donderdag 27 december 2018

Homo Deus

 ‘Sapiens’ is uit en dus ben ik maar meteen ‘Homo Deus’ gaan kopen. Yuval Noah Harari slaat spijkers met koppen en ontmaskert religie op overtuigende wijze als een verzinsel van de mens. Wij zijn neven van de chimpansees, zegt Harari. Zo simpel is dat. Hoogstens stellen religies - of het nu gaat om het christendom, het nationalisme, het kapitalisme,.. - grote groepen mensen in staat om aan hetzelfde zeel te trekken. Zonder zijn vermogen tot het bedenken van verzinsels zou de mens zich niet onderscheiden van andere dieren. Mochten mensen niet tot fantasie in staat zijn dan zouden ze elkaar op nog veel frequentere basis de kop inslaan.

Ik heb geweldig veel zin om nu aan ‘Homo deus’ te beginnen omdat de laatste hoofdstukken uit ‘Sapiens’ mij bijzonder hebben gefascineerd. Er wordt de lezer in die laatste hoofdstukken een beeld gepresenteerd van de huidige mens, de mens aan het begin van de eenentwintigste eeuw, en van hoe die mens lijkt te denen dat hij wel het logische sluitstuk moet zijn binnen de grote evolutie van de soort.

Harari haalt dat beeld onderuit en stelt dat wij als homo sapiens maar een schakel zijn in een proces dat nog lang niet afgelopen hoeft te zijn. Wij, homo sapiens, met al onze kleine en grote zorgen, met al onze ziektes en politieke twisten, wij hoeven helemaal niet het eindpunt van de menselijke evolutie te zijn. We zijn trouwens al volop aan het bewijzen dat we maar een tussenschakel zijn, een nieuwe mensensoort is al op komst.

De homo sapiens is veel te gebrekkig, zowel lichamelijk als geestelijk, om een eindpunt te kunnen zijn. Wij ervaren nog veel te veel kwesties als ‘problemen’, kwesties die voor toekomstige mensen helemaal niet problematisch hoeven te zijn. Hoezo kapitalisme, hoezo christendom? Wat een gedoe! De mens van de toekomst rekent naar alle waarschijnlijkheid af met die fabeltjes.

(In dat opzicht is het trouwens lollig dat Barack “God bless you” Obama lovend is over dit boek.)

Ik zal ook uit ‘Sapiens’ onthouden dat mensenrechten niet bestaan.

Natuurlijk hoefde ik ‘Sapiens’ niet te lezen om dat te beseffen (want op welke basis zou de mens zichzelf rechten mogen toekennen?), maar toch weer eens handig om het geschreven te zien staan in een Zeer Interessant Boek.

Ik begin de indruk te krijgen dat dit boek (nu al) mijn kijk op de mensheid veranderd heeft.

Te weten dat wij, homo sapiens, slechts een tussenschakel zijn binnen de evolutie, het voelt haast aan als een bevrijding.

Oh, en ook nog dit. Ons streven naar geluk is ridicuul. Middeleeuwse boeren waren niet noodzakelijk ongelukkiger dan wij, zegt Harari. Ze waren er alleszins niet door geobsedeerd (wat natuurlijk ook helpt).

Het is biologisch (of biochemisch) bepaald in welke mate iemand gelukkig kan zijn en aan ieders geluk zijn grenzen. Harari spreekt van mensen wier geluk tussen 10/10 en 6/10 schommelt, met 8/10 als gemiddelde. Evengoed zijn er mensen wier geluk fluctueert tussen een maximum van 8/10 en een minimum van 3/10. Deze laatste groep kan onmogelijk een geluksstaat van 10/10 bereiken, hoezeer ze daar ook zijn best voor doet. Het kan gewoon niet.

En dat kan je jammer vinden, maar daar schiet je niks mee op. Kan je je lot toch niet aanvaarden? Verdiep je dan in het boeddhisme. Want het boeddhisme, ja, dát houdt steek - serieus.

*

Ondertussen in ‘Homo Deus’ begonnen. Wat een waanzinnig goed boek! Ik ga er mee slapen en sta er mee op.

Mogelijks later meer daarover.

dinsdag 25 december 2018

Opvoeder

 Ik heb mij vorige week serieus opgewonden tijdens een gesprek met iemand die ik heel goed ken. Deze twintiger met veel meer intellectuele bagage dan zijn gemiddelde leeftijdsgenoot volgt momenteel een opleiding tot opvoeder en in dat kader moet hij stage lopen bij een kinder- en jongerenwerking. Toen hij begin oktober aan die stage begon, was hij enthousiast. Hij vond het fijn om de leefwereld van de kinderen te leren kennen en beschouwde zijn engagement zelfs als een constructieve bijdrage aan de opbouw van de samenleving. Hij was er sterk van overtuigd, zei hij, dat een maatschappij alle nodige middelen moet inzetten om kinderen de kansen te geven die ze nodig hebben om zich te kunnen ontplooien, zodat ze later op hun beurt een constructieve bijdrage aan de maatschappij kunnen leveren.

Helaas, twee maanden later heeft het idealisme van deze twintiger plaatsgemaakt voor een soort doffe ontgoocheling en hij denkt er nu over na om met zijn stage te kappen. Anders dan hij had verwacht, worden de kinderen in deze jongerenwerking door hun begeleiders nauwelijks gestimuleerd om iets productiefs te ondernemen. Men knijpt een oogje toe voor baldadig gedrag en slaat een twaalfjarige zomaar een badmintonracket stuk, welja, ach, dan koopt men toch wel een nieuwe.
De anarchie heerst, zegt de twintiger. Jongeren komen overal mee weg en dat hebben ze zelf maar al te goed in de gaten. Ngenjarigen kopiëren dan ook zorgeloos het gedrag van wat oudere jongeren en zien er op hun beurt geen graten in om het kot op stelten te zetten wanneer zij dat willen. Intussen laten begeleiders betijen, of toch zo goed als.
Wat is hier aan de hand? Er stellen zich verschillende problemen.
- De jongerenwerking is onderbemand, er zijn chronisch onvoldoende begeleiders aanwezig om alles te kunnen overzien. De begeleiders zijn de eersten om dit te beamen, maar ja, “zo is het nu eenmaal, de middelen zijn er niet om meer opvoeders aan te werven”. Dat is natuurlijk niet de schuld van de kinderbegeleiders zelf, nee, dat is een probleem dat door bevoegde instanties moet worden aangepakt.
- De overheid maakt veel te weinig geld vrij om in degelijke kinderwerkingen te voorzien. Dit verzuim kan nare gevolgen hebben omdat slecht begeleide kinderen zich niet naar behoren kunnen ontwikkelen. Vaak zijn het kinderen uit een kansarm milieu die naar een kinderwerking komen. Deze kinderen, een hoog percentage van hen heeft een migratieachtergrond, krijgen meestal al niet erg veel ‘mee’ van thuis en de meesten onder hen hebben een taalachterstand, wat hun kansen voor de toekomst nog verkleint.
- De opleiding tot opvoeder is niet bijzonder ambitieus. De twintiger spreekt van klasgenoten die er de kantjes van aflopen en tijdens de les computerspelletjes spelen. Als intellectueel, als iemand met een uitgebreide feitenkennis, word je binnen deze omgeving beschouwd als een buitenbeentje, een curiosum. Dit is bij uitstek problematisch omdat het precies hoogopgeleiden zijn die het verschil kunnen maken in een kinderwerking. Het zijn universitairen die jongeren kunnen stimuleren en hen ideeën kunnen aanreiken die ze anders misschien nooit te horen zouden krijgen. Ik heb de twintiger uitdrukkelijk gezegd dat het enorm belangrijk is dat hij als opvoeder aan de slag gaat of het toch op z’n minst probeert. Elke kansarme jongere die hij kan prikkelen met nieuwe ideeën kan winst opleveren voor de maatschappij. Het is hij die van een kansarme jongere een kansrijke jongere kan maken. Maar dan moet onze twintiger natuurlijk wel het gevoel krijgen dat hij voor zijn inbreng wordt geapprecieerd.
- Jongerenwerkingen kennen een gigantisch verloop van stagiairs wat ervoor zorgt dat kinderen geen band kunnen opbouwen met begeleiders. Dit is een heel groot probleem, een probleem dat zich ook stelt in het onderwijs en in de pleegzorg. Dat lijkt me verder wel duidelijk.
En over dat alles heb ik me vorige week dus boos gemaakt.
Over de geëngageerde twintiger die ontmoedigd raakt als hij vaststelt dat de overheid onvoldoende investeert in het welzijn van kinderen (zij het in kinderopvang, school of pleegzorg - allemaal hyperbelangrijk voor de ontwikkeling van een kind).
Als we dit als maatschappij niet snel serieus gaan nemen - en ik maak mij daarover geen illusies - zullen we zeer binnenkort waarschijnlijk op de blaren moeten zitten. En we zullen er niet mee wegkomen om de jongeren met de vinger te wijzen.
Wie was trouwens weer die minister die de kinderarmoede ging halveren?
Die lijkt wel van de aardbol verdwenen.
Roen Hetzwoen en Hilde Van Wijnsberghe

donderdag 20 december 2018

Grof

 Iedereen weet dit, maar toch.

Om van hem af te geraken is het zaak om gewoon niets meer van je te laten horen.
Niet via sms, niet via Facebook en neem ook zeker nooit op als hij belt.
Je bent hem geen verklaring verschuldigd (als hij je vraagt waarom je niet meer antwoordt).
Deze regels pas je toe op zowel mannen die gevoelens voor jou hebben maar evengoed op mannen met wie je ‘gewoon bevriend’ bent (geweest).
Jij dumpt hen wanneer jij dat wil.
Net zoals jij weer contact met hen opneemt wanneer jij dat wil.
Want een man is als een hond. Je kan hem tien keer straal negeren maar de elfde keer zit hij nog steeds te kwispelen met zijn tong uit zijn bek.
Jij bent de baas.
*
Zelfs ik ben al enkele keren het ‘slachtoffer’ geweest van dit mechanisme.
Jazeker, #MeToo.
En het heeft mij gedegouteerd.
Maar verder geen klachten.
(En trouwens, ik wil niet alle vrouwen over één kam scheren. Er zijn uitzonderingen.)
(Ik begrijp ook perfect waarom vrouwen dit mechanisme toepassen. Als je de deur op slot doet, kan hij er zijn voet niet tussen steken, ‘met alle gevolgen vandien’. Het voordeel van de duidelijkheid. Maar het blijft natuurlijk grof om een man niet uit te leggen waarom je hem dumpt. Het blijft natuurlijk grof.)

zaterdag 8 december 2018

Het grote dictee

 Rare avond gisteren.

Ik nam deel aan ‘Het grote dictee heruitgevonden’, een initiatief van de bibliotheek van Mechelen dat nu in allerlei bibliotheken te lande navolging krijgt en zo ook dus in Bibliotheek Tweebronnen in Leuven. Het dictee bestond uit twee oefeningen: eerst was er een klassiek gedeelte waarin men zinnen foutloos moest proberen te schrijven en daarna was er een deel waarin men letters kon verzamelen door gedicteerde woorden foutloos te schrijven, en met deze letters, twintig in totaal (tenminste als je alle letters of het grootste deel ervan wist te verzamelen), was het mogelijk om een woord van twintig letters te vormen.
We waren daar met een man of vijftig, schat ik, en heel wat mensen - vooral vrouwen van tussen de 50 en 65, duh - waren met vriend(inn)en gekomen. Zelf was ik daar (uiteraard) in mijn eentje en ik had zelfs met niemand over dit evenement gepraat (ik had er geen aanleiding toe gezien en had ook niet het gevoel gehad dat ik dit zo nodig wilde ‘delen’). Er waren ambitieloze toeristen, zoals ikzelf, onder de deelnemers, maar evengoed zaten er strevers tussen die weten dat het ‘johnlennonbrilletje’ is en niet ‘John Lennonbrilletje’.
Lang verhaal heel kort: ik was daar de winnaar van dat spel.
‘t Is te zeggen: ik won het onderdeel om het langste woord te vormen. Tot mijn grote verbazing sloeg ik er als enige deelnemer in om ‘bibliotheekbezoekers’ te leggen. Er bleken nog verschillende mensen te zijn die de twintig letters hadden weten te verzamelen, maar geen van hen had alle twintig letters op hun juiste plaats gezet. Hoe was dat in godsnaam mogelijk? Het lag zo voor de hand. Drie b’s... En we waren ín een bibliotheek.
Als winnaar van dit onderdeel (voor het andere onderdeel zat ik niet in de top vijf) werd ik op het podium geroepen en ik kreeg behalve drie kussen van Phara de Aguirre (die de avond in goede banen leidde) ook een boekenpakket* cadeau.
Vanuit de zaal weerklonk een beleefd applaus. Niemand kende mij, dus kon er ook niet gejoeld worden, ofzo. Phara de Aguirre vroeg mij naar mijn job. Ik antwoordde dat ik werkloos ben, om er (voor het gênant zou worden) snel aan toe te voegen dat ik van opleiding journalist ben. “Een journalist die goed kan schrijven, die kunnen we wel gebruiken”, sprak Phara de Aguirre in de microfoon.
Ik haastte me het podium af en hier en daar feliciteerde iemand me met mijn blijkbaar opmerkelijke prestatie. De avond was voorbij en mensen begonnen met hun gezelschap na te kaarten over de moeilijkheidsgraad van het dictee (relatief gemakkelijk, waren de meesten het erover eens). Omdat ik daar alleen was, kon ik in principe maar beter meteen naar huis gaan, maar ik merkte dat ik me daar toch niet helemaal goed bij zou voelen. Ik had net een onderdeel van dit spel gewonnen, op het podium gestaan, applaus en een boekenpakket in ontvangst mogen nemen - ik wilde nu toch, al was het maar heel even, met iemand hier over spreken. Het was allemaal zo totaal onverwachts gebeurd. Ik stond bij wijze van spreken nog wat na te trillen op mijn benen (ik word zéér nerveus als ik voor een groep mensen moet spreken, zelfs al zijn het maar drie zinnen).
Gelukkig was de uitbater van het bibliotheekcafé aanwezig om de mensen van drankjes te voorzien. Omdat ik die man een beetje ken, kon ik nog wat met hem kletsen alvorens naar huis terug te gaan met mijn boeken. Phara de Aguirre kwam mij vragen waar ik had gewerkt als journalist en waarom ik nu werkloos ben. Ik sprak over een ‘hobbelig parcours’ en dat ik in 2012 op de VRT had gewerkt in het kader van een project rond de gemeenteraadsverkiezingen. “Er komen binnenkort weer verkiezingen aan”, lachte Phara de Aguirre veelbetekend, waarna ze vertrok.
Het was echter al op het podium dat ik de ‘ernst van de situatie’ had ingezien. Daar stond ik op een verhoog en redelijk eenzaam als beste van een vijftigtal deelnemers. Ik had dat twintigletterwoord onmiddellijk gevonden. Onmiddellijk. Omdat ik me weleens met het vormen van anagrammen vermaak misschien, maar toch. Niemand anders had dat woord gevonden en mij had het zo eenvoudig geleken. Wat wilde dat nu zeggen over mij? Dat ik een 'goed taalgevoel' heb? Ik vrees van wel. En al op het podium had ik beseft dat het toch triestig is dat ik daar niet echt iets mee doe in mijn dagelijks leven (een professioneel leven heb ik überhaupt niet).
Maar ik zette die gedachte van me af toen ik op de bus naar huis stapte en als ik dit nu opschrijf dan doe ik dat in alle rust. Welja, ik houd wel wat zogenaamde ‘mixed feelings’ aan deze avond over, maar het plezierige haalt het toch makkelijk van het treurige. Niettemin stemt het gisterenavond gebeurde tot nadenken.
* Het boekenpakket, dat heel mooi was ingepakt, bevat ‘Trouweloos’ van Karen Slaughter en ‘Ter voorbereiding op het volgende leven’ van Atticus Lish.

woensdag 5 december 2018

Je telefoneert me niet meer

 Je telefoneert me niet meer

Je telefoneert me niet meer
Was het dan laatst de laatste keer dat je de moeite nam om me te zeggen dat ik zo interessant ben
Dat ik je amuseer en een plezante man ben
Dat ik een gast met een verhaal en met een hoop talent ben
Vond je dan niet écht dat ik de mooiste woorden ken en originele ideeën weet te ontlokken aan mijn pen
Dat ik een goeie minnaar zou zijn die niet zomaar naar de juiste plaatsen gaat
Die niet op de hoogte wenst te zijn van andermans interessant doenerige doen en laten
Die galant de precieze maten van jouw outfits kent en minder in stemhokjes dan in pashokjes denkt
Die niet zwenkt in zijn oordeel daar waar jij bijna zijn spiegelbeeld bent
Alsof ik een trein ben, zo zei je, die je bereid zou zijn te nemen, naar waar hij ook rijdt
Dat ik, welaan dan, iemand ben op wie ik zelf verliefd zou kunnen worden, grapte je
Als ik niet was wie ik was, een ander smaakvol iemand was, die uit mijn lichaam kon ontsnappen
Dat ik dan bijvoorbeeld als ik mij zou zien een beetje zoals jij zou kunnen zijn
Want jij en niemand anders zegt precies te weten wie ik ben en jouw oordeel, ja, dat houdt me bezig
Maar toch, waarom daarover het nadeel en niet het voordeel vrezen
Wie is die gast, zou ik dan kunnen denken, die tast zonder te vinden, die kwast die niet kan verven
Die door de straten zwerft, niet in staat is om te werken, niet in staat om op te merken
Dat zijn wezenloze blik de wereld rond hem heen verbrijzelt
Alsnog een onwijze blok is aan jouw been
En jou daarom niet durft te bellen om eerlijk te vertellen dat hij net zo veel houdt van jou
Wanneer jij me telefoneert en mij bezweert dat je gelukkig bent
Met mij, een vent - zo noem je mij - die jou begeert, bijna vereert of dat althans beweert
Maar nu bel je niet meer en schrijf ik dit gedicht want ik wil zo veel meer van jouw aandacht op mij gericht

zaterdag 10 november 2018

Tijd voor mezelf

Ik krijg nu tijd voor mezelf
Eindelijk
Ik krijg nu tijd voor mezelf
Onvermijdelijk

Ik was oneindig vele jaren bang om door de mand te vallen
Flexibel maar verlamd van angst om kansen te verknallen
Alleen maar als ik terugdenk aan hoe moeilijk dat wel was
Ik was een profiteur van politieke caritas
Van zevenhonderd euro om mijn mondje dicht te houden
Een som die je verplicht om in te trekken bij je ouders
Vernederend om in mijn stad geen kot te kunnen huren
Tenzij misschien een krot met kakkerlakken op de muren
En dat je voor je coach maar een profiel bent in een map
Is voor je psychisch welzijn misschien wel de zwaarste klap

Klap
Je zet dan toch die stap
Een keuze die een mens kan maken maar die jij snapt
Tot iemand je een inzicht aanreikt dat je nog niet kende
Een nieuwe koffer dropt met nog een ander soort ellende
En hoe je daar mee omgaat is natuurlijk jouw beslissing
Maar wat ik deed op dat moment leek mij toen geen vergissing
En dat ik niet gewacht heb op wat zou kunnen gebeuren
Dat opent nu plots zomaar alle mogelijke deuren

Want ik krijg tijd voor mezelf
Uiteindelijk
Ik krijg nu tijd voor mezelf
Onvermijdelijk

En heel geleidelijk
Raak ik daar nu aan gewend
Een situatie die ik eigenlijk nooit eerder heb gekend
Ik praat over mijn schaamte met een neuropsycholoog
Dat vind ik niet gemakkelijk en soms houd ik het niet droog
Maar het moet wel gebeuren om de draad weer op te pikken
Nu is het echt hoog tijd om al mijn leugens te doorprikken
Dus als ik jou eens tegenkom en jij vraagt hoe het gaat
Ik sta nu op de ziekenkas en ben daarbij gebaat

vrijdag 9 november 2018

Control-S

Ik sloeg mijn lange gedichtje niet op
Kop op man je kan toch opnieuw beginnen
Bezin je en zwoeg kom ermee voor de pinnen
Maar balen niet lichtjes ik zat er boenk op

Een loempe stomkop doet zoiets zelfs beter
Gereed met zijn teksten hij heeft ze gesaved
Herleest ze is zeker hij zit in een zetel
Vermetel gebeten hij keek ze nog na

Dus roept hij hoera want hij was wel zo clever
Om never zijn teksten te laten verrekken
Verrukt en niet krukkig klinkt zijn hallelujah
En mij grijnst hij toe amehoela dat suckt

Nu kan ik hier kniezen kop tussen mijn knieën
Verliezen verdorie doe ik ook bij wiezen
Zo miezert het treiterig door mijn memorie
Jandorie jandorie jandorie

Schiet ik niks mee op
In alles een kans
Het is geen avance
Kan zelfs in het Frans
Mais oui pourquoi pas
Un flirt avec toi
Et à ton minou
Je dirais coucou

De boeken gaan toe
Mijn gedicht is gaan lopen
Te hopen valt nu dat dit klotebestand
Zich openstelt voor mijn kloek timmerend handje
Met mijn control S-je leer ik het een lesje

donderdag 8 november 2018

Begrijp mij

Begrijp mij
Want ik begrijp mij niet
Hoewel ik wel wil en welwillend expliciet
Aan jou vraag hoe jij mijn dagen ziet
Of de maan voor mij schijnt of het dondert
Of het wonder de zon mij bevrijdt
Hoe ik loens tussen tinder en dons
Wat ik woens voor mezelf op de derde dag van de week
Een versperde gewestweg, een kabbelend beekje
Een babbelend cakeje misschien wel
Weet ik veel
Ik ben een leek
En ook al lijkt mijn toestand rechtopstaand oké
Ik lig hier k.o. in een staat die stevig mijn eigen verstand te boven gaat

woensdag 1 augustus 2018

Online mensen recenseren

De nieuwe ‘mensenrecensies’ van Google zijn wel cool en innovatief, maar toch vooral ook heel confronterend (en - uiteraard - weer een stapje verder richting het einde van de privacy). Als je plots een foto van jezelf op Google Reviews ziet staan met daarnaast allerlei, in een aantal sterren uitgedrukte, beoordelingen van vrienden, dan hou je immers toch best even je hart vast.
Voor wie nog van niks weet: Google heeft een nieuwe functie, Google Reviews, waar elke Googlegebruiker automatisch een profiel krijgt en waar mensen die met hem of haar via sociale media verbonden zijn hem of haar over verschillende categorieën kunnen beoordelen, uitgedrukt in een aantal sterren en eventueel met wat uitleg erbij. (Wat het sterrensysteem betreft: één ster = vermijd deze persoon ten allen tijde; twee sterren = niet echt interessant gezelschap; drie sterren = aangenaam gezelschap; vier sterren = goeie vrienden; vijf sterren = super de max fantastisch love you x!)
Google Reviews is een soort Tripadvisor maar dan voor mensen in plaats van bestemmingen. Een Humanadvisor, zo zou je het ook kunnen noemen. Als mens word je door je eigen vrienden publiek beoordeeld. Nooit eerder kon men op deze schaal publiekelijk geschreven zien staan wat vriend x zoal op vriend y aan te merken heeft.
Inmiddels hebben (nog maar) zes Facebookvrienden mij beoordeeld op Google Reviews en mijn gemiddelde score is 3 op 5 (drie sterren dus). Eén iemand heeft mij één ster gegeven, iemand anders vond mij twee sterren waard, nog een andere vriend gaf mij drie sterren en er zijn ook drie vrienden die mij vier sterren gegeven hebben (waarvoor dank). Dat alles zorgt samen voor een gemiddelde score van 3 op 5, wat in vergelijking met héél veel andere mensen op Google Reviews een eerder lage score is. De meeste mensen (ongeveer 85%) zitten met hun score rond of zelfs boven de 4 of 5, omdat hun vrienden hen (wellicht) zonder al te lang na te denken de maximumscore geven. Dat is hun goed recht natuurlijk, maar niet zo leerrijk, want met bijschriften als “ge zijt mn bff 4-ever” en dat soort nietszeggendheden, kom ik niet te weten wát er precies zo leuk is aan die persoon en heb ik er dus ook geen idee van of ik die persoon zelf beter wil leren kennen. Met mijn gemiddelde van drie sterren op vijf word ik (voorlopig?) natuurlijk totaal met rust gelaten door mensen die ik niet ken, maar van mensen die met een gemiddelde van rond de 4,5 zitten hoor ik dat ze voortdurend aanvragen krijgen van mensedie hen graag beter willen leren kennen omdat er in een commentaar bijvoorbeeld staat dat hij of zij een echt feestbeest is of dat hij of zij super veel over dinosaurussen weet, ofzo.
De commentaren die ik tot nu toe zelf heb gekregen, heb ik nog niet allemaal even goed verteerd. Daar moet ik eerlijk in zijn. De ‘vriend’ die mij met één ster heeft bedacht schrijft dat ik in gezelschap - en ik citeer - “de sfeer bedruk[t] door soms minutenlang niks te zeggen en een gezicht te trekken alsof hij liever naar huis zou gaan dan nog wat langer te blijven bij ons, oninteressante lapzwansen”. Hij noemt mij ook ‘onvoorspelbaar’ (en dat is duidelijk bedoeld als een verwijt). Door mij maar één ster te geven windt hij er geen doekjes om en ik respecteer hem vooor zijn eerlijkheid, maar naar de buitenwereld communiceert hij op deze manier dat ik, Axel Craenendort, totaal niet de moeite waard ben om beter te leren kennen (ah ja: één ster = te mijden). Beetje streng toch, vind ik. (Ik zou mezelf een 3 op 5 geven.)
In de andere minder positieve recensies over mij wordt ook nog opgemerkt dat ik pessimistisch, cynisch en veel te veel op mezelf gefocust ben, en de een ligt daar blijkbaar al meer van wakker dan de ander. Bij de viersterrenrecensies kun je over mij wel lezen dat ik goed kan kussen en dancen [sic], dat ik een redelijk goede algemene kennis heb en dat ik vooral veel van voetbal weet. Ik weet niet of ik over dat laatste zo content ben, want ik zit niet per se op toenaderingspogingen van mij onbekende voetbalfans te wachten, maar het is des te fijner om over mezelf te lezen dat ik goed kan kussen en dansen (het gekke is dat ik nooit gekust of gedanst heb met de vriendin die dat geschreven heeft - zij zal het van horen zeggen hebben, neem ik aan).
Facebook schijnt inmiddels trouwens hetzelfde van plan te zijn en zou ook met een sterrensysteem gaan werken om mensen te beoordelen. Het zou er precies zo uitzien zoals het er uitziet op de Facebookpagina van horecazaken e.a. Elke Facebookgebruiker zou op zijn profielpagina in de linkerkolom een ‘recensievak’ krijgen dat enkel maar de instelling ‘openbaar’ kan hebben (dit in tegenstelling tot bijna al je andere Facebookgegevens die je zo kan instellen dat enkel je Facebookvrienden ze kunnen zien). Werkgeversorganisaties zouden bij Facebook hebben aangedrongen op het openbaar houden/maken van de recensiesectie om zo toekomstig personeel te kunnen recruteren.
En zo zijn we bij de ‘mensenrecensies’ aanbeland. Uiteindelijk de logische opvolger van de afgezaagde like-knop. Bedrijven als Google en Facebook moeten met nieuwe dingen blijven komen, want als techbedrijven zijn ze ondertussen beiden bejaard tot hoogbejaard. De dino’s van de 21ste eeuw.
Als je mij nog niet gerecenseerd hebt op Google, voel je dan vrij daar verandering in te brengen. Ik heb zelf nog niemand gerecenseerd, ik moet nog wennen aan het idee dat ik mijn vrienden in de volledige openbaarheid een in sterren uitgedrukte score moet geven op hun persoonlijkheid. Maar ach, het zal wel weer wennen, zoals we ook aan al die andere ingrijpende privacyschendingen gewend geraakt zijn.

dinsdag 31 juli 2018

Lijden

Hoewel hij daaronder lijdt, is er weinig zo aantrekkelijk voor een mens als het koesteren van een negatief wereld- en mensbeeld. Voorspellen dat alles naar de kloten kost hem geen inspanning (want kijk alleen al maar eens naar hoe wij (niet) reageren op de nochtans extreem zorgwekkende klimaatverandering), maar behalve eenvoudig is het ook nogal gratuit om te beweren dat ‘het’ misgaat. Want niet alles gaat mis.
Niet alles, maar wel vanalles. Althans, dat zegt de nogal dominante pessimist in mij. En de nogal dominante pessimist in mij haalt elke dag minstens tien keer triomfantelijk zijn weinig opbeurende gelijk, hij hoeft maar naar het radionieuws te luisteren om zijn negatieve wereld- of mensbeeld veelvuldig bevestigd te zien. ‘Zie je wel’, wordt de pessimist in zijn negatieve mensbeeld bevestigd wanneer meneer x en meneer y elkaar in hun lompheid voor de zoveelste keer het leven zuur maken (en aldoende, als hen dat toevallig zo uitkomt, duizenden, miljoenen andere mensen in de ellende storten). Denk aan hoe Israël en Palestina hun situatie niet willen oplossen (terwijl dat mits wat ‘politieke moed’ toch echt zou moeten lukken (want óóit moet het er toch eens van komen, of niet?)) of denk aan hoe de gemiddelde Europeaan een vluchteling liever laat creperen dan hem te helpen (dat is de vreselijke waarheid - ja, echt waar! - die wij - nog erger! - al lang niet meer vreselijk vinden). Denk ook maar aan een fenomeen zoals Not In My Backyard (NIMBY): een mens zal, zo zegt toch de pessimist, tot het uiterste gaan om zijn persoonlijk belang boven het maatschappelijke belang te stellen. Dat laatste is nu eenmaal een dagelijks in het nieuws terugkerend fenomeen dat zich voordoet in oneindig veel varianten. Jammer genoeg zijn het met name ook politici die een patent lijken te hebben - of gewoon: hebben - op het eigen belang eerst-fenomeen. Zo weet de cynicus. Het kan echt heel eenvoudig worden aangetoond dat politici wereldwijd veel vaker hun eigen belangen verdedigen dan die van de mensen door wie zij (in een aantal gevallen) zijn verkozen. (In dat opzicht heb ik trouwens oprechte bewondering voor rechtschapen politici (en die bestaan - we moeten hen beschermen zoals we de bijen en de witte neushoorn moeten beschermen).)
Hoe dan ook, al lijdt hij er dan zelf onder, er is weinig zo gemakkelijk voor een mens als het koesteren van een negatief wereld- en mensbeeld. Het is wel belangrijk om hierbij op te merken dat de mens waarvan sprake wel degelijk lijdt, dat hij wel degelijk gebukt gaat onder al datgene dat hij om zich heen ziet gebeuren, al datgene dat hij ziet ‘misgaan’. Deze lijdende mens weet, al dan niet, dat zijn lijden op geen enkele manier constructief is, dat het zijn leven uitsluitend compliceert, maar helaas ondervindt hij de grootste moeilijkheden om zijn leed van zich af te schudden. Als hij dat al probeert, tenminste. Want in feite - en hij kan daar hevig van schrikken - moet hij in sommige gevallen vaststellen dat hij eigenlijk, als hij heel eerlijk is, zelfs niet bereid is om zijn lijden op te geven. De lijdende mens is in vele gevallen immers verslaafd aan die vele kleine momentjes waarop hij zijn grote gelijk haalt en waarop hij kan zeggen “zie je wel, ik had het voorspeld, het loopt slecht af”. Als deze lijdende mens heel eerlijk is, zal hij moeten toegeven dat hij zijn leed zelfs niet zou kunnen missen, dat hij zijn leed niet - nooit! - zou willen inruilen voor een onnozel ‘joie de vivre’ dat hem banaal of zelfs volslagen idioot lijkt (want kijk toch eens even met een nuchtere blik naar de staat van de wereld, alstublieft! Trump! Francken! Zuckerberg! Need I say more?).
Zelf koester ik mijn leed ook. Zonder mijn leed zou ik waarschijnlijk niet kunnen schrijven, ik zou waarschijnlijk niet kunnen creëren, niet kunnen scheppen; ik zou geen smoel, geen identiteit, geen eigenheid hebben. Zonder mijn leed zou ik oninteressanter zijn dan ik nu ben. Gesteld dat ik hield van het leven dan zou ik er ook aan deelnemen (en zelfs nu verlang ik daar soms naar), dan zou ik niet spotten met YOLO en FOMO en dan zou ik de blogger die ik nu ben een schouderklopje geven, zo van “stil maar, Alexandertje, hou het nog wat vol, jongen, met wat geluk duurt jouw leventje, waar je zo weinig van houdt, nog slechts een jaar of vijftig, bijt nog even op je tandjes”.
En ook nog dit over leed: volgens mij wil de lijdende mens zijn leed (of hij zich daar nu bewust van is of niet) in zijn omgeving weerspiegeld zien. Of het is omgekeerd: hij wil het liefst zo weinig mogelijk ‘gelukkige’ mensen zien. De gelukkige mens vormt voor de lijdende mens namelijk een rechtstreekse bedreiging. Het wereldbeeld van de lijdende mens wordt niet bevestigd door de gelukkige mens, want deze lijkt immers zonder veel boe of bah aan te geven dat het ‘ook anders kan’, dat het wereld- en mensbeeld van de lijdende mens slechts één mogelijk wereld- en mensbeeld is en dat er daarnaast andere wereld- en mensbeelden kunnen bestaan die even legitiem zijn - en precies dát, de idee van een alternatief wereld- en mensbeeld dat even legitiem is als het zijne, kan vreselijke ergernis opwekken bij de lijdende mens. Want daarmee weet de lijdende mens zich geen raad, daar loopt hij de muren van op en raakt hij mateloos door gefrustreerd. Hoe kan zo’n ‘gelukkige’ persoon nu in alle ernst een dergelijk positief wereldbeeld hebben of zelfs propageren? Is hij dom, naïef of maakt hij zichzelf iets wijs? Probeert hij mij, de verfoeilijke zwartkijker, op de zenuwen te werken of mij belachelijk te maken? Denkt hij bij zichzelf (of wéét hij) dat ik er niks van begrijp? Begrijp ik er misschien inderdaad niks van? Lijd ik omdat ik te dom ben om in te zien dat het leven een fantastische concept is en dat mensen de meest prachtige wezens zijn? Is de manier waarop wij met vluchtelingen omgaan misschien iets dat de negatieveling veel te veel dramatiseert? Is het leed dat voortkomt uit de confrontatie met de ‘gelukkige mens’ nog hetzelfde leed als het wereldleed waar ik me zo graag in wentel of is dit een ander leed, een échter leed? Is dit het leed van de strijd die ik als individu met een slap karakter oneervol verlies tegen de gelukkige mens? Ben ik een onmens omdat ik de gelukkige mens zijn geluk niet gun, omdat ik zijn enthousiasme en levensvreugde nauwelijks kan verdragen? Ga ik werkelijk een mens bestrijden die ‘gewoon’ tevreden, gelukkig, content is?
Oh, wat een confronterende gedachten heb ik plots. Ik kan er maar beter meteen over ophouden. Ik lijk wel Raskolnikow.

zondag 29 juli 2018

Dostojevski vertaald naar het nu


Raskolnikow ging naar het huis op de gracht, waar Sonja woonde. Het was een huis van drie verdiepingen, oud en groenig van kleur.
“Wie daar?” vroeg een vrouwenstem ongerust.
“Ik ben het... ik kom u opzoeken,” antwoordde Raskolnikow en kwam een piepklein portaal binnen.
“U! Here!” riep Sonja zacht en zij bleef als vastgenageld staan.

(...)

“Zou het toch geen goede zaak zijn mocht men het plaatsen van selfies op sociale media betalend maken?” sprak Raskolnikow spottend
“Ach nee, nee, nee!” En met een onbewust gebaar greep Sonja zijn beide armen vast, als het ware smekend dat het niet zou gebeuren.
“Het lijkt me toch maar fair als tenminste Instagram betalend wordt” tergde Raskolnikow het arme meisje verder.
“Nee, niet beter, niet beter, helemaal niet beter!” herhaalde zij verschrikt en redeloos.
En als Snapchat nu eens betalend zou worden?” hernam Raskolnikow.
“Ach, wat zegt u toch! Dat kan toch niet gebeuren!” en diepe angst en schrik tekenden zich op Sonja’s gezicht af.
“Waarom zou dat niet kunnen gebeuren?” vervolgde Raskolnikow met grimmige spot, “u bent toch niet een van de decision makers bij Snapchat of Instagram, wel? Hoezo zouden zij hun app niet betalend kunnen maken wanneer zou blijken dat zij daar profijt uit kunnen halen? De stichters van deze bedrijven laten zich niet leiden door filantropische overwegingen, zij denken uitsluitend aan winstmaximalisatie en als het hen zo uitkomt om hun gebruikers te laten betalen voor hun diensten, dan zullen zij hun product betalend maken.”
“Och, nee!... Dat zal God niet toelaten!” gilde een lijkbleek geworden Sonja. Zij stond te luisteren met smekende ogen, Raskolnikow verschrikt aankijkend en de handen gevouwen, alsof elke beslissing omtrent sociale media van hem afhing.
Raskolnikow stond op en begon door de kamer te ijsberen. Dat duurde zo een minuut. Sonja stond erbij met neerhangende armen en gebogen hoofd, ten prooi aan de diepste ellende.
“Zou u Instagram willen opgeven als, in ruil daarvoor, Snapchat gratis bleef?” sprak Raskolnikow met iets van sluwheid in zijn stem.
“Nee. Nee. Dat wil ik niet, nee!” schreeuwde Sonja luid en wanhopig, alsof ze opeens met een mes gestoken werd. “God... God zal mij behoeden voor een dergelijk, verschrikkelijk dilemma!”
“Heb je er al eens bij stilgestaan dat je vriendinnen misschien wel hun neus ophalen voor jouw selfies?” fluisterde Raskolnikow en hij wierp Sonja een zeer donkere blik toe waaruit walging sprak.
“Nee, nee! God zal hun oordeel bijstellen, God!...” herhaalde Sonja bevend over haar hele lichaam.
“Misschien is er niemand die werkelijk belang hecht aan jouw aanwezigheid op sociale media,” antwoordde Raskolnikow zelfs met enig leedvermaak. Hij begon te lachen en keek Sonja recht in het gezicht aan.
Het was angstwekkend zoals Sonja’s gezicht plotseling veranderde: het werd door kramp vertrokken. Onzegbaar verwijtend keek ze Raskolnikow aan, wilde iets zeggen, maar kon geen woord uitbrengen, ze begon alleen bitter te huilen en bedekte haar gezicht met haar handen.
Vijf minuten gingen voorbij. Raskolnikow liep maar steeds heen en weer, zwijgend en zonder Sonja aan te kijken. Eindelijk kwam hij op haar toe, zijn ogen schitterden. Hij pakte haar met beide handen bij de schouders en keek haar recht in haar behuilde gezicht. Plotseling boog hij zich snel met zijn hele lichaam voorover, liet zich voor haar neervallen en kuste haar voeten.
Geschrokken deinsde Sonja van hem terug, alsof hij gek was
“Wat, wat doet u nu?” stamelde zij verblekend.
Raskolnikow stond direct op.
“Ik heb niet voor jou gebogen, maar voor het hele lijden van de mensheid,” zei hij op haast onnatuurlijke toon en hij liep naar het venster.

vrijdag 27 juli 2018

Misdaad en straf

‘Misdaad en straf’ is tijdloos. Dat wil zeggen: het verhaal is universeel en het herhaalt zich ook 150 jaar nadat het geschreven is nog elke dag in allerlei varianten in alle uithoeken van de wereld.
De jongeman die quasi in een verloren positie thuis (in dit geval een studentenamer) het spoor bijster raakt en begint te redeneren dat hij niks meer te verliezen heeft, Rodion Romanytsj Raskolnikow is er zo een, maar hij zal niet de eerste zijn geweest en hij is ook niet de laatste gebleken.
Raskolnikow komt uit ‘de provincie’ en zijn arme, oude moedertje (het menske zal hooguit een jaar of 50 zijn) heeft al haar hoop op hem gevestigd. Raskolnikow, haar eerstgeborene, zal carrière maken in Petersburg en hij zal er voor zorgen dat zijn moedertje en zijn jongere zus, Doenja, Doenjetsjka, een voorspoedige toekomst tegemoet kunnen zien.
Maar weet zijn moedertje veel dat ‘voormalig student’ Raskolnikow, ‘haar Rodja’, volledig de pedalen kwijt is, zoals hij daar tot grote ongerustheid van de conciërge dag in dag uit in zijn kruipkot ligt te stinken. Het is alom bekend dat een mens thuis wat ruimte nodig heeft om zich goed te kunnen voelen en wie heel klein woont moet op z’n minst elke dag even naar buiten gaan (je merkt dat tegenwoordig met de vluchtelingen die veel op straat rondhangen). Raskolnikow, helaas, woont, blijkbaar uit noodzaak, in een kamer ter grootte van een kast (al kan er toch nog opvallend veel volk binnen, zo blijkt wanneer de geweldige Razoemichin, de dokter Zosimow én zijn toekomstige zwager Pjotr Petrovitsj Loezjin gezamelijk bij hem op bezoek komen). En het gaat niet goed met Raskolnikow precies omdat hij zijn kamer niet meer verlaat en nog nauwelijks met iemand contact heeft. Doelloos dwaalt hij door de straten van Petersburg en vaak kan hij zich na thuiskomst van een wandeling zelfs niet herinneren waar hij zoal heeft rondgehangen, zo ver zijn zijn gedachten dan afgedwaald. Hij heeft zijn studie stopgezet, al dan niet omdat hij er niet meer voor kon betalen. Zijn cursussen liggen stof te vergaren op zijn werktafel.
Op basis van de gegeven feiten kan nauwelijks worden vastgesteld welk soort karakter Raskolnikow had vooraleer hij naar de grote stad verhuisde (bij aanvang van het verhaal heeft hij zijn moeder en zus al drieënhalf jaar niet gezien - zij corresponderen per brief met elkaar en stellen elk van hun kant de zaken beter voor dan ze zijn). Nu, alleszins, wisselt de voormalige student heel makkelijk van gemoedstoestand, weze het dat hij nooit zonder meer gelukkig is. Hoogstens heeft hij af en toe een ‘wat betere dag’, als was het een plotse aanval van koorts. Maar meestal is Raskolnikow apathisch, hopeloos en soms heeft hij zelfs ronduit ‘boosaardige’ gedachten (waar hij dan meestal zelf van schrikt). Als cynisch wordt Raskolnikow nooit omschreven, maar op zijn manier is hij het wel. Hij is zijn geloof in een goede afloop kwijt en hij zal uiteindelijk niet te beroerd blijken om ‘alleen te handelen’, al gaat er dan wel een heel proces van angst en twijfel aan zijn uiteindelijke handeling vooraf. Raskolnikow lijkt dus daadwerkelijk niks meer te verliezen te hebben en psychisch labiel als hij is, wordt hij stilaan onberekenbaar, inderdaad boosaardig en uiteindelijk zelfs gevaarlijk. Hij of zij die hem op dit punt nog in de weg loopt, in dit geval de gierige en inhalige ‘beleenster’ Aljona Iwanowna, rijdt maat beter niet te vaak meer tegen zijn kar.
In een vlaag van zinsverbijstering (of is hij wel degelijk volledig bij zijn verstand?) gaat Raskolnikow tot actie over. Het valt op dat Dostojewski zijn hoofdpersonage nadrukkelijk ‘helpt’ om zijn plan ten uitvoer te brengen. Geheel toevallig kan Raskolnikow een cruciaal gesprek afluisteren; zomaar pardoes loopt Raskolnikow tegen een bijl aan (die hij absoluut nodig heeft om zijn plan ten uitvoer te brengen); alsof het zo gepland was kan Raskolnikow zich na zijn misdaad in een kamertje onder de ‘plaats van delict’ verschuilen en hij heeft ook nog eens het geluk dat er niemand op de binnenplaats is wanneer hij het pand verlaat. Dostojewski weet het weliswaar bijzonder spannend te houden - de scène vlak na de misdaad is zo goed - maar hij gunt Raskolnikow wel bijzonder veel meeval. Wanneer Raskolnikow in de dagen daarop ook gesprekken tussen Razoemichin en Zosimow kan afluisteren en zo te weten komt wie er (niet) wordt verdacht, hoeft hij zelfs geen krant meer te lezen om op de hoogte te blijven.
‘Misdaad en straf’ zal voor nogal wat mensen herkenbare elementen bevatten. Persoonlijk kan ik mij enigszins vinden in Raskolnikows idee dat het weinig uitmaakt wat hij al dan niet doet. Ook Raskolnikows cynisme en de weerzin die hij voelt voor mensen die hem willen helpen, zijn niet zo moeilijk te begrijpen. Soms weet je nu eenmaal zeker dat je er helemaal alleen voor staat en dan zijn andermans ‘goede bedoelingen’ gewoon vreselijk ergerlijk (want ze voelen niet wat jij voelt).
Raskolnikows verhaal is er ook een van (kans)armen tegen (kans)rijken. Hij krijgt als student nauwelijks de kans om aan het leven deel te nemen, hij moet zien te overleven. Ook dat zal voor veel mensen herkenbaar zijn. Arme mensen overleven meer dan ze leven. Leven is iets voor de rijken en dat wordt ook vandaag nog vaak (of graag) vergeten. ‘Ze moeten hun leven maar eens in handen nemen, dan komen ze er wel, die kansarmen, die werklozen, die amokmakers.’ Wel, zo simpel is het dus niet. Als je moet overleven zit je voortdurend in de stress en kom je er nauwelijks aan toe om te ‘ontstressen’ en al dat soort dingen die de rijken (kunnen) doen. Een gestresseerde mens kan niet zomaar alles even omkeren. Je moet voor die mens een situatie creëren waarin hij niet langer zo gestresseerd hoeft te zijn. Ten tijde van Dostojewski deed men dat niet en vandaag doet men dat nog steeds niet. De situatie van Raskolnikow is voor mensen in armoede nog zeer actueel.
‘Misdaad en straf’, ik lees het nu voor de derde keer en ben er voor de derde keer helemaal weg van. En er zijn daarvoor nog zoveel redenen die ik hier niet eens aangehaald heb. Het vaak komische taalgebruik, de heerlijke dialogen, de manier waarop personages beschreven worden, de sfeer van het Rusland van de 19e eeuw. Ik begrijp wel dat mensen vandaag de dag niet gemakkelijk meer naar een boek van ruim 700 pagina’s zullen grijpen - alhoewel, ik begrijp dat eigenlijk helemaal niet (daarover heb ik het later nog wel eens) -, maar mocht je eens om god weet welke reden een Netflixserie willen skippen, gebruik dan die tijd om deze klassieker te lezen. Al was het maar omdat dit waarschijnlijk straffer is dan eender wat je op Netflix te zien zal krijgen. Want ik wil het trouwens nog weleens zien, of ze in 2170 nog over ‘Game of Thrones’ zullen praten. ‘Misdaad en straf’ dateert uit 1866 en 152 jaar na publicatie heeft het nog helemaal niks van zijn actualiteitswaarde verloren. Dit is universeel, dit is tijdloos en heel belangrijk. Dit is van het beste uit de Grote Bibliotheek. Doe uzelf een plezier en lees dit. Als ge dit jaar één ding wilt doen waarvoor ge uit uw comfortzone moet komen, wel, lees ‘Misdaad en straf’. Het taalgebruik is niet het meest toegankelijke, maar dat went al snel.
Dóén!

woensdag 25 juli 2018

Dit bericht is zo ingesteld dat jij het niet kan zien

Daar zit ze dan, ligt ze dan, staat ze dan, haar geluk uit te schreeuwen met die eeuwige baby in haar armen. Haar baby met een truitje van de Rode Duivels, haar baby met een schattig petje op; voor het gemak ga ik naar mijn instellingen en zorg ik ervoor dat ik haar berichten niet meer te zien krijg.
Wat een gedoe. En dat zijn dan de mensen die jarenlang op Facebook over hun privacy lopen te zeiken.
Tot op het moment dat die baby geboren wordt, natuurlijk. Dat arme ding. Want heeft die baby om een moeder gevraagd die zichzelf aan honderd per uur tegenspreekt?
Nu goed, wie zit er vandaag de dag nog op Facebook? Cool is Facebook nooit geweest, maar nu je opa je een vriendschapsverzoek stuurt, wordt het een ‘plaats’ waar je liever niet meer rondhangt.
Ik heb Facebook (helaas) nog nodig om mij te laten gelden(!) als blogger. En met bepaalde mensen zou al mijn contact wegvallen, mocht ik Facebook vaarwel zeggen. Ik vraag me af of ik dat erg zou vinden, als dat contact zou wegvallen. Met mensen die je één à twee keer per jaar ziet, voer je bijna uitsluitend gesprekken over wat je het afgelopen jaar hebt gedaan, en dan moet ik in juli 2018 vertellen hoe ik helemaal aan het begin van dit jaar (of in november vorig jaar, met wat pech) dit of dat meegemaakt heb. “Maar goed, dat is ondertussen allemaal al lang weer goed gekomen”, enzovoort.
Mijn dokter vroeg me laatst of ik me meer dan vroeger geïsoleerd voel. Ik zei van niet, en dat is niet gelogen.
Zelf stelde ik me gisteren de vraag of ik een goede vriend ben. Ik denk van niet, en dat meen ik.
Mijn interesse in jou is te vergelijken met het vrouwelijk orgasme: gefaket zonder dat je het merkt. Nee, da’s een grapje. Dat klinkt gewoon goed. Als ik met jou praat zal dat wel betekenen dat ik min of meer geïnteresseerd ben in wat jij te vertellen hebt. De overgrote meerderheid van alle vrouwelijk orgasmes blijft daarentegen onveranderlijk gefaket.
Het geveinsde orgasme als ‘normaal’. Om ‘hem’ te plezieren, om ‘hem’ te laten geloven dat hij ‘haar’ heeft laten ‘genieten’. Of zoiets. Elke zin in seks verdwijnt als sneeuw voor de zon als je daar als man één seconde bij stilstaat. Als man leg je tijdens de seks een soort praktijkexamen af. “Heb je voldoende gestudeerd om mij te laten klaarkomen?”, vraagt zij dan. “Je kent toch wel al mijn erogene zones, mag ik hopen?” (Tip: het zijn er zeven)
En blablabla.
Het is heel gek: zelf voel ik me best oké, maar als ik begin te schrijven, borrelen er de meest zure dingen in mij op en misschien wek ik daarom de indruk niet goed in mijn vel te zitten. En, weet je, misschien zit ik ook niet goed in mijn vel en zie ik dat zelf niet (meer). Daarom is het beter dat ik dit bericht voor jou onzichtbaar maak, zodat je je niet moet afvragen of die Alexander nog wel een beetje zin heeft om verder te leven. Ik zal het zo instellen dat dit bericht nog enkel zichtbaar is voor mensen die er de humor van inzien. En zo is Facebook toch weer een briljant medium, eigenlijk. Dat de instellingen het toelaten om je vrienden van bepaalde zaken uit te sluiten, bijvoorbeeld. Dat vind ik best wel cool. Beter zo, alleszins, dan dat ik weer tien mensen moet defrienden.