donderdag 1 maart 2018

Over verkeerde prioriteiten en de verdwijning van de man

Eerst dit. De Westerse wereld is de man aan het afschaffen. Was de man ooit een stoere jager met vele vaardigheden, dan verwordt hij nu steeds meer tot een hulpeloos wezen dat aangespoord door existentiële onzekerheid nog eens zijn haar in de plooi legt en bedremmeld naar zijn telefoon staart omdat hij geen verbinding kan maken met het wifinetwerk in zijn favoriete koffiebar - die ene waarin er overal spiegels aan de muur hangen.
*
We moeten naar een wereld waarin alles er anders zal uitzien. Te beginnen met onze ‘shopervaring’. Nu is een supermarktbezoek immers strontsaai en stomvervelend en dat we ook nog eens onze boodschappen aan een kassa - urgh, het woord alleen al - moeten afrekenen is helemáál godgeklaagd. Het kan toch niet zijn dat we onze boodschappen zelf moeten gaan zoeken in rekken die we niet altijd binnen de vijf seconden kunnen vinden? Fuck, man, dat tijdverlies, die inefficiëntie overal. Leg anders gewoon meteen de hele boel stil. De dingen moeten verdomme vooruit gaan. Ik wil niet twintig seconden moeten zoeken naar het juiste product en ik wil geen halve minuut moeten aanschuiven aan een fucking kassa, met twee wachtende neanderthalers voor mij. Mijn tijd is kostbaar, oké? Ik heb geen tijd voor dit soort shit. Het is daarom extreem belangrijk dat men eindelijk dat voorhistorische kassasysteem begint af te schaffen en dat men begint te werken aan de supermarkt 2.0 waarin ik via een scansysteem de producten die ik kies al zal kunnen afrekenen op het moment dat ik ze uit het rek haal. Dat is een goede eerste stap. Maar daar mag het bijlange nog niet stoppen. We moeten naar een shopervaring gaan waarin er bij voorkeur geen shop meer aan te pas komt voor mij als consument. Een winkel binnengaan, zoals we dat vandaag nog doen, is tijdverlies tot en met. Het is veel beter dat een robot in onze plaats weet wat we nodig hebben, zodat we onze spullen gewoon aan huis (of op ons werk) geleverd krijgen. Nog beter zou het zijn wanneer een robot zichzelf toegang kan verschaffen tot onze woning en daar onze producten al op hun plaats zet. Dat zou enorm handig zijn. Er zou ons ontzettend, echt ontzettend, veel tijd worden bespaard. Tijd die we kunnen gebruiken om een uur langer naar Netflix te kijken.
Ik wil trouwens ook een lans breken voor slaapvervangers. Het is ronduit lachwekkend dat we anno 2018 nog altijd enkele uren per etmaal moeten slapen om gezond te blijven. Please, iemand, breng asap een app op de markt (compatibel op Android én iPhone) die slaapt in onze plaats. Of een chip in onze hersenen die ervoor zorgt dat we geen slaap meer nodig hebben. Hoe handig zou dat zijn, zo’n chip! Zo kunnen we ons levensritme helemaal anders indelen en hebben we veel meer uren in een dag die we kunnen gebruiken om onszelf te fotograferen en naar Netflix te kijken.
Bon, heel even terug normaal. Ik lees dus in een column over nakende evoluties in de technologie dat winkelen in de supermarkt en aanschuiven aan de kassa ‘vervelend’ is. “Daar zijn we het allemaal over eens.” Euh nee, ik niet. Ik vind winkelen en aanschuiven aan de kassa niet bijzonder vervelend, ik heb met die gegevens geen noemenswaardige problemen. Geen flauw idee waar jij zo dringend naartoe moet, meneer de IT-journalist, maar voor mijn part mag winkelen zoals dat nu verloopt gerust nog wat blijven bestaan. Als we elke niet-vrijetijdsgerelateerde activiteit gaan bestempelen als tijdverlies, dan zullen we nog veel mogen schrappen. Maar een etmaal zal toch nog steeds 24 uur duren, hoor, en wat moeten we dan doen met de tijd die vrijkomt? Naar Netflix kijken? Waarschijnlijk wel hé.
(Ter info (maar u weet dat natuurlijk al): in vele gevallen kijkt men uit verveling tv en zit men uit verveling op internet. Dat is gewoon zo. Een concrete aanleiding om naar pakweg Facebook te surfen is eerder zeldzaam. Ik heb dat zelf jarenlang ondervonden.)
Netflix dus. Is me dat eventjes ‘red hot’ tegenwoordig. Net als het daarmee gepaard gaande fenomeen bingewatching. Over dat laatste zou ik graag het volgende statement willen maken (enkel voor mezelf trouwens, want u, chronische tokkelaar met nekklachten, bent al lang afgehaakt en leest dit toch niet; met uw aandachtsspanne die nog sneller verschrompelt dan uw ballen is deze tekst voor u immers veel en veel te lang) - maar oké, mijn statement dus: dat het sinds enkele jaren bon ton is om te zeggen dat je series ‘bingewatcht’, wijst erop dat de ‘slappe karakters’ (zowat de helft van alle mannelijke en hoogopgeleide ‘millennials’) opgang maken in de westerse wereld. Bingewatching komt immers voort uit verveling en een activiteit die ontspruit aan verveling verheerlijken, getuigt van mentale luiheid en dus een gebrek aan ambitie of, laat ik zeggen, mannelijkheid.
In de slipstream daarvan steken andere janettenfenomenen de kop op, zoals FOMO of FPFOMO. De Fucking Pathetic Fear Of Missing Out.
Missing out on what exactly? Missing out on die ene serie waarvan je vrienden hebben gezegd dat je die echt zo kei ongelooflijk hard moet hebben gezien omdat je anders echt niet meer méé bent? Of mist u dan toch de kloten aan uw lijf die u nog had vóór u besloot om uw virtuele imago beter te soigneren dan uw real life-persoonlijkheid?
En oh ja, nog dit over tijdverlies. Laatst stond ik tegen iemand te zagen dat ik nauwelijks nog met iemand over boeken kan praten. Mensen lezen niet meer, zo lijkt het wel (en de mop is dat ik dit enkel voor mezelf schrijf, want precies jij bent dit al lang niet meer aan het lezen, afgehaakt als je bent na drie zinnen omdat je een ‘snap’ binnenkreeg op je nieuwe Samsung Galaxy S9). Maar fuck, man, waarom zou je ook een boek lezen? Je zit toch niet meer in het middelbaar ofzo? Ten eerste duurt een boek lezen pokkelang en ten tweede is het supersaai. Wie gaat er dus in godsnaam een boek zitten lezen als je ook gewoon een foto van je interieur kan nemen, die op Instagram kan zwieren en er negentien likes mee kan oogsten? Allez, komaan. Een boek? Zijn we 1978 ofzo?
P.S.: Parate kennis is iets voor kwissers en andere freaks. Al wat je moet weten staat op internet.
P.P.S.: Lees niet wat er niet staat en concludeer dus niet dat ik gezegd heb dat vrouwen niet over vaardigheden zouden beschikken, of over minderwaardige vaardigheden. In tegenstelling tot mannen zijn vrouwen allesbehalve aan het verdwijnen in de Westerse wereld. Vrouwen kunnen integendeel meer dan ooit vrouw zijn in een klimaat waarin (vooral een bepaalde categorie hooggeschoolde) mannen vervellen tot janetten. (Of kijk naar wat er in de muziekindustrie gebeurt: mannelijke artiesten hebben en masse nooit eerder zo verwijfd geklonken als nu - Spotify staat er vol van.) De vrouw stond nooit eerder zo sterk als nu en het is haar van harte gegund. Maar in de liefde zullen vrouwen het moeilijker krijgen dan vroeger, want bij mijn weten vallen vrouwen niet op ‘halve mannen’ met slappe karakters en weinig vaardigheden. Ik weet waarover ik het heb want ik ben zelf het beste voorbeeld van zo’n man voor wie je nooit gevoelens zal hebben, omdat hij te veel praat en te weinig onderneemt. Wellicht ben ik, hoewel heteroseksueel, die halve homovriend aan wie je als vrouw dingen vertelt die je misschien nooit zou vertellen aan een echte man.
Maar daar ga ik me nu niet onnodig druk over maken. Ik ben ook maar een product van mijn tijd. Ik doe mijn best.

woensdag 28 februari 2018

Lucht *kucht*

De laatste maanden ben ik me er volledig van bewust geworden dat ik in Leuven permanent slechte lucht inadem. Ik ruik slechte lucht en ik proef slechte lucht op zowat elke (drukke) plaats waar ik kom. Ik heb nauwelijks kennis van zaken over dit onderwerp, maar volgens mij staat het vast dat Leuven tegenwoordig een ongezonde leefomgeving is.
De Naamsestraat en, in het verlengde daarvan, de Naamsesteenweg, een stadsader waar ik dagelijks kom, is van begin tot eind gehuld in viezigheid. Ik voel het systemathisch in mijn neus en in mijn longen kruipen. Ter hoogte van de Naamsepoort, in de Bondgenoetenlaan en aan het station is het uiteraard ook heel erg (maar eigenlijk is het erg in de volledige stad; op sommige plekken misschien ‘minder erg’, maar nog steeds erg).
Ik ben van plan om eens contact op te nemen met Groen Leuven. Misschien kunnen die me wat verder informeren over dit onderwerp en hoe zij denken het probleem te gaan aanpakken. Geen idee of Groen een relevant aanspreekpunt is om een thema als luchtvervuiling aan te kaarten, maar zij zullen er alvast meer van afweten dan ik. Het kan trouwens niet mogelijk zijn dat ik (een van) de enige(n) ben die deze luchtvervuiling opmerkt. Daarvoor is ze werkelijk altezeer aanwezig. En dan stelt zich meteen ook de vraag of wij als burgers geen recht hebben op propere lucht in onze stad. Moeten wij deze situatie blijven pikken? Het antwoord is nee.
In Brussel is het natuurlijk nog erger. Mits wat properdere lucht zou die stad het volgens mij heel wat beter doen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat je in Brussel op bepaalde plaatsen maar beter met een mondmasker de straat op gaat. Wat er bijvoorbeeld in de omgeving van de Botanique zoal in de lucht hangt, ik wil het liever niet weten. Zeker is wel dat het daar absoluut niet oké is. Toch staan we daar met z’n allen bizar weinig bij stil. Terwijl het hier toch onmiskenbaar over onze gezondheid gaat en wij toch collectief gezondheidsfreaks zijn de dag van vandaag (welja, onder impuls van BV’s en campagnes proberen we gezonder te eten, meer te sporten en minder te roken, maar we informeren ons nauwelijks over andere zaken die de gezondheid schade toebrengen, dus die hele gezondheidscultus kan al bij al met een serieus korreltje zout genomen worden; selectieve blindheid enz).
Ik las in De Standaard dat Belgen meer dan gemiddeld last krijgen van longaandoeningen in vergelijking met andere Europeanen. Longkanker, kortademigheid en astma komen hier vaker voor dan in onze buurlanden. Ik las in hetzelfde artikel dat onze levensduur met een aantal maanden verkort wordt door slechte lucht. ‘t Is dat ik nooit in het buitenland kom, maar het lijkt me inderdaad best mogelijk dat het in België slecht gesteld is met de buitenlucht. Daarvoor hoef ik slechts mijn neusgaten te gebruiken.
Vragen dus. Heel veel vragen. Hebben wij als mens niet gewoon het basisrecht op propere lucht in onze leefomgeving? Zijn wij slachtoffer en dader tegelijk in dit verhaal? Hoe zit dat precies met dat hele fileprobleem in ons land en met auto’s in stadscentra? Ik ken er niks van, maar zijn het vooral onze auto’s of is het nog iets anders dat onze lucht vervuilt? Hoe, wanneer en waarom is het zo uit de hand kunnen lopen? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Waarom is hier maatschappelijk gezien zo weinig rond te doen? (Ik blijf toch een echte journalist hé.)
Eigenlijk wil ik helemaal niet wonen in een stad die niet fris ruikt. Ik ben gedegouteerd door het idee dat ik dagelijks moet rondlopen op plaatsen waar er een hoop viezigheid in de lucht hangt. Wie neemt hierover politieke beslissingen en is het misschien heel moeilijk om beslissingen te nemen die de stank in een stadscentrum reduceren? Ik hoef zo’n ongezonde lucht niet te pikken als burger. Wie kan ik hiervoor aanklagen?
Ik hoop dat Europa ons land pijnlijk hard zal sanctioneren voor het feit dat de luchtkwaliteit in onze steden (én in onze dorpen) veel te laag is en (dus) longkanker en andere aandoeningen in de hand werkt. Ik hoop dat onze verantwoordelijke politici pijnlijk hard aan hun oren zullen worden getrokken en dat ons, Belgen, een geweten zal worden geschopt. Het moet gewoon gedaan zijn met al dat fijn stof, met die stikstofdioxide en met weet ik veel wat er hier nog zoal in de lucht hangt.
Ja echt, steeds vaker valt het me op en steeds vaker vraag ik me af waarom wij dat pikken. Ik ga Groen Leuven hier eens over mailen om te horen wat die erover te vertellen hebben. Hun antwoord zal ik met plezier op Facebook posten. En waarom ook niet meteen de bevoegde schepen mailen?
*
Hé, dat is nu wel heel toevallig: in de bus zie ik een advertentie hangen van Curieuzeneuzen Vlaanderen. ‘Meet de luchtkwaliteit in je straat’. ‘Een grootschalig onderzoek.’ Ik ga meteen eens op internet kijken wat en hoe.

dinsdag 27 februari 2018

Nachtwinkeluitbater

Ha, meneertje de nachtwinkeluitbater. U stond niet achter uw kassa, ik had u niet dadelijk opgemerkt toen ik binnenkwam. Maar kijk, nu zie ik u daar de frisdrankfrigo bijvullen en dan kan u mij net zo goed meteen mijn dagelijkse halve liter Ice Tea Zero overhandigen. Oh, kijk, ik hoef het u zelfs niet te vragen, u reikt ‘m mij al aan. Da’s wel zo handig. U begint mij te kennen hé. Maar waar u niet op voorzien bent, is dat ik er vanavond ook nog een blikje Ice Tea Green bij neem. En die Ice Tea Green ga ik nu meteen thuis opdrinken. Zo’n Green Tea heeft een zeer verkwikkend effect kan ik u wel zeggen.
Wij zeggen nooit iets tegen elkaar en wat mij betreft hoeft daar ook geen verandering in te komen. U baat een nachtwinkel uit en net als alle andere nachtwinkeluitbaters bent u zo’n stille Nepalees aan wiens gezicht je nooit zal zien hoe hij zich voelt. U bent een van die mannetjes die enkel lijken te bestaan in het ‘nachtwinkeluniversum’. Geen mens die weet waar u zich de rest van de dag ophoudt of mee bezig houdt. Ik zou het u op zich wel willen vragen. Of nee, eigenlijk niet. Ik heb echt totaal niet de behoefte om een gesprek met u aan te knopen of om u zelfs maar één vraag te stellen. Dat ligt trouwens helemaal niet aan u als persoon. Het is gewoon niet nodig. Althans niet voor mij. En ik denk dat u het van uw kant ook niet nodig vindt om met mij een praatje te maken. Ik denk niet dat u enige belangstelling hebt voor mij. Ik kom gewoon een halve liter Ice Tea Zero kopen (en vanavond ook een blikje Ice Tea Green) en u baat gewoontegetrouw en zonder veel schwung uw winkel uit. Veel meer hoeft daar verder niet aan toegevoegd te worden. Daarmee basta. Ik durf te wedden dat u het volledig met mij eens bent.
Dat blikje Green Tea dat ik van u koop, drink ik dus nu meteen nog op. Nu, om 23:20, oftewel om veertig minuten voor middernacht. Het flesje Zero bewaar ik voor morgenvoormiddag. Zoals bijna elke dag zal ik ook morgen waarschijnlijk de hele voormiddag in mijn bed blijven zitten - zitten, niet liggen - om te lezen en te schrijven, en behalve het gezelschap van mijn zwijgzame knuffelschildpad Kaja, hoort daar ook mijn halveliterflesje Ice Tea Zero bij. Meestal is dat flesje leeg nog voor ik mijn krant uit heb of mijn tekst af heb.
U zal het trouwens niet opgemerkt hebben, meneertje Van Nepallegem, maar toen ik uw winkel binnenkwam, had ik een New Yorker in mijn mond. Toen ik daarstraks uit de cinema kwam - ik heb ‘Call Me By Your Name’ gezien - stelde ik vast dat ik nog honger had. De dichtstbijzijnde frituur was gesloten en dus dook ik maar binnen bij een van uw collega-nachtwinkeluitbaters (bij die aan de Naamsepoort). Ik zocht daar naar iets waarmee ik snel mijn honger kon stillen en ik weet wel dat een pak New Yorkers daarvoor niet de beste, laat staan de gezondste, oplossing is, maar hey, ik zag New Yorkers (de koekjes dus hé, voor alle duidelijkheid) en ik kreeg daar zin in. Dus. Ik kocht New Yorkers en toen ik bij u binnenkwam had ik er nog net eentje in mijn mond. Mocht het u interesseren, tenminste. En nee, uiteraard interesseert dat u niet.
Maar weet u, nu ik toch bezig ben, ik kocht dan wel New Yorkers maar ik heb ook appels thuis. Toch komt het er op een of andere manier niet snel van om een appel te eten. Alsof het net altijd niet het moment is ervoor. Ofwel heb ik net ontbeten, ofwel ga ik net naar buiten, ofwel kom ik net weer binnen, ofwel ben ik bij u langs geweest voor een Ice Tea - er is altijd wel iets. Dus ik koop een pak appels (zes stuks) en daarvan eet ik er nog diezelfde dag twee, maar de overige vier moet ik vervolgens echt bijna naast mijn bed gaan leggen opdat ik er nog aan zou denken om ze op te eten. Raar hoe dat telkens zo verloopt. Temeer omdat ik die appels echt zeer lekker vind en ik heel goed weet hoe voedzaam ze zijn. Voedzamer wellicht dan eender wat u in uw winkel te koop aanbiedt. Spreek mij tegen als het niet waar is.
Bon, ik wil u niet blijven vervelen met mijn eet- en drinkgewoontes. Laten wij tweeën maar gewoon verder doen zoals we bezig zijn en laten we met andere woorden vrolijk tegen elkaar zwijgen als we elkaar zien. Ik zal mijn Ice Tea Zero op uw toonbank zetten, u zal “één euro tachtig” mompelen, ik zal betalen en u nog een fijne avond toewensen en u zal mij, eerder niet dan wel van harte, hetzelfde toewensen. Voor mij kan het zo perfect volstaan wat onze bijna dagelijkse interactie betreft.
Ik wens u nog een fijne avond en waarschijnlijk zien we elkaar morgen terug.

maandag 26 februari 2018

Leuk

‘Leuk’. Ken je dat woord? Je weet wel, op Facebook, ‘vind ik leuk’. Dat ken je toch?
En of we dat kennen! Hieperdepiep! Alles is leuk! Alles is leuk! Jij bent leuk! Ik ben leuk! Allemaal samen, zing: “Wij zijn leuk! Jippie-ka-jee!”
Met dank aan Facebook is er waarschijnlijk geen woord dat onze tijdsgeest beter vat dan ‘leuk’. Opgeklopt en dwangmatig leuk, weliswaar. Leuk betekent namelijk niks, het is een woord dat elke ernstige beoordeling in de weg staat. Als ‘leuk’ al een beoordeling genoemd kan worden, dan is het een beoordeling die smeekt om nader te worden verklaard. Leuk is vrijblijvend en oppervlakkig. Een beetje te vergelijken met de manier waarop wij nogal vaak met elkaar omgaan (neem bijvoorbeeld een populaire app als Tinder). Laten we niet te ernstig worden, ‘het moet wel leuk blijven’ - die instelling. En daarom gaan we inhoudelijke of onprettige onderwerpen uit de weg. Leuk is bang van interessant. Leuk heeft een afkeer van inhoud en is op zijn hoede voor meer complexe emoties zoals vreugde of zelfs tevredenheid. Leuk gaat niet samen met een lach, hoogstens met gegrinnik dat twee seconden duurt. En leuk blijft niet hangen. Wat leuk is, is meteen weer weg. Dingen die alleen maar leuk zijn, zijn niet het onthouden waard.
Omdat ik daar nogal nauw bij betrokken ben, neem ik als voorbeeld mijn eigen teksten. Je kan daar vanalles over zeggen, maar niet dat ze leuk zijn. Ik weet niet wie mijn teksten leest en hoe ze worden gelezen (volledig, diagonaal, de eerste paar zinnen,..), maar als je als lezer tot het slotoordeel komt dat wat je gelezen hebt alleen maar ‘leuk’ is, dan heb je volstrekt niet begrepen waar ik over schrijf of wie ik ben. Al mijn teksten zijn serieus te nemen (ook mijn satire e.a.) en als je een oordeel velt over mijn teksten, dan hoop ik dat je verder komt dan ‘leuk’. ‘Amusant’ is al iets beter. Of (het ook nog vrij platte): ‘grappig’. Of ‘humoristisch’. Ja, ‘humoristisch’ vind ik een mooi inhoudelijk oordeel. Lach om mijn teksten (we hebben het in dit geval over mijn teksten omdat ik daarover ‘kennis van zaken’ heb, en dan specifiek over die die grappig bedoeld zijn), amuseer je als je ze leest. Je moet er niet met anderen over praten, je mag ze ook weer snel vergeten (dat doen we tenslotte toch allemaal; onze aandachtsboog enz), maar beschouw ze niet als gratuite leukigheid. Ik investeer immers in die teksten, ik steek er tijd en energie in, en dat gaat helemaal niet samen met leukigheid. Ook al zijn mijn gedachten niet altijd even coherent en spring ik misschien van de hak op de tak, ik ben er wel met mijn kop bij als ik schrijf. En ik heb als hobby-schrijver toch ook de pretentie om iets af te leveren dat het lezen waard is, dat meer dan leuk is. Ik wil iets maken dat écht grappig of écht interessant is. Als ik alleen maar leuk zou willen zijn dan zou ik niet schrijven. Leukigheid is lui, en uit luiigheid ga je niet schrijven. Je gaat schrijven uit een minimum aan engagement (voor wat dan ook - in mijn geval voornamelijk om meer voldoening uit mijn leven te halen).
Het verschil tussen leuk en grappig is natuurlijk niet altijd duidelijk. Een selfie met weet-ik-veel-wie-of-wat kan leuk én grappig zijn. Maar ik denk dat grappig een extra laagje heeft, daar waar leuk volstrekt niet gelaagd is. Over grappig is op z’n minst heel even nagedacht. Als het dan ook nog een intelligente grap is, is alles prima in orde.
Leuk kan in tegenstelling tot grappig niet volstaan als oordeel. Toch zeker niet wanneer het een langere tekst betreft. Ik begrijp natuurlijk dat reageren op een Facebookbericht niet al te omslachtig mag worden gemaakt, maar als je zelf iets post heb je bijvoorbeeld wel de mogelijkheid om een emoticon aan je bericht toe te voegen en je kan daarbij kiezen uit werkelijk een enorm scala aan emoticons, met gekke bijschriften als ‘hemels’, ‘meh’ of ‘bweurk’. Het klopt dat Facebook sinds enige tijd ook een hartje en een schaterlachend, een verdrietig of een boos gezichtje aanbiedt bij de reactiefunctie en dat stelt een mens in staat om iets ‘complexer’ te reageren, maar op zich zeggen die beoordelingen nog steeds bitter weinig. En zeg eens, wie doet er ooit de moeite om ook echt een reactie te typen genre: “jouw post heeft mij aan het denken gezet, omdat...”? Engagement stopt ook wel ergens. Ik merk het bij mezelf. Overigens zit ik hier echt niet te hengelen naar meer (betekenisvolle) reacties op mijn teksten. Ik freewheel alleen maar wat.
(Dit wordt steeds meer een incoherente opsomming van losse gedachten, heb ik de indruk. Ik ben alleszins het overzicht een beetje kwijt en heb geen idee tot welk besluit dit alles moet leiden. Maar voor het gemak ga ik me daar nu eens helemaal niks van aantrekken. Ik schrijf nog altijd in de eerste plaats voor mezelf en pas in tweede instantie voor jou.
Ik heb recent ‘De transparante samenleving’ van de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han gelezen en een van diens stellingen is dat onze maatschappij elk gedachteproces aan het afschaffen is. Alles en iedereen moet transparant en ongenuanceerd zijn (‘leuk’ en dus niet ‘interessant, omdat..’). Dingen die tot nadenken en reflecteren aanzetten, moeten worden vermeden en geëlimineerd. Enter: ‘leuk’. Het leuk zoals wij dat ondertussen kennen, heeft al lang geen wezenlijke betekenis meer en is dus transparant. In hoofdstukken met duidelijke titels als ‘De etalagesamenleving’, ‘De pornosamenleving’ (dat niet over porno gaat) en ‘De onthullingssamenleving’ argumenteert Han dat we in een wereld zijn terechtgekomen waarin we nauwelijks nog iets achterhouden, maar daarentegen onszelf vrijwillig ‘aanbieden’, ‘uitstallen’, ‘blootgeven’ (zoals porno) en ‘onthullen’. Niets mag onduidelijk blijven, bij niets mogen nog vragen rijzen. Han komt zo tot het besluit dat we in de ‘controlesamenleving’ zijn aanbeland. We gebruiken onze vrijheid om ons leven uit te stallen en onszelf bloot te geven en laten bijgevolg - oh, contradictie - toe dat alles dat we doen kan worden bekeken en (dus) gecontroleerd. Een andere stelling van Han die ik ook zal onthouden, is dat onze roep om transparantie bij elk doen en laten van politici voortkomt uit een groeiend wantrouwen van mensen onderling, als zou niemand nog intrinsiek goede bedoelingen hebben. Inderdaad is het logisch om wantrouwig te staan tegenover hij of zij die bijzonder weinig deelt in een tijdsgewricht waarin we aangemaand worden om zo veel mogelijk te delen. Delen via internet is de norm. Wie besluit om niet te delen ‘houdt iets achter’.
Een passage uit ‘De transparante samenleving’: “De overheersende uiting van de positieve samenleving [een samenleving waarin elke onduidelijkheid de kop wordt ingedrukt] luidt: ‘Vind ik leuk’. Typerend genoeg heeft Facebook [een van de motoren achter de transparante controlemaatschappij] consequent geweigerd een dislike-button te maken. De positieve samenleving vermijdt zelfs de schijn van negativiteit, want dat zou de communicatie maar doen stokken. Waarde wordt alleen afgemeten aan de kwantiteit en het tempo van de informatie-uitwisseling. De kwantiteit stuwt dan ook de economische waarde van de communicatie op. Negatieve uitingen schaden de communicatie. Op ‘like’ volgt de reactie sneller dan op ‘dislike’. Het negatieve van een afkeuring is economisch onbruikbaar.”
Interessante laatste zin. Uiteraard zijn er bepaalde mensen die er een groot belang bij hebben dat de samenleving ‘positief’ en steeds transparanter wordt. Wij blijven maar delen-delen-delen en we denken dat we alles onder controle hebben, maar in werkelijkheid worden wij dag na dag ‘gebruikt’ en er is geen reden om te denken dat dat in de toekomst zal veranderen. Onze geest zal integendeel nog meer in de richting van de transparantie worden gemasseerd, en wel liefst tot op het punt waarop we ons helemaal nergens meer vragen bij stellen.)
(Maar om nog even op ‘leuk’ terug te komen. Als ik de filosoof Han een beetje volg, heeft de o.a. door Facebook gepromote aanduiding ‘leuk’ enkel als bedoeling om ons minder te laten nadenken. In de leuke samenleving (de samenleving waarin we zo leuk mogelijk gevonden willen (of moeten) worden) kiezen we er in alle vrijheid voor om onszelf tentoon te stellen (en om dus om allerlei persoonlijke informatie prijs te geven). Dat dit als gevolg heeft dat anderen als het ware dossiertjes over ons kunnen gaan aanleggen (teksten/statussen copy-pasten, privé-foto’s downloaden, persoonlijke informatie verspreiden,..) is een ongemakkelijke waarheid waar we liever niet bij stilstaan en die we wegwuiven als “zal mij wel niet overkomen”.
Ik heb zelf een vreemde relatie met Facebook. Enerzijds laat ik in mijn posts geregeld het achterste van mijn tong zien (heel transparant van mij), anderzijds is mijn profiel een versterkte burcht en heb ik slechts 40 Facebookvrienden (heel geheimzinnig en niet erg wenselijk), van wie ik er toch zeker 30 vertrouw. Ik vertrouw er ook op dat deze mensen in staat zijn of de inhoud hebben om een minder transparant oordeel over mijn Facebook-activiteit te vellen dan ‘leuk’.
(Hier aanbeland moet ik bekennen dat ik al van bij het begin niet wist wat de pointe van dit schrijfsel moest worden. Vermoedelijk om die reden kom ik niet tot een einde die naam waardig. Ik denk in feite dat ik iets heb willen zeggen over de complexiteit van beoordelingen en over het fenomeen ‘kritische zin’. Maar of dat een beetje gelukt is, ik heb geen idee.)

zondag 25 februari 2018

Schadevergoeding voor man die lijdt aan N-VA

Gisteren kreeg Alexander Cornet het nieuws te horen dat hij een morele schadevergoeding van 2,9 miljoen euro zal ontvangen omdat hij al bijna tien jaar moet leven met Niet-Vaststelbare Aandoening (N-VA). Men erkent daarmee het psychisch leed dat Cornet als gevolg van zijn mysterieuze want onopgehelderde kwaal ondervindt. Toch reageert Cornet gelaten op het nieuws van de schadevergoeding. “Mij maakt het niets uit of ze mij nu 2,9 miljoen of 2,9 miljard geven. Ik zou meteen het dubbele geven om voor eeuwig en altijd van die N-VA verlost te zijn.”
De ellende begon voor Cornet in 2009. Een veelheid aan moeilijk te benoemen klachten manifesteerde zich zowel in zijn geest als in zijn lichaam. Een eerste doktersbezoek leverde geen resultaat op. “Het onderzoek naar N-VA stond in 2009 nog nergens”, herinnert Cornet zich. “De ziektesymptomen waarmee ik te maken kreeg, leken in de verste verte niet onder één noemer te passen. Naast braakaanvallen had ik ook last van verbale agressie, algehele ontevredenheid, een soort Gilles de la Tourette waarbij ik voortdurend ongewild stommiteiten zei en een niet te stillen honger naar gefrituurde snacks.”
Cornet trok naar Gasthuisberg in Leuven en onderging daar elk onderzoek dat je daar kunt ondergaan. “Men zag tekenen van én een depressie én van Tourette én van destructief narcisme én van sociopathie én van darmproblemen én van vraatzucht, maar een eenduidige, allesoverkoepelende conclusie kon men uit die onderzoeken niet trekken. Omdat elke diagnose dus louter op veronderstellingen zou berusten, kwam men uiteindelijk uit bij het uiterst zeldzame N-VA”, doet Cornet verslag.
Omdat er geen behandeling bestond voor Cornets combinatie van problemen en hij ook geen enkel medicijn kreeg voorgeschreven, bleef Cornet onverminderd met zijn gezondheid sukkelen. De facto verergerden zijn klachten nog en dat blijft zo tot op de dag van vandaag. Meer dan ooit heeft hij momenteel last van sociopathisch gedrag en braakneigingen, maar het waren vooral zijn niet-vaststelbare Tourette-symptomen die al in een vroeg stadium verergerden. “Ik zei de ene provocatieve stommiteit na de andere”, vertelt een geëmotioneerde Cornet. “Het was oncontroleerbaar. Ik sloot mezelf steeds vaker op omdat mijn tics het mij bijna onmogelijk maakten om nog op openbare plaatsen te komen. ‘Sos’, ‘Waal’, ‘profiteur’ en ‘poco’ waren slechts enkele van de vele verwensingen die er in gesprekken met anderen te pas en te onpas uitfloepten. Daarenboven rolde ik tijdens gesprekken aan de lopende band met mijn ogen, waardoor mensen onterecht gingen denken dat ik op hen neerkeek of dat ik hen achterlijke sukkels vond. Het leek me dan ook verstandiger om thuis te blijven en de mensen niet langer met mijn vervelende, onuitlegbare gedrag lastig te vallen.”
Cornet zocht in zijn eentje naar oplossingen om zijn gezondheid te verbeteren en hij slaagde erin om zijn vreetbuien onder controle te krijgen. Hij zocht zijn heil in sport en vertoonde op die manier tekenen van herstel. Maar met zijn mentale gezondheid ging het geenszins beter en Cornet moest tot zijn verdriet vaststellen dat er steeds vaker boosaardige gedachten door zijn hoofd spookten.
“Ik duldde nauwelijks nog tegenspraak wanneer ik met iemand in gesprek was. Ergernis en frustratie verdrongen zich in mijn brein en ik had geen idee waar die gevoelens vandaan kwamen. Ik raakte almaar meer gefrustreerd precies omdát ik gefrustreerd was. Het was afschuwelijk.”
Omdat de medische wereld geen antwoord vond op N-VA en elk onderzoek ernaar voorlopig zelfs is stopgezet, werd in 2017 besloten om Cornet een grote schadevergoeding toe te kennen. Als slachtoffer van onbehandelbare Niet-Vaststelbare Aandoening heeft Cornet geen vooruitzicht op beterschap, zo redeneerde men, en men toonde begrip voor het feit dat het moeilijk is om in die toestand de moed niet op te geven. Bovendien was Cornet voor hij op zijn tweeëntwintigste last kreeg van N-VA een goedlachse jongeman met enorm veel vrienden en duizend-en-een plannen. Dit gegeven in aanmerking genomen, was men van oordeel dat er een leven verwoest is door deze ondetecteerbare ziekte.
“De onduidelijkheid over mijn ziekte heeft de voorbije tien jaar enorm veel van mij gevergd”, besluit Cornet, die geregeld moet braken in een emmer die naast hem staat en die zich naar eigen zeggen tot het uiterste moet inspannen om mensen niet af te snauwen of te beledigen. “Zelfs mijn grootste vijand wens ik geen N-VA toe. Maar wat ik met de schadevergoeding moet aanvangen, weet ik niet. Er blijft nauwelijks nog iets over waar ik van kan genieten en naar een behandeling voor N-VA is men zelfs niet meer op zoek. Ik ben dan ook bezig mijn euthanasiedossier in orde te maken en de kans is gelukkig zeer groot dat men mijn aanvraag zal goedkeuren. In deze omstandigheden kan en wil ik immers niet blijven verder leven.”
Cornet is niet van plan om zelf nog van zijn enorme schadevergoeding gebruik te maken. Wel overweegt hij om een fonds op te richten dat zeer rijke mensen nog een extra financieel duwtje in de rug kan geven.

zaterdag 24 februari 2018

Relevante Twitteraar

Ook in 2018 blijf ik een van de meest relevante Twitteraars van Vlaanderen. San F. Yezerskiy en Michel Baeten zijn onevenaarbaar, dat geef ik toe (die gasten zijn zó ad rem, dat zijn echt supersnelle denkers), maar na Yezerskiy en Baeten kom ik. Hieronder het bewijs dat ik scherper tweet dan ooit tevoren.
“Het was nobel van hen om een specifiek medium voor mensen met een verstandelijke beperking uit de grond te stampen, maar ik stel me voor dat de bedenkers van Twitter niet verwacht hadden dat hun website zó populair zou worden bij politici.”
“Als staatssecretaris blijft Theo Francken bewijzen dat geen droom buiten bereik hoeft te liggen voor iemand met een verstandelijke beperking.”
“Ik maakte me zonet de bedenking dat er nu al een generatie kids aan het opgroeien is die het nooit anders geweten zal hebben dan dat tweets 280 lettertekens mogen bevatten. OMG...”
Ik tweet vooral over Twitter zelf. Misschien maakt dat van mij wel de beste meta-Twitteraar van Vlaanderen.
(Voor alle duidelijkheid: ‘t is maar om te lachen, ik ben helemaal niet actief op Twitter. Soms bedenk ik gewoon briljante zinnen die het goed zouden doen als tweet. Ben je zelf niet erg bedreven in het bedenken van tweets en wil je dat ik een briljante tweet schrijf voor jou? Stuur me een PM en we gaan aan de slag. Groetjes.)

vrijdag 23 februari 2018

Blauwe wijn

We dronken veel wijn, de hemel ging ervan blozen
Ik drapeerde je jas over hem heen
De blauwerd was niet in de wolken daarmee
Sloeg niet langer rood uit
Wij dronken meer wijn, dronken op samen zijn
Een kaars laaide rood in jouw ogen
Jouw teen lonkte slinks naar mijn enkel
Je wist dat ik wist dat jij wist wat ik wist
We dronken meer wijn en diezelfde seconde
Rijmde wijn heel onnozel op fijn
Ik vroeg of ik jou wat mocht vragen
Je zei niet nee, je knikte, je zei niet ja
Je dronk veel meer wijn dan je sprak
De hemel was blauw nu en rustig
Ik haalde je jas van hem af, gaf jou lucht
En je teen tikte tegen mijn scheenbeen
We dronken nog steeds nog meer wijn
Jij van mijn glas en jij van jouw glas
Ik keek alleen maar naar jou
Vroeg me af of wij door konden bloeien
Het kussen in je rug drukte jou tegen me aan
Je ene been viel over je andere heen
Ik vond dat ik iets moest bijeenrapen
Mijn moed en mijn weemoed in die volgorde
Moest ik zonder gevoel van de grond schrapen
Jou kussen met een kussen in jouw rug
De wijn van satijn en je blouse was toe
Een treurwilg moest zuchten om zoveel pathos
Eén verloren moment was mijn liefde voor jou
Want ik keek je aan en ik leek te stikken
En steeds als je niets zei ging ik knikken
Een laatste glas wijn en jouw teen op mijn kuit
We keken de hemel nu pal in de ogen
Jouw blauw en mijn blauw en zijn langzame grauw
Wij knipperden eerst en ik bracht jou naar huis

donderdag 22 februari 2018

Zes maanden geen internet

Precies zes maanden geleden verhuisde ik naar mijn huidige studio. Een Telenetmodem was daar al aanwezig, ik moest nog slechts een installateur optrommelen om de verbinding in orde te laten maken. Geen haar op mijn hoofd dat er op dat moment aan dacht om in mijn nieuwe woonst geen internetverbinding te nemen. Ik was fucking verslaafd aan internet, echt, zonder internet wist ik me nauwelijks bezig te houden. Dacht ik. Ik liet een installateur komen, maar die stelde een probleem met een kabel vast, een probleem dat blijkbaar enkel door een elektricien kon worden opgelost. Ik zie mezelf eind augustus nog met mijn laptop naar de bibliotheek gaan om daar van de gratis wifi gebruik te maken om telefoonnummers van Leuvense elektriciens op te snorren. Ik belde een eerste elektricien. Die nam niet op. Ik belde er een tweede. Die had het druk, maar hij kon volgende week (vijf dagen later) weleens komen kijken. Oké, zei ik. Prima.
Ik was zo gelukkig in mijn studio, die eerste week. Het was er klein maar fijn. Het zonneke scheen door het raam dat het een aard had. Ik zat elke middag in de zon aan het raam en ik voelde me rustig zoals ik me al lang niet meer rustig had gevoeld. ‘s Ochtends werd ik wakker en in plaats van steeds maar weer naar mijn laptop te grijpen om een eerste keer ‘mijn Facebook te checken’, greep ik naar mijn laptop om een Wordfile te openen en te schrijven over wat er mij ook maar te binnen wilde schieten. (Een week voor mijn verhuis, was ik per abuis weer aan het schrijven gegaan en ik had helemaal de smaak te pakken.)
Op de dag van afspraak heb ik een hele namiddag op de elektricien gewacht, maar hij is niet komen opdagen en heeft ook niks meer laten weten. Het feit dat ik hem daar zelf niet over heb opgebeld, was waarschijnlijk al een teken aan de wand, want dat wonen-zonder-internet beviel me precies wel, ook al deed ik het dan nog maar vijf dagen. Het leek wel alsof ik op vakantie was in mijn eigen huis. Een beetje weg van de wereld. Gewoon, ik aan het raam in de zon. En maar schrijven en lezen.
Drie dagen later kwamen we aan het eind van de maand en enthousiast als ik was over een thuis zonder internetverbinding, besloot ik om mijn eigen internetabonnement op te zeggen. Ik belde met de Telenet-klantendienst en werd daar heel vriendelijk te woord gestaan door ene Svetlana, die mij wist te vertellen dat ze zelf eens een maand haar Facebookaccount had gedesactiveerd en dat ze dat als bijzonder verfrissend had ervaren. Ze had dus alle begrip voor mijn keuze om eens te kijken wat het zou geven om zonder internet te wonen. (Voor de volledigheid: ik heb geen smartphone, dus ook via die weg geen internet bij mij thuis.)
Ik had nu geen internet thuis én geen internetabonnement meer. Internet was nu, begin september, iets waarvoor ik naar buiten moest gaan. Dat gegeven beviel me enorm. Enerzijds had ik mijn studio, waarin ik helemaal weg was van de buitenwereld en anderzijds was er die buitenwereld, die plots ‘verrassingen’ voor mij in petto had, omdat ik er, als ik niet naar buiten ging, niets over te weten kwam. Die eerste weken had ik ook geen radio in mijn studio en ik was nauwelijks op de hoogte van de actualiteit. Ook dat was enorm prettig. Als ik op een openbare plaats op internet zat, nam ik nauwelijks de moeite om een nieuwswebsite te bekijken. Nieuws en vooral die eeuwige opinies over weet ik veel wat allemaal interesseerden mij hoegenaamd niet meer. Toch had ik na enkele weken behoefte aan een radio om toch iets van de buitenwereld binnen te krijgen in mijn studio. Nu en dan eens een nieuwsbulletin, maar ook niet meer dan dat. Mijn broer had een wekkerradio die hij niet gebruikte. (Een tv heb ik natuurlijk (ook) niet. Nooit een tv in mijn huis.)
En zo gingen de weken voorbij. Thuis had ik geen internet - dat ik kon leven zonder, ik bleef het waanzinnig vinden - en als ik wilde kijken of ik mails had ontvangen, ofzo, dan ging ik met mijn laptop naar de bib. Zo simpel was dat.
Ik kwam thuis veel meer aan schrijven toe, dat was sowieso de voornaamste vaststelling. De voortdurende aanwezigheid van internet in mijn woonruimte had ervoor gezorgd dat ik mij nauwelijks nog langdurig op iets kon concentreren. Heel jammer, natuurlijk, want er is eigenlijk maar weinig dat ik zo graag doe als schrijven, en om dat schrijven dan links te laten liggen enkel en alleen om die dag nog eens een zeven- en een achtenveertigste keer Facebook te checken, dat was eigenlijk zo enorm zonde. Maar dat probleem was nu dus opgelost en ik kon me volop op schrijven en andere dingen concentreren. Al was dat ook wel een zoektocht. Want oké, daar zat ik dan zonder internet een ganse avond naar de muur te kijken, niet in de mogelijkheid zijnde om contact te leggen met de buitenwereld, behalve dan per telefoon of door daadwerkelijk naar buiten te gaan. Ik moest toch een bijkomende bezigheid zien te vinden. Lezen en schrijven alleen konden niet volstaan. Ik luisterde als vanouds veel naar muziek, maar naar muziek luisteren is iets dat niet op zichzelf staat, of toch niet voor mij. Ik combineer dat met iets anders en dat andere was al sinds jaar en dag surfen op het internet. Nu luisterde ik naar muziek en sloot ik mijn ogen of keek ik naar de muur. Moest ik een puzzel kopen, zodat ik kon puzzelen thuis? Nee. Al was het maar omdat ik in mijn studio geen plaats heb om een puzzel te leggen. Moest ik tekengerief kopen om mezelf tot een multidisciplinaire artiest te ontpoppen? Nee. Wat een stom idee. Ik teken toch helemaal niet graag? Een boek met kruiswoordraadsels dan? Wow, zou ik dat echt in overweging nemen? Zou ik ‘s avonds thuis kruiswoordraadsels gaan oplossen, zoals een ouwe mens? Nee, dat zou ook niet gaan. Zoiets zag ik mezelf één of twee keer doen, maar meer ook niet. Ik vond het zelfs een zeer deprimerende gedachte dat ik thuis kruiswoordraadsels zou zitten oplossen.
Een computerspel dan? Toen ik nog eens met mijn laptop de stad introk, downloadde ik Mijnenveger op mijn pc. Misschien kon dat iets zijn waar ik me op dode momenten wat mee bezig kon houden. Moest ik me schamen om thuis Mijnenveger te spelen, terwijl een ander een hele avond naar Netflix zat te kijken? (Ik begrijp trouwens niet goed waarom mensen zoveel praten over alle tv-series die ze hebben bekeken. In mijn ogen vertellen ze daarmee vooral hoeveel tijd ze alleen hebben doorgebracht en hoeveel tijd ze blijkbaar niet wisten wat ánders te doen dan tv te kijken. Netflix en consorten, met z’n allen hebben we het erover en met z’n allen gaan we dus ‘s avonds niet meer gewoon fijn naar buiten om onder de mensen te komen. Wat vreemd dat dat zo’normaal’ is geworden. Wat zielig eigenlijk.)
Ik speelde thuis dus al eens wat Mijnenveger, als ik eens niks beters te doen had. Opvallend trouwens hoe weinig ik ertoe kwam om naar films of series te kijken. Ik had verwacht dat die ook de leegte zouden opvullen die er zou ontstaan nadat internet was weggevallen, maar sinds ik geen internet meer heb thuis kijk ik helemaal niet vaker naar films of series dan voorheen. Integendeel zelfs. Iets dat ik wél vaker doe dan voorheen is een avondwandeling maken. Aanvankelijk deed ik dat (ook) om de buurt een beetje beter te leren kennen (eigenlijk kende ik de buurt al heel goed, maar bon), maar nu doe ik het ook gewoon omdat ik ervan geniet. Een beetje buiten komen, een beetje bewegen. Sinds ik thuis de wereld gedeeltelijk buitensluit, heb ik ook andere manieren ontdekt om de actualiteit gedoseerd binnen te halen. Via Soundcloud heb ik me op een aantal podcasts geabonneerd en hoewel veel podcasts niet rechtstreeks kunnen worden gedownload, bestaan er op internet natuurlijk programmaatjes die Soundcloudlinks in no time kunnen downloaden tot een mp3-bestand. Dus ‘s avonds ga ik weleens de straat op met mijn mp3-speler en soms beluister ik dan een podcast. Aanraders zijn: Antiradio en Kratkruipers (uitgebreide interviews met Belgische muzikanten), Café Weltschmerz (Nederlands gespreksplatform over allerlei maatschappelijke thema’s), Citybooks van deBuren en ook andere podcastuitzendingen van deBuren, het Gentse podcastproject Relaas, waarin iemand een waargebeurd verhaal vertelt (heel fijn). Er zijn ook de Radio 1-podcasts (steeds meer, trouwens - ze zetten daar duidelijk op in bij de VRT) zoals Wanderland en Mastertracks (over muziek) en Iemand (over iemand met een ‘uniek verhaal’). Verder beluister ik ook podcasts van The Guardian (de longreads zijn vaak interessant) en The Economist, en daarnaast luister ik nog naar enkele podcastst over tennis.
Tot zover de podcasts. Ideaal voor tijdens een wandeling of voor tijdens het koken, het eten of de afwas. Ook fijn om met de oogjes toe achterover in mijn zetel te liggen en aan helemaal niets te denken. Want dat is nog zoiets: ik probeer minder na te denken. Internet laat dat nauwelijks toe, een medium als Facebook laat een mens bijna niet toe om zijn hoofd leeg te maken. Langs alle kanten komen de indrukken en impulsen binnen. Ik had er al langer mijn buik van vol en nu ik veel veel minder tijd op Facebook doorbreng, begrijp ik eigenlijk amper nog dat het me tot voor kort zo in beslag kon nemen. Volgens mij is Facebook sowieso op zijn retour. Mij kan het alleszins nog weinig boeien en ik heb de indruk dat ook anderen het wat beu zijn geraakt. Dat de nieuwssites die ik op Facebook volg het moeilijker krijgen om mijn nieuwsfeed te halen, is prima, en het is ook prima dat bijna alle opiniestukken op nieuwssites achter een betaalmuur zitten, want zo kom ik zelfs niet meer in de verleiding om ze te lezen. Ik heb totaal geen behoefte meer aan meningen die ik toch niet onthoud of waar ik toch niks van bijleer. Laat ze allemaal hun mening maar hebben. De tijd van praten-praten-praten is wat mij betreft voorbij, alles is nu wel besproken. Het is nu tijd om belangrijke (wereld)problemen aan te pakken, het is nu tijd voor actie. Al dat gebabbel. Jezus Christus. Ik heb er geen nood meer aan. Ik heb nood aan wat daadkracht. De daad bij het woord voegen, weet je wel? Niet zo makkelijk, heb ik de indruk.
Behalve van Soundcloud haal ik ook wat YouTubemateriaal offline. Via het programmaatje Keepvid kan je heel gemakkelijk YouTubefilmpjes downloaden en het fijne daarvan is dat je die thuis kan bekijken zonder dat je rechts van het filmpje andere video’s ziet klaarstaan waar je daarna op zou kunnen clicken. Het zalige van offline video’s kijken, is dat je niet anders kan dan je te beperken tot datgene dat er is. YouTube is bij uitstek de site waar je vele uren tijd op kan verliezen zonder dat je het goed en wel beseft. Je begint om 21u en plots is het middernacht. Dergelijke toestanden maak ik tegenwoordig niet meer mee. Ik kan nu makkelijker op tijd gaan slapen.
Bepaalde tv-programma’s die ik vroeger in ‘uitgesteld relais’ bekeek, bekijk ik nu nog nauwelijks of niet meer. Als ik in de bib zit, zal ik soms eens een stukje van ‘De afspraak’ bekijken. ‘Terzake’ bekijk ik helemaal niet meer. Nee, ik zal eerder via YouTube een documentaire over ijsberen downloaden, ofzo. Ik heb in mijn leven genoeg naar politici geluisterd om te weten dat ze zelden of nooit iets wezenlijks te vertellen hebben. Kathleen Cools krijgt er misschien nooit genoeg van, maar ik wel.
Oh, en er is nog dit - heel belangrijk. Het kan heel contradictorisch klinken, maar mét internet in huis voelde ik me aanzienlijk eenzamer dan zonder. Ik kon me heel eenzaam voelen als ik een hele avond naar Facebook zat te staren. Alleen zijn was geen keuze toen, het ‘overkwam’ mij. Nu is alleen zijn wel een keuze en word ik niet online geconfronteerd met allerlei mensen die met allerlei dingen bezig zijn zonder mij daarbij te betrekken (niet dat ik bij alles betrokken wilde worden, maar je begrijpt wat ik bedoel). En door meer buiten te komen (want nu ik thuis geen internet heb, ‘moet’ ik meer naar buiten) heb ik tijd met mensen doorgebracht die ik anders in mijn uppie zou hebben doorgebracht. Door vaker buiten te komen, is de kans groter dat je mensen ontmoet en in real life mensen ontmoeten is in mijn ervaring nog altijd beter dan online mensen ‘ontmoeten’ (die enkelvoudige aanhalingstekens zijn hoe langer hoe minder nodig, geloof ik).
Ik moet kortom besluiten dat ik heel tevreden ben over mijn leven zonder internetverbinding in huis. Soms zijn er onhandigheden die anno 2018 een beetje lullig aanvoelen. Als ik bijvoorbeeld niet snel even kan opzoeken wanneer er een trein rijdt ofzo, of als ik zou willen weten wanneer de apotheek sluit. Ook het feit dat ik offline maar beperkt toegang heb tot Spotify vind ik weleens vervelend. Maar precies de beperking zet ook aan tot reflectie. Waarom moet alles ongelimiteerd en onmiddellijk beschikbaar zijn? Ik heb de beperking als gegeven omarmd (en eigenlijk doe ik dat al mijn hele leven omdat ik er altijd van overtuigd ben geweest dat de instantbevrediging eerder ongelukkig dan gelukkig maakt; eigenlijk is de instantbevrediging echt een heel beangstigend gegeven). Ik ben altijd een beetje bang geweest voor het soort ongelimiteerdheid zoals wij die vandaag kennen en aan de welke heel wat mensen blijkbaar zo verslingerd zijn. Alles moet nu onmiddellijk beschikbaar zijn, en zoniet dan gaan we door het lint. Ik zeg neen. Laat mij maar een beetje uitkijken naar het moment waarop iets mogelijk is dat nu nog onmogelijk is, in plaats van telkens weer dat ‘nu meteen!’ding dat van ons slaven maakt.
Ja, als ik straks in de bib deze tekst op Facebook post en dan onmiddellijk weer naar huis ga, zal ik pas morgennamiddag zien hoe oneindig veel likes mijn tekst heeft geoogst. Ik zal er dus niet met mijn neus bovenop zitten, zoals dat vroeger wel het geval was. Die afstand werkt bevrijdend.
Nee, het was dus nooit de bedoeling om zonder internetverbinding te zitten in mijn nieuwe studio, maar als bij toeval is het zo gelopen en na een half jaar voel ik geen enkele noodzaak om opnieuw een elektricien op te trommelen. Tenzij ik op voorhand zou weten dat die niet zou komen, natuurlijk.

dinsdag 20 februari 2018

Gunzig

Thomas Gunzig. Dat is een naam. De naam van een man. De naam van een schrijver. Een Brusselse schrijver. Een Brusselse schrijver? Thomas wie? Thomas Gunzig dus.
Nooit van gehoord. Thomas Gunzig. Een Franstalige Brusselse schrijver. Een blijkbaar vrij bekende Belgische auteur. Ik dacht aan een Duitser. Maar een Duitser is hij dus niet. Thomas Gunzig is een Franstalige Brusselse schrijver. Thomas wie? Thomas qui?
Ik beluisterde het audioverhaal ‘Het reservaat’ (oorspronkelijk ‘La réserve’) dat Thomas Gunzig schreef voor de puike Citybooksreeks van het Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat deBuren. Voor Citybooks stuurt deBuren behalve Vlaamse en Nederlandse schrijvers ook auteurs van andere origine naar tal van gaststeden, alwaar de schrijver in kwestie een verhaal neerpent over zijn of haar avonturen in de desbetreffende stad. Arnon Grunberg wist mij bijzonder te vermaken met zijn verhaal ‘De aangifte’, geschreven te Lublin (Polen), en niemand anders dan Mauro Pawlowski bewees in diezelfde stad dat hij naast een meesterlijke zanger-gitarist ook een kei-kei goeie proza-auteur is. Sinds ik zijn verhaal ‘Na zdrowie, brave Belg’ beluisterde, snak ik werkelijk naar ‘s mans debuutroman. Hopelijk maakt hij er ooit werk van, want Pawlowski zou ook als schrijver potten breken. Echt waar. Wat een goed geschreven verhaal was dát. ‘Na zdrowie, brave Belg’. Beluister die handel.
Chroniqueur van het volgens hem verdwijnende land België Pascal Verbeken ging voor zijn Citybooksverhaal kamperen in een carwash te Charleroi en ook Thomas Gunzig verbleef in dat unheimliche hellegat om er te doen wat deBuren van hem had gevraagd. Geboeid als ik ben door alles dat met Charleroi en de regio daarrond te maken heeft, downloadde ik in de bibliotheek Gunzigs citybook. Thuisgekomen des avonds wikkelde ik me in een dekentje tegen de kou, zette ik me in mijn fauteuil naast de chauffage, startte ik mijn laptop op, klikte ik het juiste bestand aan en drukte ik op enter.
‘Het reservaat’ werd voorgelezen door een man met een aangenaam stemgeluid, maar ook als het stemgeluid van de voorlezer afgrijselijk zou hebben geklonken, zou ik zijn blijven luisteren. Die Gunzig kon een stukje schrijven, mijn gedacht. Los van de inhoud van zijn verhaal kwam hij met zinnen op de proppen die de taferelen die hij beschreef zeer mooi wisten te visualiseren en dat is toch een kunst die niet elke schrijver beheerst. Bovendien was zijn verhaal met goede, want droge, humor doorspekt. Ik nam me alvast voor om in de bib een boek van deze Gunzig te ontlenen. Wie was die Duitser van wie ik nog nooit had gehoord? Het internut zou het mij morgen vertellen.
Nu ben ik in de bibliotheek en Google heeft mij zonet verteld dat Thomas Gunzig dus een Belg is. Een Franstalige Brusselaar meer bepaald. De zoekcomputer van de bibliotheek heeft mij op zijn beurt verteld dat de bibliotheek enkel onvertaald werk van Thomas Gunzig bezit. Dat is teleurstellend. En ook wel verrassend. Op de achterflap van zijn roman ‘Manuel de survie à l’usage des incapables’ staat immers dat Gunzig vertaald is in ‘le monde entier’. In le monde entier, maar niet in 't Vloms? Dat zou weer typisch zijn.
Zou het mij lukken om 'Manuel de survie' in het Frans te lezen? De vraag dringt zich op. Even naar de eerste zinnen kijken. “Wolf regardait l’eau sombre chargée de morceaux de glace. Il ne pensait à rien d’autre qu’au vent froid qui lui attaquait le visage. Il n’avait pas vraiment mal et ce n’était pas bon signe: ça voulait dire que les parties supérieure de son épiderme etaient gelées, ça voulait dire que c’était comme des brûlures et que la douleur ne viendrait que plus tard, ce soir, quand il serait en train de s’endormir, et que tout ce qu’il pourrait faire, ça serait mendier des aspirines au Norvégien qui dormait sur la couchette d’à coté.”
Ik denk dat het mij zal lukken om dit boek in het Frans te lezen. Er is hier sprake van een man die zich bezeerd heeft en zich zorgen maakt over pijn die hij nu nog niet voelt. Ik denk dat ik dit boek een kans ga geven. Daarom niet nu, maar later dit jaar. En jij zou ‘Het reservaat’ eens een kans moeten geven. En ‘Na zdrowie, brave Belg’. Zéker ook 'Na zdrowie, brave Belg'.

maandag 19 februari 2018

Wat ik schrijf..

Wat ik schrijf is het waard om gelezen te worden. Ik herhaal: wat ik schrijf is het waard om gelezen te worden. Ik moet er nog wat aan wennen, maar binnenkort ga ik (zij het onrechtstreeks) bepaalde mensen lastig vallen met een selectie van teksten die ik in de afgelopen jaren geschreven heb. Enkele mensen uit mijn entourage beginnen mij alsmaar schever te bekijken omwille van het feit dat ik mijn schrijfsels slechts deel met de spreekwoordelijke twee man en een paardenkop. Ze zeggen steeds vaker dingen als: ‘ze zijn écht goed’, ‘je moet daar iets mee dóén’ en ‘het moet nú gebeuren’, en ze doen wilde voorspellingen als zou ik er spijt van krijgen als ik ‘het’ nooit zal hebben geprobeerd. Dat het vijftigers zijn die dat zeggen, mag natuurlijk niet verbazen. Wie in de vijftig is, zit altijd wel met iets waar hij spijt van heeft. Maar ik geef toe, ook ik begin zo stilaan te denken dat áls er iets moet gebeuren (waar ik nog niet zo zeker van ben), dat het dan beter nú gebeurt. Want allez ja, zeg nu zelf, Alexander, wat hebt ge eigenlijk te verliezen? Een nee hebt ge, een ja... Niet dat ik zelf iemand in ‘het wereldje’ ken die ik kan benaderen, maar iemand uit mijn entourage (het klinkt zo cool om te zeggen dat ik een entourage heb) kent misschien wel iemand die iemand kent die iemand kent. Ofzo. En als die uiteindelijke iemand niks in mijn selectie teksten ziet, dan weze het zo. Of nee, dan weze het niet zo. Dan onderneem ik gerechtelijke stappen.
Nee, c-rieus, ik denk dat wat ik schrijf er mag zijn. Het kost me weliswaar moeite om die gedachte niet lachwekkend te vinden, maar als ik mag geloven wat sommige mensen mij vertellen dan heb ik inmiddels begrepen dat de ene mijn teksten goed geschreven vindt en dat de ander ze amusant vindt. Een hardcorefan vertelde mij onlangs een beetje gegeneerd dat ze op Facebook speciaal naar mijn profielpagina surft om na te gaan of ik nog iets heb gepost. Een andere fan van het eerste uur zei dat hij nauwelijks nog naar Facebook omkijkt maar wel nog mijn activiteiten blijft opvolgen. Dat is natuurlijk prettig om te horen, zeker ook als je niet naar dergelijke complimenten hebt zitten hengelen. Nog iemand anders vindt mijn teksten trouwens deprimerend (“maar wel goed geschreven, hoor.”). Het was fijn om op Facebook met haar bevriend te zijn, maar nu ik haar gedefriend heb voel ik me weer op mijn gemak.
Ik heb een minderwaardigheidscomplex en zal eerder nooit dan zelden toegeven dat ik ergens goed in ben. Ik heb het bijvoorbeeld nooit in mijn kop gehaald om deel te nemen aan een schrijfwedstrijd, net zomin als ik het ooit in mijn kop zou halen om iets op te sturen naar een literair magazine. Want wie ben ik, Alexandertje, om een wildvreemde met mijn gezwets te gaan ambeteren? Maar tezelfdertijd zie ik natuurlijk ook hoe leeftijdsgenoten zonder noemenswaardige talenten zich op tv interessant maken en erger ik me daaraan kapot omdat ik gewoon niet begrijp dat iemand dat toelaat. “Allez, Joy-Anna.." mompel ik dan. "Dat gij dat durft. Ge zijt de middelmatigheid zelve en toch vindt gij uzelf blijkbaar interessant genoeg om zendtijd in te pikken op de nationale televisie en uzelf te promoten als de Vlaamse it-girl? Schaamt gij u niet? In uw plaats zou ik office management studeren, een job als secretaresse zoeken en één keer per week naar het theater gaan om daar naar mensen te kijken die wél kunnen acteren. Maar soit. Blijkbaar is er een publiek voor mensen zoals gij. Wat op zich natuurlijk al triestig is.”
Dus, wat is nu het plan? Ik maak een selectie van tien stukken, plak die in een Wordbestand, stuur die door naar die persoon in mijn entourage met connecties en wacht dan af wat er gebeurt.
Wat ik zelf hoop dat er gebeurt? Werkelijk geen idee. Voor mij is het vooral belangrijk dat schrijven fun blijft. Daarom, en daarom alleen, doe ik het tenslotte. Ik vind het gewoon enorm fijn om op een ongedwongen manier een A4-tje te vullen en het te hebben over precies datgene dat mij op dat moment inspireert. Weze het een verhaaltje over mijn overmatige pornoconsumptie (ik kijk vooral naar de categorieën ‘amateur’ en 'BDSM') of een meninkje over een of ander Maatschappelijk Fenomeen. Schrijven, jongens en meisjes (en iedereen die zich door geen van die categorieën aangesproken voelt), is gewoon het liefste dat ik doe.
(Als jij ook iets graag doet, mag je hieronder reageren.)

vrijdag 16 februari 2018

Bruxelles, ma belle

Mijn Poolse vriend Michal is niet het type dat een blad voor de mond neemt. Zijn oordeel kan keihard zijn, maar hij weet altijd waarover hij spreekt.
“Ik heb voor mijn werk al heel Europa doorkruist”, zei hij toen we afgelopen vrijdag op de trein van Leuven naar Gent zaten om er het Lichtfestival te bezoeken, “maar ik ben in al die tijd nog geen stad tegengekomen waarover ik mij meer zorgen maak dan Brussel.”
We waren net het Brussels Hoofdstedelijk Gewest binnengereden en keken naar de groezelige straten van Schaarbeek, achter het Noordstation. Veel verval. Veel leegstand. Veel betekenisloze graffiti op de muren. Woorden met vulgaire betekenissen, geschreven door mensen die blijkbaar niet kunnen spellen. Michal vond het niet om aan te zien. En ik evenmin, om eerlijk te zijn.
“Wie zijn de mensen die daarin willen of moeten leven, vraag ik me vaak af, als ik al die lelijke huizen bekijk”, stak Michal van wal. “Dat kan toch niet erg opbeurend zijn. Waarom blijven ze daar wonen? Waarom ondernemen ze er niets tegen? Als ik bepaalde wijken van deze stad bekijk, rijst bij mij het vermoeden dat de Brusselaars het met z’n allen hebben opgegeven. Of het zou moeten zijn dat ze geen respect hebben voor hun eigen woonomgeving. Zo verloederd zijn sommige wijken. Verkeert Brussel soms in crisis? De politieke situatie in dit land moet je mij niet opnieuw uitleggen, daar begrijp ik toch niks van, maar wordt de hoofdstad überhaupt door iemand bestuurd? I mean, dude.. Moet je die vuiligheid zien.” Michal maakte een weids gebaar richting de hoerenbuurt en de omgeving van het Liedtsplein, straten die inderdaad geen erg gezellige aanblik bieden. In een berm langs de spoorweg zagen we rommel liggen die rechtstreeks uit een bruine vuilniszak leek te komen. Voedselverpakkingen, lege blikjes, plastieken flessen, en ga zo maar door. “Symptomatisch voor deze stad, krijg ik steeds meer de indruk”, zei Michal. “Seriously, wie maakt hier de dienst uit? Waar blijft het protest hiertegen? Waarom vinden de Brusselaars het oké om in dergelijke smerige buurten te wonen?”
Ik heb Michal begin vorig jaar leren kennen via een Facebookgroep voor mensen die een taalbuddy zoeken in de regio rond Brussel. Hij was op zoek naar iemand die hem wat Nederlands kon bijbrengen, de belangrijkste zinnetjes, zeg maar, en hij bood van zijn kant aan om een eventuele buddy wat Pools te leren. Persoonlijk was ik er niet speciaal op uit om mijn kennis van het Pools bij te schaven (behalve ‘dzjen dobre’ kan ik nog steeds geen woord zeggen in die taal, waarin er woorden bestaan met niet minder dan vijf opeenvolgende medeklinkers; denk maar aan de roemruchte rodebietensoep, barszcz), maar het leek me wel interessant om een Pool te leren kennen die voor zijn job als junior consultant management innovator bij een multinational het hele continent afreist. Michal, 34 jaar, had zich sinds kort in Brussel gevestigd (vooral omwille van de centrale ligging in Europa) en was er zich perfect van bewust dat hij helemaal geen kennis van het Nederlands zou nodig hebben om er te kunnen overleven. Hij wilde alleen maar wat Nederlands leren uit curiositeit, zei hij. In Polen had hij op school veel Duits gehad en aangezien Nederlands daar wat op gelijkt.. Intussen heeft hij zijn poging om wat Nederlands te leren al lang opgegeven. Geen tijd voor, zegt hij, maar in feite is hij gewoon te lui. Als we elkaar nu ontmoeten, spreken we uitsluitend Engels.
Michal woont intussen bijna een jaar in Brussel, vlakbij het Flageyplein, en in die tijd heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om de stad te verkennen. Bepaalde stadsdelen geeft hij het voordeel van de twijfel, de vijvers van Elsene vindt hij mooi, maar over het algemeen is hij heel hard voor Brussel. Brussel is, volgens hem, een en al vergane glorie. Vrijdag in de trein ging hij daar weer maar eens op door.
“It’s a shame, you know. Brussel staat vol prachtige panden, maar kijk toch eens naar wat daar tegenwoordig mee wordt gedaan. Overal in Brussel zie je bijvoorbeeld diezelfde, inspiratieloze Lyca Mobilewinkeltjes, uitgebaat door onvriendelijke Arabieren zonder commerciële skills whatsoever. Come on, wie bedenkt zoiets? In een stad als Brussel, de hoofdstad van Europa? Slechte reclame, if you ask me. Het geeft zo’n ontzettend luie en goedkope aanblik. Of neem de voetpaden in deze stad. Die liggen er nu eens nooit proper bij. Alsof niemand er een fuck om geeft. Er zijn wijken in Brussel waar er in elke straat wel ergens een meubel op de stoep staat. En niet voor een uurtje, nee, het duurt hier soms drie fucking dagen voor zo’n meubel wordt weggehaald.”
Michal groeide op in Lublin, een universiteitsstad in het oosten van Polen, niet zo ver van de grens met Oekraïne. Lublin telt ruim 350.000 inwoners, waarvan er nog een heel deel in het soort lelijke, grijze blokken woont waarvoor het communistische systeem onder andere bekend stond. Mistroostige, uniforme woontorens, steeds een eind buiten het stadscentrum gelegen, ver genoeg alleszins van de schitterende binnenstad, die met haar statige, veelkleurige panden en haar pittoreske pleinen dag en nacht van de weinig oogverblindende buitenwijken verschilt. Michal is zelf in zo’n buitenwijk opgegroeid en is heel gevoelig voor stadsontwikkeling en alles wat daarmee te maken heeft. Als jongen vernam hij nauwelijks iets over Europa, maar de steden waren er prachtig, ongezellige woontorens bestonden er niet en iedereen was er gelukkig. Dat wist hij wél. Lelijkheid en verloedering, nee, dat kwam in landen als Frankrijk, België of (West-)Duitsland niet voor.
Intussen weet hij natuurlijk beter. Lang niet alles, láng niet alles, aan het westen is rozengeur en maneschijn. Maar wat hij in Brussel ziet, zo zegt hij, kan er bij hem echt niet in. “Misschien bestaat er een mentaliteitsverschil tussen Polen en Belgen”, ging hij door. “Je moet weten, wij Polen zijn een heel trots volk. Wij houden van ons land en zijn fier op onze steden die bekend staan om hun mooie pleinen. In het westen wordt heel erg op ons communistische verleden en op onze corrupte politici gefocust en jullie gooien graag alles op één hoop, alsof Polen en bij uitbreiding de voormalige Sovjet-Unie uitsluitend uit lelijke woonblokken bestaat. Maar dat klopt dus voor geen meter. And I’ll tell you this, anders dan wat ik in Brussel zie, hielden wij in Lublin de straten in de omgeving van onze blokken wél schoon. Wij hadden een fierheid die ik bij de Brusselaars zo op het eerste zicht niet terugvindt. En dat begrijp ik niet. Waarom komen de inwoners van een gemeente als Schaarbeek niet in opstand tegen die verloedering? Waarom eisen ze niet het recht op om in nette straten te wonen waar er niet om de drie meter een lege snoepverpakking op de grond ligt? Waarom nemen de mensen hier genoegen met glorie in verval? Why? Mijn gok? ‘Cause they don’t give a shit. Ze geven niks om deze stad, omdat ze voelen dat jullie politici niets om Brussel geven. Geen wonder toch dat jongeren hier gefrustreerd raken?”
Michal was op dreef en eens hij op dreef is, laat hij zich nauwelijks nog onderbreken, zo ken ik hem intussen. Ik moet wel toegeven dat ik het in grote lijnen met hem eens was. Brussel is inderdaad geen erg mooie stad. Maar wat ik persoonlijk nog erger vind, is dat je in Brussel nauwelijks nog een plaats vindt waar je zuivere lucht kan inademen. Het vele verkeer heeft ervoor gezorgd dat de stad bijna overal naar uitlaatgas stinkt. Als er één plaats is waar we in de nabije toekomst aan de mondmaskertjes gaan..
Maar als buitenstaander die de Belgische context amper kent, kan Michal wel vrij onbevooroordeeld zijn mening geven, zonder meteen partij te kiezen voor ofwel de vele Belgen uit ‘de provincie’ die uit Brussel wegblijven omdat ze er niet op hun gemak zijn, ofwel voor de hoogopgeleide, veelal links georiënteerde bobo’s in de dop die, vooral via de sociale media, nooit genoeg kunnen benadrukken hoeveel ze wel niet van Brussel houden, al zijn ze dan met z’n allen wel gewoon opgegroeid in de geborgenheid van een veilig Vlaams dorp om daar ook bijna allemaal op latere leeftijd naar terug te keren.
Op die categorie Brusselaars heeft Michal het bepaald niet begrepen. “Er zijn er blijkbaar heel wat van jullie, Belgen, die precies de vergane glorie van Brussel charmant blijken te vinden. De charme van Brussel noemen jullie dat toch, de manier waarop bijna niks aan deze stad ooit echt in orde is? Ridiculous. Tell me, wat is er zo charmant aan een metrostation dat dag na dag naar urine stinkt? Wat is er zo fijn aan een groepje jongeren dat ostentatief zijn sigarettenpeuken op het trottoir gooit omdat het lak heeft aan elke vorm van burgerzin? En, by the way, waarom wordt er nooit eens aan mensen uit de allochtone gemeenschap in Brussel gevraagd of zij Brussel ook zo charmant en mooi vinden? De meeste allochtonen in deze stad denken helemaal niet in dergelijke Sint-Kathelijne- of Dansaert-termen, you know, en ze zitten al helemaal niet in Facebookgroepen als ‘I Love Brussels’. You wanna know why? ‘Cause they don’t give a fuck, dude. Ze willen gewoon een toekomst en die kan deze stad, of de voor deze stad verantwoordelijke politici, hen blijkbaar niet bieden. And the Dansaert people, come on, daar spuwen die jongeren op. Dat zijn toeristen, die koffiedrinkers. Dat zijn geen Brusselaars.”
Michal was zodanig in zijn betoog opgegaan dat we intussen Brussel-Noord, Brussel-Centraal én Brussel-Zuid waren gepasseerd. Pas ter hoogte van Groot-Bijgaarden kwam hij enigszins tot bedaren. “Wauw, zie je dat? Het is hier proper, man. Waar zijn we? Groot-Bijgaarden? Don’t know the place, maar je ziet, hier is het wél in orde. Kijk door het raam. Geen vuilnis in de berm, geen hopeloze verloedering. Mij hoor je niet zeggen dat de straten in Brussel er allemaal net zo moeten bijliggen als hier, maar een beetje meer in deze richting evolueren, zou niet verkeerd zijn, right? Het zou de sfeer in de stad wel ten goede komen. Een mens kan maar goed in zijn vel zitten als zijn woonomgeving er ook een beetje goed uitziet.”
We kwamen aan in Gent en bewandelden de route van het Lichtfestival. Het was een erg koude maar gezellige avond. Toen we weer terug in het Gent-Sint-Pietersstation arriveerden, dronken we in de Starbucks nog een White Chocolat Coffee (of wat de naam van het ding ook mag zijn; het is alleszins iets met witte chocolade). Superlekker was die, echt een aanrader. Ik had er gerust nog een tweede kunnen achteroverslaan, ware het niet dat Starbucks zo waanzinnig duur is en ik niet veel zin had om nog eens zes euro voor of all things een kop koffie neer te tellen. Maar als je dus zelf nog eens in het station van Gent bent, passeer er dan zeker langs de Starbucks. White Chocolat Coffee, echt zwaar de moeite. En geef Brussel gerust eens een kans. Michal overdreef misschien een klein beetje. Hoewel toch niet heel veel.

woensdag 14 februari 2018

Ongezond veel porno

Ik wist wel dat hij heel veel - zeg maar gerust: ongezond veel - naar porno kijkt, maar toch was ik ronduit verbijsterd toen bleek dat hij veel meer wist dan ik over April O’neil, nochtans mijn eigen favoriete actrice uit de ‘adult industry’. Hij scheen echt al het videomateriaal bekeken te hebben dat er van haar online staat en kende feilloos haar ‘statistieken’ uit zijn hoofd, statistieken die ik zelf maar oppervlakkig bestudeerd heb, ooit. Enthousiast vroeg hij mij wat ik van actrice x en actrice y vond (beide namen zegden mij niks); twee actrices die, zo luidde zijn oordeel, een beetje met April O’neil te vergelijken zijn omdat ze ook klein en heel erg ‘vocal’ zijn tijdens hun ‘performances’. (Omdat ik actrice x en actrice y niet ken (denk ik), kan ik over hen niks zeggen, maar het klopt dat April O’neil erg ‘vocal’ is. Iets té vocal zelfs, althans wat mij betreft. Opdat de buren niks zouden merken, moet ik het geluid van mijn laptop altijd heel stilletjes zetten wanneer April ‘bezig’ is, maar daar blijft het wel bij, wat mijn kritiek betreft. Van alle krolse zaadsliksters blijft April voor mij de geilste die je op Pornhub in actie kan zien.)
Ik moest mijn vriend bekennen dat ik behalve April O’neil (en Sasha Grey, natuurlijk) geen enkele pornoactrice bij naam ken. De ‘categorie’ waar ik immers het merendeel van de tijd naar kijk, is ‘amateur’ en amateurs hebben geen naam noch spelen ze mee in, in Californië gedraaide, groots opgezette pornoproducties. Amateurs doen het meestal thuis, in hun smoezelige Russische of Tsjechische slaapkamer, met een waardeloze low quality-camera. Maar dat laatste is ook wel net de charme ervan. Ze wíllen wel, die amateurs, ze willen echt dat het goed is, maar ze hebben de middelen niet. De stunteligheid van hun onderneming maakt het allemaal wat aandoenlijk. En ik denk dat het precies die aandoenlijkheid is (die herkenbaarheid in zekere zin) waar zoveel mensen geil van worden. Mocht je het zelf proberen, het zou wellicht ook zo uitdraaien - dat besef. En dat besef gaat natuurlijk samen met het besef dat je zelf daadwerkelijk zo’n amateur kan zijn, mocht je dat willen. En dát, ja, vooral dát, is natuurlijk een opwindende gedachte.
Terug naar mijn vriend en zijn encyclopedische kennis van alles dat van ver of van dichtbij met de adult industry te maken heeft. Het nadeel van zoveel porno kijken, zegt hij, is dat je zelf gaat stressen om buitengewoon te presteren in bed. Omdat je alle lichamelijke mogelijkheden tot in den treure hebt bestudeerd en alle standjes vanbuiten kent, wil je, als je dan zelf seks hebt, graag gaan ‘where no man has ever gone before’. En waar begin je dan? Je zoekt het best niet te ver, aldus mijn vriend. En hij kan het weten, want sinds hij geen vaste vriendin meer heeft, zoekt hij vooral via Tinder contact met vrouwen en wanneer zo’n date op seks uitdraait, mocht hij al vaststellen dat zijn date hem gedegouteerd de deur wees omdat hij met een standje op de proppen kwam waar zij absoluut geen oren naar had (in de meeste gevallen omdat ze het standje in kwestie niet kende, aldus mijn kameraad). Maar intussen zit mijn vriend wel met een klein probleempje, want onlangs ondervond hij dat een zoveelste Tinderdate (voorlopig zijn laatste) uitsluitend met hem had willen afspreken om ‘te zien of het wáár was’. Bleek dat het 'nieuws’ de ronde had gedaan in de ‘vrouwelijke Tindercommunity’ en dat iedereen in de wijde omtrek op de hoogte is van zijn vreemde voorstellen en ‘vieze voorkeuren’.
Ja, dat is nogal gênant...
Ik heb in een oprechte poging om hem te helpen geopperd dat hij eens met een psycholoog zou kunnen gaan praten. Misschien heeft zijn overmatige pornoconsumptie ervoor gezorgd dat hij niet meer weet wat wél en wat níét acceptabel is als je via Tinder een fuckdate aangaat.
[Hier aanbeland wilde ik nog één afsluitende zin schrijven, maar ik botste geheel onvoorzien op de ijzeren wil van de zelfcensuur. Geen laatste zin dus. x]

maandag 12 februari 2018

Afspreken met prostituees

Sinds hij weet dat ik soms met prostituees afspreek, wil hij niks meer met mij te maken hebben. Een hypocriete houding, als je het mij vraagt, want zelf loopt hij zo geil als een otter, is hij totaal wanhopig over zijn kansen op de relatiemarkt en ik verdenk hem er van dat hij stiekem jaloers is dat ik hem voor ben geweest, met naar de hoeren te gaan. Ik zou hem willen zeggen dat hij niet flauw moet doen en dat hij gewoon moet aanvaarden dat ook hij zal moeten betalen als hij vandaag of morgen zin heeft in seks. Dat hij zich daar bij neer moet leggen, dat het zelfs niet erg is. Sommige mannen (laat ik voor de mannen spreken) komen (in deze tijd) nu eenmaal niet meer aan een relatie. Het is te moeilijk. Vooral te vernederend. Maar eens je dat hebt aanvaard, valt er een last van je schouders. Datingsites, daar maandelijks geld voor betalen, persoonlijke berichten versturen die steevast onbeantwoord blijven, het is pijnlijk, erg pijnlijk. Je fret er je kas van op, het sloopt je. Al die vrouwen met hun identieke interesses en ‘passies’ - waarom daar op inzetten als je al afknapt op het concept? Met hun blauwe of hun bruine ogen. Hoe ze allemaal heel graag op reis gaan en hoe geen van hen al weet of ze kinderen wil. Met hun meter zestig en hun ‘volslanke’ lijf. De dutskes die je er op basis van hun profielfoto zo uitfiltert. De lekkere wijven bij wie je van je leven geen kans maakt. Al de rest, zo saai, zo middelmatig en zo alleen. Dat zou niet mogen zijn, nee, maar het hoeft ook niet te verbazen dat het wél zo is. De liefdesindustrie is er een geworden van optellen en - haha - aftrekken. Het is er een van turven. Hoeveel gemeenschappelijke interesses heb ik met die vrouw en hoeveel breekpunten zijn er? Bruine ogen? Valt af. Ik verkies blauwe. Volslank? Skipperdeskip. West-Vlaams? Next.
Niks voor mij, die onlinedatingbusiness. De liefde, misschien ooit, wie weet. Maar ik zou er geen eed op doen. Met seks is het echter helemaal anders. Net als bij datingsites betaal je ervoor, maar je weet tenminste zeker dat je iets terugkrijgt voor je geld. Akkoord, het is misschien niet die manier van contact waar je echt naar op zoek bent, maar de spanning die door je lijf giert als je naar haar studiootje rijdt, die maakt het op zich al de moeite. Dat ze vervolgens niet meer dan het minimum doet, daar ben je op voorbereid, dat geeft niet echt. Het is het feit dat het kán, seks hebben, dat geruststellend is. En ja, dan betaal je er maar voor.
Het zou jammer zijn mocht het onderwerp taboe blijven. Het zou al helemaal zonde zijn als mensen om die reden niet meer met je zouden willen praten. Maar oh, kijk nu! Nu sms’t hij me net om te zeggen dat het hem spijt en dat hij het zelf heeft geprobeerd. Dat ik gelijk had toen ik zei dat het oké is. Dat hij er geen gewoonte van gaat maken, maar dat hij blij is dat hij weet dat het kán. ‘Goed zo’, antwoord ik. 'En doe er vooral je voordeel mee.'