hen uitkomt.

Wil ik afsluiten met de volgende, uit het leven gegrepen, anekdote. Een nette, beschaafde, hoogopgeleide vrouw van 53 heeft een zoon van 17. Een zoon die hoegenaamd alle kansen heeft gehad en krijgt. Nu, deze zoon heeft zijn Paasexamens niet afgelegd. Hij ontving de in te vullen papieren, legde ze naast zich neer en ging op zijn bank liggen slapen. Hij gaf als eerste af, zijn examenbladen oningevuld. En maakt zijn moeder wanhopig, want wat heeft zij hem misdaan?
Hij staat op drie maanden van zijn middelbareschooldiploma en vindt het cool om dat in het zicht van de meet niet te behalen. Dat hij zich dat over vijf jaar zal beklagen, kan hij nog niet weten, maar zijn moeder weet dat wel en zij moet daarmee leven. Met dat kutkind.

Wat afschuwelijk. Kinderen. Wat hebben we hen misdaan en waarom willen we ze zo graag?
Helaas ken ik het antwoord.

zaterdag 28 april 2012

Besef

Ik begrijp haar perfect, het meisje dat verliefd is op de jongen op de tractor. Wie zou haar niet begrijpen? Zij is jong en ze wil wat. Een moedige jongen die in een ver land uit idealisme op een tractor kruipt. Om horizonten te verkennen. En ik schrijf dit niét om om hen te lachen, ben niet ironisch.

Hoe aantrekkelijk is de jongen met de baard op de tractor? Hij had net zo goed achter een bureau op een suf kantoor kunnen zitten. 'Ik ben verliefd,' schrijft ze onder zijn foto. Ik moet me inhouden om niet te schrijven: 'ik ook'.

Ik schrijf: 'zo cool'. Zo hoop ik ook een heel klein beetje cool te zijn. Ik herken immers de cool van de jongen op de tractor in het verre land. Waar hij een nog mooiere man wordt. De man die mijn arm uit zijn kom haalt als hij met me armworstelt.

Wat ik daar tegenover zet? Tegenover zijn drive. Tot wat is deze pummel in staat? Waartoe ben ik in staat? Niet tot het scoren van de beslissende goal. Ik sta in de verdediging en kijk de andere kant op als de spits mij dribbelt.

(Waar gaat dit over? Ben ik de schrijver geworden die te lui is om te schrijven? Ben ik enkel (nog) maar een vragensteller? Staan al mijn teksten vol vragen? Gebruik ik nooit eens een mooi woord of zinsconstructie? Bezit ik enkel het talent om onderhoudend te zijn, juist omdat ik niks zeg? Dat de lezer dat 'eigenaardig' vind. Wie ben ik om het over de lezer te hebben.)

(Tegenwoordig lijkt het halverwege het getip net alsof ik een klaagbrief schrijf. Wat nooit de bedoeling is! Het gebeurt dan gewoon, opeens. Het is een energiedip. Energie is alles. Slogans ook.)

De jongen op de tractor is de jongen in de tent en de jongen op het festival zonder slaap, waar hij leeft en jong is en geniet tot hij ouder wordt en zal denken aan die tijd, die mooie tijd, dat hij jong was en daar volop van genoot.

En de jongen aan het toetsenbord stelt zich vragen die blijven komen en die geen antwoord kennen, tot in den treure niet, waardoor hij maar blijft treuren. En al weet hij dat dat tijdverlies is, hij is tot het inzicht - oh wat een wonderbaarlijk inzicht! - gekomen dat het leven nergens heen gaat. En soms verdomd lang duurt.

Dus doet hij honing in zijn hibiscusthee, roert hij tot hij weer ontwaakt uit een vage gedachte, drinkt hij de thee en wacht op het meisje, het meisje dat wél wilde komen vanavond. Het meisje dat bevriend is met de jongen met de vage gedachten en vele vragen.

En dat is een meevaller voor de jongen. Dat moet hij goed beseffen. En dat doet hij.

donderdag 19 april 2012

Pinke

"Wat is uw favoriete dialectwoordje?"

Je zal de vraag maar eens krijgen op een sollicitatiegesprek. Ik was totaal onvoorbereid.
"Mijn favoriete dialectwoord? Euh. Pinke?"

Geen idee of dat het antwoord was dat hij wilde horen. Zelf wist ik op dat moment echter dat ik niet langer zo happig was op de job waarvoor ik kwam solliciteren. Morgen weet ik of ik 'm krijg of niet, die job, maar sowieso zal ik 'm niet aannemen. Niet vanwege dat vraagje, - of jawel, ook vanwege dat vraagje - maar vooral omdat ik nog iets anders kan krijgen en dat liever wil. Waar ze me niet naar 'pinkes' zullen vragen.

Laat ik de man bij wie ik ging solliciteren gewoon, voor de gezelligheid, Pinke noemen. Pinke. "Ie se, Pinke, ça va, man?!" "Ja zenne. Mè u?" Zo'n Pinke. Nee, het was geen intellectueel uitdagende job waarvoor ik ging solliciteren. Waarmee ik vooral niet wil zeggen dat ik neerkijk op jobs die geen hogere diploma's vereisen, ik werk zelf momenteel in een callcenter. Maar ik wil zeggen: er zijn sollicitaties en er zijn sollicitaties.

Ik ben te serieus voor Pinke. Hij zal dat zelf ook gemerkt hebben, bij de pinken - haha!, te serieus, ik? - als hij is. Pinke is immers, in tegenstelling tot mezelf, een man van het volk. Pinke doet een klapke. Pinke drinkt een bolleke. Een beetje zoals Tiny, maar dan Pinke. Tiny op de boerderij, Pinke op de lappen.

"Kom mannen, drinkt er nog ene van mij!" Zo'n Pinke. Haar nauwkeurig in de war. Onduidelijk ringetje in zijn linkeroor - waarom doen ze dat toch allemaal? En een hoody, godbetert.
Ik ben geen stijladviseur, verrevan, maar ik weet dat ik geen Pinke ben en waarom ik geen Pinke ben.

(Ik bedenk me nu dat ik ze meteen allemaal Pinke kan noemen, die onduidelijke ringetjes. Zoals ze de laatste twee jaar van de band lijken te rollen. Al dan niet in het zog van VJ Sean Dhondt.)

Ik ben te serieus. En ik geef dat toe. Ik heb daar geen probleem mee, met serieus zijn. Dat gaat mij goed af. Sterker: ik kan niet anders! Niet in het licht van de eeuwigheid.

En ik drink niet eens 'pinkes', dedju!