woensdag 22 november 2017

Vreselijke docent

“Alexander, kan ik je even spreken?”
“Zeker, mevrouw.”
“Ik wil je wat feedback geven over je houding tijdens de les. Ik zou je willen vragen om in de klas soms iets meer kritische zin te tonen. Je bent erg meegaand en lijkt over weinig dingen een eigen mening te hebben. Je formuleert zelden een originele gedachte en sluit je al te gemakkelijk aan bij de mening van een meer kritische klasgenoot. Ben je daar in het verleden nog op aangesproken geweest of krijg je deze feedback voor het eerst?”
“Nee, het is niet de eerste keer dat ik deze feedback krijg en ik doe ook wel mijn best om kritisch te zijn over sommige dingen, maar het lukt gewoon niet goed. Ik bén niet kritisch, denk ik.”
“En toch denken wij vanuit het lerarenkorps dat kritisch zijn iets is dat jij kan leren. Lees je soms een krant of volg je de actualiteit? Denk je dan na over wat je leest of hoort en vorm je je daar een mening over?”
“Niet echt, mevrouw. Ja, ik luister af en toe wel naar het nieuws, maar ik heb daar niet echt iets over te zeggen. Ik heb daar weinig gedachten bij.”
“Oké, het is goed dat je de actualiteit toch een beetje volgt. Ik zou je willen vragen om voortaan minstens één keer per week naar het nieuws te luisteren en er één bericht uit te pikken waarover je je een mening vormt. Voor de les begint kom je dat dan even met mij bespreken in de leraarskamer. Ik reken er op dat je toont dat je een mening hebt en probeer daarbij ook zo kritisch mogelijk te zijn. Het is belangrijk in onze opleiding dat je over sommige thema’s een standpunt kan innemen. Dat is niet voor iedereen even gemakkelijk, maar het is wel iets waar je je in kan oefenen.”
“Oké, mevrouw.”
“Dankuwel, Alexander. Tot volgende week.”
“Tot volgende week, mevrouw.”
“Mevrouw, ik ben er zeker van dat u als docent vertrekt vanuit de vraag of u uw eigen lessen leuk zou vinden, mocht u die lessen krijgen. Dat is, neem ik aan, het uitgangspunt voor elke leerkracht in het volwassenenonderwijs. Te vergelijken met een bakker die zijn eigen broden te vreten moet vinden voor hij ze begint te verkopen. Ik ben er ook zeker van dat u nadenkt over de manier waarop u met de studenten omgaat. Als u vraagt of ‘wij ook mogen meeluisteren’ wanneer een student iets tegen een andere student fluistert, dan neem ik aan dat u dat doet vanuit het idee dat u het als leerling fijn zou vinden om zo toegesproken te worden door uw docent. En aangezien we hier in het volwassenenonderwijs zitten, kan u zich waarschijnlijk wel voorstellen dat u hier les zou volgen, volwassenen onder elkaar als we zijn. Wel, indien dat zo was, indien u hier les volgde, zou u het waarschijnlijk ook fijn vinden mocht uw docent op uw vraag of u naar de wc mag antwoorden met: “binnen een kwartier is het pauze”.”
Enzovoort. Man, wat heb ik een vreselijke docent.

dinsdag 21 november 2017

Moeilijke jeugd

“Da’s echt een ziek merk”, zei hij terwijl hij naar mijn nieuwe jas van het merk Patagonia keek. Ik wist even niet zeker of dit goed dan wel slecht nieuws was. Goed, zo bleek, gelukkig. ‘Ziek’ is een synoniem voor ‘cool’, blijkbaar.
Cool.
We speelden een kennismakingsspel. We stonden in een kring en wie dat wilde kon een stap naar voor zetten en iets over zichzelf vertellen. Wie zich herkende in dat wat er gezegd werd, kon vervolgens mee in de kring gaan staan. “Ik ben heel verlegen”, biechtte ik op en ik zette een stap naar voor. Enkelen volgden mij.
“Ik heb een moeilijke jeugd gehad”, sprak een ander. Ik twijfelde. Nogal makkelijk als je het mij vraagt, zeggen dat je een moeilijke jeugd hebt gehad. Wat is dat trouwens? Wie bepaalt dat? Uiteindelijk zette ook ik een stap naar voor, al was het maar opdat de anderen zouden opmerken dat ook ik een ‘zware rugzak’ meedraag. En om mij interessant te maken, ook daarom ging ik in de kring staan. Lekker gratuit. Serieus, wat is dat, een moeilijke jeugd? Stoppen met school op zestien jaar? Twee keer van huis weglopen? Je pa die je slaat? Wat de jongen met de moeilijke jeugd (tot nu toe) heeft gelost doet vermoeden dat hij niet graag naar school ging. Het systeem was niet op zijn maat, dat soort verhaal. Maar dat hebben we natuurlijk nog gehoord. Welkom in de club, enzo. Ik had er zelf geen bijzondere moeilijkheden mee om een hele dag aan een lessenaar te zitten. Inspirerend was het natuurlijk niet, maar ik werd er ook niet knettergek van. Dat er anderen zijn die er wél gek van worden, begrijp ik. Maar om te zeggen dat je een moeilijke jeugd hebt gehad, is er volgens mij nog iets meer nodig. En waarschijnlijk zal dat ‘iets meer’ er bij hem ook wel zijn. Och, het interesseert me eigenlijk niet eens. Hebben we het niet allemaal al eens moeilijk?
De bus, oftewel dat vervoersmiddel waarop je zoveel hoogopgeleide mannen/vrouwen van ouder dan dertig ziet. De bus, oftewel dat vervoersmiddel waarop ik een in zichzelf gekeerde, binnensmonds mompelende, zichtbaar verwarde man van amper een jaar of 70 gadesloeg. Eerst zat ik naast hem, maar dat werd me al gauw te gortig. Zijn onverstaanbare geprevel ging namelijk samen met een soort walgelijk gesmak waar ik knettergek van werd. Ik verzette me van plaats, een eindje bij hem vandaan, maar wel op een plaats waar ik hem goed kon zien. Wie was die man met zijn bruine anorak, met afgedragen schoenen (eerder sloffen) in dezelfde kleur en een onbestemde blauwe broek? Wie was die man die zeker niet ouder dan 70 kon zijn maar die toch de indruk wekte de seniliteit op de hielen te zitten? Hoe was hij geworden wie hij nu is? Waar ging hij naartoe? Hij stond op, met enige moeite. Ging hij afstappen? Nee. Hij drukte niet op de bel. Maar hij bleef staan. Zou hij weten waar hij is, vroeg ik me af. Straks is hij zijn halte voorbij. Hij drukte op de bel en stapte af daar waar de ‘proffen van de KUL’ wonen, oftewel de villawijk in Heverlee op een steenworp van Leuven. De man leek gedesoriënteerd, hij keek naar links en hij keek naar rechts. Hij slofte ten slotte richting de villawijk. Triestig, dacht ik. Knal mij neer als het met mij ook zo afloopt.

vrijdag 17 november 2017

Dromen zeer serieus nemen

Weinig dat mij zo irriteert als mensen die in mijn plaats beslissen wat ik serieus moet nemen.
Weinig dat ik zo belachelijk vind als mensen die de meest onnozele dingen serieus nemen.
Weinig dat ik zo serieus neem als mijn eigen belangen verdedigen, desnoods ten koste van anderen.
Mijn devies is: maak het niet moeilijker dan het al is. En ‘het’ is uiteraard het leven.
Voor ik in de wereld geworpen werd, om eens een begrip van Martin Heidegger te gebruiken, had ik graag even een kijkje willen nemen. Onzichtbaar of vanachter een raam had ik dan vanuit alle perspectieven kunnen bestuderen hoe ik een goed leven kan leiden, wat het leven precies inhoudt en of het wel iets voor mij is. Dat zoiets niet kan, is een groot mankement binnen de Goddelijke Schepping of het Grote Toeval. Mensen zouden de kans moeten krijgen om zelf de afweging te maken. (Maar eens we dan geboren worden, nadat we ‘ja’ tegen het leven hebben gezegd, moet dat beslissingsmoment dat aan het leven vooraf gaat uit ons geheugen gewist zijn, anders zouden we onszelf en elkaar gedurende ons leven om de haverklap vragen waarom we voor het leven gekozen hebben, en daar zou ook weer veel miserie uit voortkomen.)
Ik heb vannacht gedroomd dat ik verliefd was op een meisje met wie ik ooit in de klas heb gezeten. Opvallend detail: zij had in deze droom volledig het uiterlijk van een mensaap. Ze was niet groot, had een platte kop en kon maar gebrekkig praten. Toch vond ik haar mooi, waren wij helemaal gek op elkaar en konden we niet van elkaar afblijven. We waren ook echt heel gelukkig samen. Maar zij was onmiskenbaar een mensaap. Dit was een vreemde maar ook een hele mooie, bijna ontroerende droom, waarvan ik helaas heel veel details vergeten ben.

zaterdag 11 november 2017

Vreesachtige mens

Ik ben een vreesachtige mens en nergens wordt dat zo duidelijk als in mijn dromen. In mijn dromen lijk ik situaties uit mijn dagelijks leven te herbeleven en lopen die situaties vaak slechter af dan ze in werkelijkheid afgelopen zijn. Gelukkig ben ik mij daar overdag maar weinig van bewust, maar ik leef wel degelijk in de vrees dat het op een dag in de niet zo verre toekomst eens helemaal fout zal lopen. Dat ik finaal door de mand zal vallen en ontmaskerd zal worden als een pathetische en lachwekkende loser. De ultieme keer dat ik als ‘heel raar’ of als ‘een autist ofzo’ bestempeld zal worden, waarna ik voor eens en voor altijd zal moeten toegeven dat ik gewoon niet mee kan met hen, de normale mensen (niet tussen enkele aanhalingstekens, voor één keer). Hoe, waar en wanneer mijn ontmaskering zal plaatsvinden weet ik niet, maar voor mij staat het buiten kijf dat ik - ik kan niet de héle tijd oplettend zijn - nog eens pijnlijk hard tegen een muur ga aanbotsen. En dat is jammer, want ik doe er echt bijna alles aan om dat te voorkomen. Ik ben daar actief mee bezig door vooral niet al te actief te zijn en door over dit soort gedachten te praten.
Vannacht had ik een nogal ongemakkelijke droom. Ik droomde dat ik Vincent Merckx contacteerde in verband met zijn roman ‘De man die niet schoot’. Ik zei of mailde hem dat ik zijn boek enkele weken geleden gelezen had en dat ik daar een stuk over had geschreven. Ik mailde hem dat stuk en zei dat hij maar moest zien wat hij ermee deed. Misschien vond hij het leuk dat iemand vrij uitgebreid aandacht aan zijn boek had besteed. Als ik het goed heb excuseerde ik me voor de mogelijkheid dat ik zijn boek misschien helemaal verkeerd begrepen heb. En precies dat is echt wel helemaal iets voor mij natuurlijk: op voorhand al mijn excuses aanbieden, zodat ik de klap kan opvangen wanneer hij mij laat weten dat ik zijn boek inderdaad helemaal verkeerd begrepen heb. Alsof ik voor zoiets bang zou moeten zijn. Alsof zoiets ertoe doet.
Ik ben een bang iemand. In bepaalde gezelschappen ben ik bijna voortdurend bezig ‘de schade te beperken’. De schade, oftewel: het ultieme gezichtsverlies. De gelegenheid waarbij er niets meer te herstellen valt en waarbij mijn jarenlange inspanningen om ‘normaal’ over te komen teniet worden gedaan. De gelegenheid waarna de moed noch de zin zal terugkeren.

vrijdag 10 november 2017

280 tekens

“Hé, sinds vandaag hebt ge op Twitter 280 lettertekens in plaats van 140.”
“Aaaah, ik dacht al, vanmorgen: ‘amai, da’s precies zo’n extreem lange tweet..’”
“Ja, maar da’s echt raar, want ge zijt daar nu aan gewend om zo’n tweet heel kort te houden en nu opeens is dat niet meer nodig. Echt een mindfuck.”
“Ja, sowieso. Bij mij heeft dat echt extreem lang geduurd voor ik iets gezegd kreeg in 140 tekens en nu opeens is dat niet meer nodig. Pff.”
“Zeg, effe iets anders, staan de Instagramberichten al klaar?”
“Ik ben ermee bezig.”
“En de Facebook?”
“Is al gebeurd.”
“Met Facebook wel altijd opletten dat ge wat tijd laat tussen twee posts. Anders verschijnt er maar één in het overzicht van onze followers.”
“Hoeveel tijd tussenlaten?”
“Toch zeker 40 minuten ofzo. Of een uur. Tenzij het echt belangrijk is.”
“En hoe doen we het nu met Twitter, nu die berichten dubbel zo lang mogen zijn?”
...
Enzovoort.
Enzomeer.
Enzoverder.
Ik ben een hele slechte communicatiemedewerker. Van gesprekken zoals deze krijg ik al maar gemakkelijker het vliegend schijt in het kwadraat.
Het Facebookbericht dat oh zo belangrijk is genereert acht likes (zeven duimpjes, één hartje) en het wordt door niemand gedeeld. Die ene belangwekkende tweet wordt geliket en geretweet door één collega. Verder gebeurt er nougatbollen.
Ik heb dit niet gewild. Sociale media zijn op de terugweg in mijn leven. Twitter gebruik ik al lang niet meer actief, een enkele keer ga ik even piepen wat er trending is, en ook Facebook kan mij steeds minder boeien. Sinds ik thuis geen internet heb, bezoek ik die site sowieso veel minder en als ik er eens op zit, ben ik vaak verbijsterd over het feit dat dat medium mij tot voor kort zo in beslag kon nemen. Meer in het algemeen ben ik eigenlijk niet zo heel dol meer op internet als dusdanig, merk ik. Ik vraag me steeds vaker af: waarom? Waarom is dit, internet, zo belangrijk? Voor mij? Voor de hele maatschappij? De antwoorden op die vragen zijn bekend, dus die ga ik hier niet opsommen, laat staan bespreken, maar persoonlijk heb ik al een tijd geleden vastgesteld dat ik me het allerhardst verveel wanneer ik rondsurf op internet. Door op internet toertjes te doen, hoop ik verveling te kunnen vermijden of bestrijden, maar het tegendeel is het geval. Net dat gesurf brengt mij in een staat van lethargie die ik niemand toewens, om het zo te zeggen. Dat je verveling bestrijdt met een middel dat je verveelt, triestiger kan het nauwelijks worden.
Ik ben een waardeloze communicatiemedewerker. ‘t Is te zeggen: ik wil graag communiceren, maar gewoon niet op díé manier. Ik word zo fucking moe van díé manier.

vrijdag 3 november 2017

SP.A-brochure

Wow, heb ik nu gedroomd of niet dat iemand mij vertelde dat iemand die ik ken darmkanker heeft? Ja, ik heb dat gedroomd, ik ben er 95% zeker van. Ik kon er in die droom mijn kop niet bijhouden en vroeg “Welke kanker ook weer? Borstkanker?” “Nee, darmkanker”, klonk het lichtjes geërgerd. Ik weet niet meer wie mij dat vertelde. Ik weet ook niet meer wie die kanker had.
In de brochure ‘Leuven, een toekomst voor iedereen’ van de sp.a lees ik het volgende: “Leuven is een groeiende stad waar veel beweging in zit. Het is fijn dat steeds meer mensen ervoor kiezen om hier te komen wonen.” Ho, stop! Stop! Steeds meer mensen kiezen ervoor om in Leuven te komen wonen? Een andere waarheid is dat steeds meer mensen uit Leuven wegtrekken omdat de stad onbetaalbaar geworden is. Mensen verhuizen naar Tienen of Mechelen omdat je daar wel nog een huis kan kopen voor een redelijk bedrag. De nieuwkomers in Leuven zijn waarschijnlijk bijna zonder uitzondering welgesteld en hoogopgeleid. Of anders zijn het opkopers die een pand kopen om het opnieuw te verhuren of om het om te bouwen dat studentenkamers. Doe daar niet huichelachtig over, sp.a.
Zelf kan ik mij geen studio in Leuven veroorloven. Zelfs geen piepkleine. Tenzij ik bij het OCMW aanklop misschien. De situatie is onhoudbaar. Prijzen beginnen vanaf 550 euro per maand. Met een inkomen van 850 euro per maand is er werkelijk geen enkel immokantoor dat op mijn kandidatuur zit te wachten, laat staan dat ze die serieus in overweging zouden nemen. Als je krap bij kas zit kan je in Leuven niks komen zoeken. Ik kon enkel maar op het grondgebied Leuven blijven wonen omdat ik het geluk heb iemand te kennen wiens studio leegstond. Fuck, man. Leuven een stad met veel nieuwe inwoners. Ik kan daar boos van worden.
Oh, iets verderop in de brochure zeggen ze het dan toch zelf (omdat ze er écht niet omheen kunnen): “Zo is het als gezin of alleenstaande niet altijd vanzelfsprekend om een betaalbare woning te vinden.” ‘Niet altijd vanzelfsprekend’ is hier een eufemisme voor ‘bijna onmogelijk’, maar bon. Voor sp.a is dit maar één van de ‘uitdagingen’ die ze wil aanpakken. Enzovoort, enzoverder. Blablabla met wat leuke foto’s erbij. Leuke foto’s van mensen van wie we weten dat ze ook weleens enorm huichelachtig uit de hoek kunnen komen. Nee, ‘t zal geen wandeling in het park worden voor de sossen. Met de weinig charismatische kandidaat-burgemeester Mohamed Ridouani wordt het er ook niet gemakkelijker op.

woensdag 1 november 2017

"Goh, die heeft een goeie stem"

Ik ken iemand die graag naar ‘The Voice van Vlaanderen’ kijkt. Jaar in jaar uit en week na week. Ter ontspanning én om mensen met een mooie stem te horen zingen, om die, nadat een nieuw seizoen erop zit is, ook meteen weer te vergeten.
“Goh, die heeft een goeie stem”, zegt zij dan over een of ander meisje met een ‘urban look’ uit Kaprijke dat het eigenaardig genoeg nog niet ver heeft geschopt in het internationale muzieklandschap. “‘t Is te hopen dat ze die niet gaan wegstemmen.”
Ik voel mij altijd geroepen om de sfeer te verpesten. “Binnen een maand zijt ge het bestaan van dat kind alweer vergeten. Ge weet toch dat het jurylid-van-beroep Koen Wauters’ grote frustratie is dat er uit al die talentenjachten nooit een grote ster voortkomt? Die mens zit al vijftien jaar in de ene jury na de andere en behalve Natalia is er nooit iemand uit zo’n programma gekomen die daarna iets dat een beetje op een carrière lijkt wist uit te bouwen. Pensenkermissen, ja, die doen ze misschien wel.”
Dat van Koen Wauters herhaal ik keer op keer, omdat ik dat zo’n sterk argument vind tégen het ernstig nemen van zangwedstrijden op tv. Alsof het in zo’n wedstrijd om muziek draait. Het gaat om entertainment, entertainment van zeer korte duur dan nog. Eens van het scherm is hij/zij die blijkbaar bekend hoopte te worden alweer vergeten. En gelukkig maar.
Maar toch. Koen Wauters heeft daadwerkelijk verklaard dat hij het jammer vindt dat geen van deze mensen erin slaagt om blijvende bekendheid te verwerven. Hoe houdt hij het dan vol in die jury’s, vraag ik me af. Hij (en een zangcoach enz) investeert zoveel tijd in het begeleiden van die jongens en meisjes om daarna al dat werk min of meer verloren te zien gaan.
Maar daar wilde ik het eigenlijk niet eens over hebben. Wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat ik het zo jammer vind dat de vrouw die naar zangwedstrijden op tv kijkt nauwelijks nog naar muziek luistert, zelden of nooit naar concerten gaat. Ze hoort iemand op tv een voor haar onbekend liedje coveren en dat is voor haar dan de officiële versie van dat liedje. Naar het origineel is ze niet eens meer benieuwd. En ik kan het dus niet laten om daar steeds iets van te zeggen.

zondag 22 oktober 2017

Girls

 Mijn leven lijkt in niks op dat van de personages uit ‘Girls’. Die wonen in New York en lopen voortdurend bij elkaar de deur plat. Ze verhuizen even gemakkelijk als ze seks hebben en kunnen altijd wel ergens een slaapplaats vinden. Ze rollen van de ene relatie in de andere en al hun relaties zijn destructief en lopen slecht af. Ze belanden totaal ongepland op feestjes en leren daar nieuwe mensen kennen die ze daarna weer onmiddellijk vergeten. Ze wisselen met een onbekende van kleren, vallen in vijvers en ga zo maar door. Mijn leven lijkt in niks op dat van hen en, nee, jaloers word ik daar niet van. Maar ik bedenk me wel dat mijn leven bijlange niet vol verrassingen en gekkigheid zit. En als er al verrassingen zijn, zijn dat meestal ook geen al te gekke verrassingen. Ik kijk graag naar ‘Girls’. In zekere zin is het toch een herkenbaar universum. Heel veel twijfels, verwende jonge mensen en leegloperij. Als ik iemand anders was geweest, iemand wat meer ‘à l’aise’, had ik een heel klein beetje zo’n leven kunnen leiden, stel ik me voor. Een heel klein beetje.

woensdag 18 oktober 2017

Ware liefde

Ik vraag me af wat het is om van iemand te houden zoals dat in een goede liefdesrelatie tussen twee mensen het geval schijnt te zijn (of zou moeten zijn). Eigenlijk heeft het me altijd enorm verbaasd dat zoveel mensen tot zoiets als liefde in staat zouden zijn. Ik denk eerlijk gezegd dat de meeste mensen geen werkelijke liefde kennen; zij voelen ‘iets’ voor die ander en sluiten met de nodige toeters en bellen een soort akkoord af dat ze ‘relatie’ noemen. Echte liefde (waarbij je je partner bv. volledige vrijheid gunt) is als dusdanig behoorlijk hooggegrepen voor de al bij al eenvoudige, vrij primitieve mens. Bovendien, en dat hoor ik vreemd genoeg nóóit iemand zeggen, lijkt het mij heel aannemelijk, bijna vanzelfsprekend zelfs, dat een significant percentage mensen gedurende zijn leven nooit te maken krijgt met iemand die werkelijk verliefd is op hem of haar. Er zijn immers zoveel mensen die quasi over de hele lijn vrij onaantrekkelijk en inwisselbaar zijn. Ze lijken op elkaar, hebben eenzelfde kledingsstijl, zien er niet opvallend goed uit, hebben weinig of geen charisma, zijn niet bijzonder intelligent en hebben weinig boeiends te vertellen; ze zijn kortom enorm doorsnee en inwisselbaar, met hun vaalbruine haar, de doffe blik in hun niet erg mooie ogen, hun diploma industrieel ingenieur of communicatiemanagement en hun stomvervelende passie voor all things reizen. Op elke straathoek vind je een van hen en bijna allemaal hebben ze gelijkaardige interesses. Dat er ooit iemand voorbijkomt die op zo’n doorsnee persoon verliefd wordt, is op zich eigenaardig. Dat de doorsnee persoon die ik beschrijf vervolgens tot echte liefde in staat zou zijn, is zelfs ronduit twijfelachtig. Voor deze persoon is het concept relatie (het contract, de ‘deal’) wellicht het hoogst haalbare. Hij sluit een deal met zijn partner, een onuitgesproken akkoord om veel tijd met elkaar door te brengen en zich als koppel aan hun omgeving te presenteren. Om niet alleen te zijn, ook. Voorál daarom. Maar echte liefde? Nee, daarvan is bij de meeste van deze mensen wellicht geen sprake. En daar hoeven ze zich niet voor te schamen. Ware liefde vereist volgens mij een hoge mate van bewustzijn en offerbereidheid die maar voor weinig mensen haalbaar zijn.
Ik weet niet of ware liefde voor mij haalbaar is. Enorm veel om iemand geven lijkt me al moeilijk genoeg. Mijn verstand verliezen omwille van die persoon, helemaal ontdooien vanwege die persoon. Geen slag om de arm houden, geen reserve inbouwen, me helemaal smijten. Zou het? Zou ik daar vanuit mijn enorme zelfbewustzijn en mijn lichte zelfobsessie toe in staat zijn? Zou het voor mij niet eerder als een oefening of zelfs als een experiment aanvoelen? Ik kan me er werkelijk niet veel bij voorstellen. Verliefd zijn, dat wel. Ik weet heel goed wat verliefdheid is. Maar verliefdheid verhoudt zich tot echte liefde zoals de kleuterschool zich verhoudt tot een postdoctorale studie. Ze hebben weinig met elkaar te maken. Ik zou de liefde dolgraag willen ervaren, dat wel, en liefst ook niet pas over tien of twintig jaar, als het even kan. Als ik in dit leven nooit naar echte liefde zal hebben gestreefd, zal ik daar aan het eind veel spijt van hebben. Dat staat vast. De zoektocht naar ware liefde maakt deel uit van het leven.

zondag 15 oktober 2017

"Wie drinkt er ier geire een pint?"

“Wie drinkt er ‘ier geire een pint?”
“Ikke, ikke, ikke!”
“ Awel, dan zijde mijne vriend!”
Om maar meteen met de deur in huis te vallen, ik ga het over Sam Gooris hebben. Sammeke Gooris. Met z’n basketsloefkes aan. Sammeke Gooris die het gras laat groeien en het nooit meer afrijdt (nee oh nee, hij rijdt het nooit meer af!). Sammeke en zijn Marijke. Geweldige kerel, zeg dat ik het gezegd heb. Mijn broer en ik zijn al vele jaren dol op deze amusementsfactor tien, uitlachfactor nul. Sam Gooris is een man naar mijn hart. Authentiek en zonder pretentie. Heel goed in wat hij doet. Ik ben nadrukkelijk niet ironisch. Laat dat duidelijk zijn. Nadrukkelijk. Niet. Ironisch.
Enkele jaren geleden zag ik Sam Gooris een kort optreden geven op het Martelarenplein in Leuven. Fantastisch was dat. Fan-tas-tisch. Af en toe gebeurt het dat ik heel breed glimlach. Meestal is dat wanneer ik iets zie of hoor dat ik geweldig vind. Mijn glimlach tijdens dat optreden van Sam Gooris moet pleinbreed zijn geweest. Ik herinner me dat ik mijn broer sms’te (om een onverklaarbare reden kon hij er niet bij zijn) en typte dat ik getuige was van iets geweldig plezants. Man, ik was op dat moment zo heppiklepelong als tien Forellen tegelijk. Sam Gooris zette dat plein in vuur en vlam en maakte honderden mensen gedurende een halfuur gewoon domweg gelukkig met zijn enthousiasme, zijn energie en zijn abso-geweldige dansmoves. Domweg gelukkig was ik, inderdaad. Soms zou dat moeten volstaan. Zei ik soms? Ik bedoel natuurlijk meestal. Of zelfs altijd.
Nu ging YouTube-reportagemaker Bert DC Sam Gooris interviewen voor zijn prima interviewreeks Vakmansklap en Sam zei in dat interview enkele dingen die ik meer dan het onthouden waard vind. Neem nu het volgende. Sam maakt een vergelijking tussen zichzelf als artiest en wat hij een beetje meewarig ‘de alternatieve boys and girls’ noemt. Sam stelt vast dat er voor zijn optredens een massa mensen komt opdagen, terwijl het zogenaamde ‘betere werk’ vaak maar enkele tientallen belangstellenden trekt. Sam stelt ook vast dat zijn publiek zich amuseert, dat de mensen plezier hebben, daar waar de alternatievelingen weinig vreugde uitstralen wanneer ze naar hun favoriete bands gaan kijken. En laat ons een kat een kat noemen: in zekere zin zijn Sams observaties helemaal correct. Qua amusementswaarde, qua entertainment, scoort Sam Gooris beter dan al mijn favoriete groepen tesamen. Ik beleefde aan zijn optreden op het Martelarenplein meer plezier dan aan die een of twee optredens van Radiohead die ik gezien heb. Sam Gooris is niemand minder dan de keizer van het plezier (of ‘plezeer’, zoals hij dat pleegt te zeggen). Maar daar tegenover staat natuurlijk wel dat zijn optredens - van ‘concerten’ moet je niet spreken - gespeend zijn van alle muzikaliteit. Muzikaal valt er bij Sam Gooris niks te rapen. Sam Gooris brengt entertainment, geen muziek.
Maar hoe dan ook, ik vond dat geen verkeerde vaststelling van Sam. Veel alternatieve boys and girls weten er tijdens hun concerten inderdaad maar heel beperkt de schwung in te krijgen. ‘t Is alleszins iets om te onthouden wat Sammeke zegt. Maar iets anders dat hij zei, was veel belangrijker en sneed nog meer hout, naar mijn mening. Zo ging zijn gesprek met YouTuber Bert op een gegeven moment over de liefde. Bert zit kennelijk met heel wat twijfels en onzekerheden daaromtrent en sprak er daar enkele van uit. “Niet mee in uw hoofdje zitten”, zei Sam stellig. “Wie u niet moet hebben zoals ge zijt, is u niet waard”, iets in die trand. En dat is zo wáár. Ikzelf kan die les ook gebruiken, realiseerde ik me eens te meer. Voortdurend zit ik na te denken over al mijn gebreken en hoe ik die kan verhelpen, maar de waarheid is dat iemand die mij echt graag zal zien mij graag zal zien mét mijn gebreken. Omdat het niks uitmaakt. Zoals Sam Gooris dat zei, ik denk dat het behalve voor mij ook voor Bert hoog tijd was om iemand dat nog eens met zoveel woorden te horen zeggen.
Bert biechtte ook op dat hij in zijn 26-jarige leven nog maar één relatie heeft gehad. Sam Gooris vond dat prachtig en vertelde Bert dat hij, Bert dus, nog ‘puur’ was en dat hij daar fier (‘feer’) op mocht zijn. Sam sprak zijn afkeer uit voor mensen die met jan en alleman liggen te lebberen en aldoende hun puurheid kwijtspelen. Bert daarentegen heeft nog zoveel oprechte liefde en genegenheid te geef aan de jongen of het meisje dat weldra zijn pad zal kruisen (het is mij niet duidelijk of Bert homo dan wel bi of hetero is; niet dat het ertoe doet trouwens). Van Sam Gooris vond ik wat hij over die puurheid zei opnieuw een interessante kijk op de zaak die liefde of, meer algemeen, het leven heet. Zo hoor je het niet elke dag zeggen. Puurheid. Fierheid. En ik merkte dat zijn woorden ook weer heel toepasbaar waren op mijn eigen leven (dat blijkbaar verschillende overeenkomsten vertoont met dat van Bert DC). Ik heb ook nog maar één relatie gehad en ben dus ook nog heel puur.
Bedankt dus, Sam Gooris, om een aantal belangrijke dingen eens op een andere manier te benoemen. Echt, ik had op den duur een kleine krop in mijn keel.
En bedankt ook Bert voor het goede interview en de mooie reportage. Kiep up de goed weurk, zou ik zeggen.

vrijdag 13 oktober 2017

Matthijs

Een Somalische vrouw die haar dochter van vijf jaar niet zonder hoofddoek laat buitenkomen. Is het belangrijk om daarbij stil te staan of maakt het niets uit?

12-10-2017
Een maand geleden schreef ik eender wat op, nu vind ik nauwelijks iets nog belangwekkend genoeg om het op te schrijven. Zo gaat het bij mij altijd. Een tijdje loopt het los en daarna slipt het dicht. Plots begrijp ik niet goed meer waarom ik deed wat ik deed. Plots heb ik helemaal niet meer de goesting om iets te schrijven over bijvoorbeeld bepaalde gesprekken die ik toevallig hoor op de bus. Mijn belangstelling is weg.

13-10-2017
‘De regels van Matthijs’. Ik heb ‘m van YouTube gedownload om ‘m een derde keer te kunnen bekijken, deze documentaire. ‘De regels van Matthijs’ verdient het adjectief ‘beklijvend’. Ik was ook deze keer weer erg onder de indruk.
‘De regels van Matthijs’ is een Nederlandse documentaire van een jaar of vijf geleden waarin filmmaker Marc Schmidt zijn autistische en psychisch zieke jeugdvriend Matthijs volgt. Op moment van opname zijn beide mannen begin 40. Schmidt filmt Matthijs 95% van de tijd in diens appartement, ook al omdat Matthijs maar zelden zijn huis uit gaat. “Mijn huis is mijn heelal”, zegt hij ergens. Het appartement van Matthijs heeft overigens nog weinig weg van een appartement. Veeleer is het een opslagplaats voor allerlei materialen die in enorme stapels op de grond en op tafels opeengepakt staan. De chaos is totaal, onleefbaar, zonder meer, maar Matthijs vindt kennelijk geen manier om er orde in te scheppen. In zijn hoofd zit het dan ook niet bepaald op orde. Deze immens gefrustreerde man is namelijk goed op weg om helemaal gek te worden van zijn eigen gedachten. Doorheen de opname van deze documentaire is Matthijs in feite suïcidaal. Zo krijgen we in de documentaire te zien hoe hij tegenover Marc Schmidt verklaart dat hij een overdosis medicijnen heeft geslikt en we horen hoe Schmidt vervolgens de hulpdiensten op de hoogte brengt. Aan het eind van de documentaire zal Matthijs er uiteindelijk wél in slagen om uit het leven te stappen. Niet dat er daarvan beelden zijn, gelukkig.
Matthijs is een man met goede bedoelingen. Hij heeft ook gevoel voor humor en is onmiskenbaar intelligent. Maar hij zit volledig opgesloten in zijn eigen hoofd. We zien hem in zijn eigen woonst loodgieterijwerken uitvoeren waarvan hij weet dat die niet volgens het boekje zijn. De wooninspectie houdt hem in de gaten en de gedachte dat ze elk moment voor zijn deur kunnen staan om hem uit zijn appartement te zetten, jaagt hem verschrikkelijk op. Ik denk dat de werken die hij in zijn woonst uitvoert een vlucht zijn voor zijn hamerende zelfdestructieve gedachten, maar de tragiek is dat uitgerekend deze werken niet stroken met wat toelaatbaar is. Kon hij zich maar met iets anders bezighouden, verzucht je doorheen de film. Iets dat wél oké is. Matthijs weet doorheen de periode van opname dat hij uit zijn woonst gezet zal worden, in feite lijkt hij er bijna op te wachten. Misschien wachtte hij dat moment af om een einde aan zijn leven te kunnen maken.
De uithuiszetting verloopt in enkele fases en bepaald niet zonder slag of stoot. Matthijs krijgt buitensporige woedeaanvallen, machteloos als hij zich voelt tegenover de regels van instanties die niet overeenkomen met zijn eigen regels. Zijn eigen regels die hij probeert af te stemmen op gangbare regels, iets waarin hij niet slaagt. “Als autist moet je alles uitdenken”, zegt hij. “Wat voor een niet-autist als vanzelf gaat daar moet een autist lange tijd op studeren.” Hij tapt telefoongesprekken af om te bestuderen wat mensen ‘tussen de lijnen’ zeggen. Hij is ervan overtuigd dat mensen met wat ze zeggen vaak iets anders bedoelen, en hij stelt vast dat die dubbele betekenis hem vaak ontgaat.
Matthijs komt voor de rechter vanwege de schade die hij aan zijn appartement heeft toegebracht en in zijn oordeel is de rechter van mening dat Matthijs zich teveel als een slachtoffer van zijn autisme gedraagt. Als kijker ga je je die vraag ook weleens stellen. Maar deze man is behalve autistisch ook gewoon helemaal óp. Al jaren zit hij aan de pillen, pillen die al lang hun oppeppende effect verloren hebben. Deze man is suïcidaal, helemaal leeg, volstrekt zeker dat hij de code van het leven niet meer zal kraken. Hij leeft in zijn hoofd en vindt geen houvast. Zijn appartement is daarvan een reflectie. De absolute wanorde. Ik kijk ernaar met veel medelijden. Deze Matthijs is of was tot vanalles in staat, hij was intelligent en getalenteerd, maar zijn leven zat muurvast en hij zag nog maar één uitweg. Deze documentaire legt die strijd heel mooi vast. Ik heb hem de afgelopen drie of vier jaar drie keer bekeken en hij blijft mij doen nadenken over de (on)mogelijkheid van het leven. Zeer aan te raden voor iedereen die een uur tijd heeft voor een beklijvende documentaire. Integraal te bekijken op YouTube.

woensdag 11 oktober 2017

Motor sputtert

Het was natuurlijk te voorspellen dat de motor zou gaan sputteren nadat die ene man had gezegd dat het toch zo zonde is dat ik het voor twee man en een paardenkop doe. Sommige teksten zijn immers goed genoeg om een breder publiek te kunnen plezieren, zegt hij, en ik ben het daarmee eens. Maar, wat moet een mens daarmee? En hoe pakt een mens dat aan? Return on investment, enkele virtuele schouderklopjes, enzovoort - wat heb ik daaraan, wat haal ik daar voor mezelf uit?
Natuurlijk hoopt een mens dat hij op een of andere manier een zeker publiek zal bereiken wanneer hij een werkstuk heeft afgeleverd dat er zijn mag. Wanneer je lang (dat is natuurlijk in elke context anders) aan iets hebt gewerkt, hoop je op een bepaalde respons. Wanneer die respons er niet komt - niet, als in: er komt letterlijk niks - dan is dat ontegenzeglijk ontgoochelend. Maar anderzijds, als die respons er wel komt, wat moet een mens daar dan mee?
Als ik daarover nadenk moet ik al gauw aan Lize Spit denken. Zij had al enige bekendheid omdat ze een kortverhalenwedstrijd had gewonnen, en ja, er waren zelfs hoge verwachtingen over haar debuutroman. ‘Het smelt’ schoot vervolgens helemaal door het dak en werd de literaire hype van 2016. In één klap werd Lize Spit een van Vlaanderens meest bekende auteurs en zat ze elke avond van de week wel ergens op een lezing in een boerengat ergens te lande. Maar doet Lize Spit dat graag? Houdt ze ervan om altijd dezelfde praatjes te moeten herhalen? Droomde ze van bekendheid terwijl ze ‘Het smelt’ zat te schrijven? Was het haar ook dáár om te doen? Wat als haar boek geen succes was geworden? Is Lize Spit nu gelukkiger dan voor ze bekend werd?
Ik ben constant op zoek naar geluk. Schrijven maakt mij bij tijd en wijle gelukkig, daarom doe ik het. Trachten naam te maken als schrijver heb ik nog nooit actief geprobeerd en het idee staat me enorm tegen. Ik ben niet bevlogen zoals Maarten Inghels of even serieus als ambitieus als Yves Petry. Ik heb nooit een kortverhaal gepubliceerd in een literair magazine noch heb ik deelgenomen aan een schrijfwedstrijd. Ik zou er nú voor moeten gaan, zei die ene man mij. Nu, nu ik er nog de tijd voor heb, nu, nu ik nog jong ben en nog geen gezin heb. Maar ik voel hem niet, de drang. Ik voel niet zoiets. Ik verlang er enkel naar om vrede te hebben met mezelf. Ik merk hoe dat nog steeds niet lukt en hoe ik daar iets aan wil doen. Schrijven is daarbij een middel en meer ook niet.

zondag 8 oktober 2017

Morgen iets gaan drinken?

Een van mijn docenten is enorm verstrooid. In de afgelopen drie weken heeft ze drie keer een verkeerde datum doorgegeven voor een afspraak of een taak. Moet allemaal kunnen, maar laat mij wel dit zeggen: als ik mij op mijn stage week na week van datum ga vergissen, dan vlíég ik natuurlijk. Ja, dat dan weer wel.
Uit De Standaard leer ik dat de Britse Brexit-minister David Davis heet. Het is ondertussen onduidelijk of de Britse Brexit-minister David Davis nog met bretellen in Davos is gesignaleerd.
Het werd echt niet geapprecieerd dat ik opmerkte dat ik voor het thema religie geen bijzondere belangstelling heb. Maar ja, dat komt ervan als je mij te lang in een omgeving zet waarin de superdiverse samenleving met alle religies vandien aan 150km/u omarmd wordt en men mij min of meer verplicht om hetzelfde te doen. Dan ga ik dat soort dingen zeggen. Ja, dat dan weer wel.
De avondprogrammatie op Radio 1 is verdomd goed. Tussen 20u en 23u naar Radio 1 luisteren is echt het aanbevelen waard.

7-10-2017
Ik stel me voor dat Stijn Meuris thuis naar ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ zit te kijken en zich verbouwereerd afvraagt waarom hij nog niet voor dat programma gevraagd is. Stijn zou zonder twijfel een heel tv-seizoen kunnen vullen met het toelichten van tv-fragmenten en gebabbel over zichzelf.

8-10-2017
Ik las gisteren een aan mij gerichte e-mail van een klasgenoot. Die e-mail was eergisteren rond 23u verzonden. Hij stelde de vraag of ik ‘morgen’ (ik neem aan dat dat dan gisteren was) met hem iets wilde gaan drinken. Ik was verbaasd, ten eerste omdat hij mijn e-mailadres bleek te kennen en ten tweede omdat hij mij zo rechtstreeks een dergelijke vraag durfde te stellen. Zo goed ken ik hem (nog) niet en ik ben het niet gewoon dat mensen die ik nog niet goed ken mij als het ware op de man af ergens voor uitnodigen. Dat deze klasgenoot tien jaar jonger is dan ik maakte het mijns inziens nog specialer.
Het neemt me wel voor hem in, moet ik zeggen. Hoeveel mensen ken ik wel niet die nooit eens zelf het initiatief nemen om af te spreken. Alsof ze koudwatervrees hebben of spaarzaam met de vriendschap willen omgaan. Alsof ze zich generen om als eerste de stap te zetten. Nu, ik zit er niet mee in om zelf het initiatief te nemen. Ik ben iemand die gemakkelijk mensen sms’t om af te spreken, gewoon wanneer dat in mij opkomt en ik daar wel goesting in heb. Kennelijk zijn er veel mensen die zich ook weleens afvragen hoe het nog met die of die vriend zou gaan, maar daar dan verder geen gevolg aan geven. Geen probleem voor mij, maar ik pak het anders aan (al laat ik het soms ook voor wat het is; als iemand nooit iets van zich laat horen, stopt het ook wel na een tijd).
Maar deze jonge klasgenoot is dus blijkbaar ook een initiatiefnemer. Opmerkelijk, hij is immers een vrij stille, schijnbaar timide jongen. Maar in zijn mail houdt hij dus geen slag om de arm. Hij stuurt mij in het weekend een e-mail en vraagt het mij dus niet na de les. ‘t Is dat ik zijn e-mail pas las op het moment dat hij wellicht had willen afspreken, dat ik antwoordde dat het dit weekend niet meer zou lukken, maar dat ik gerust weleens na de les iets met hem wil gaan drinken. Voorlopig heb ik mijn mailbox niet meer bekeken om te kijken of of wát hij daarop heeft geantwoord.
In de les communicatietechnieken hadden we het over de open ruimte, de blinde vlek en het verborgen gebied. De open ruimte is wat we over onszelf weten en wat de ander over ons weet, de blinde vlek is wat de ander over ons weet maar wat wij zelf niet weten en het verborgen gebied is wat we over onszelf weten maar wat de ander niet over ons weet. Ik ben in deze klassituatie iemand met een nogal groot verborgen gebied (en dus met een eerder kleine open ruimte), denk ik. Ik loop niet voortdurend te vertellen waar ik mij in mijn vrije tijd zoal mee bezig houd. Niet omdat ik dat angstvallig geheim wil houden, maar omdat ik er de noodzaak niet van inzie om dergelijke informatie met mijn klasgenoten te delen. Ook ben ik in de veronderstelling dat de grote meerderheid onder hen - om niet te zeggen: allemaal - er weinig boodschap aan heeft als ik zeg dat ik veel lees. Tot nu toe heb ik van hun kant alleszins niks opgevangen over lezen en voor veel jonge mensen is lezen toch vooral iets dat ze niet graag doen of waar ze geen affiniteit mee hebben. Waarom zou ik me dan gaan uitsloven om bijvoorbeeld iets te vertellen over ‘Infinite Jest’ van David Foster Wallace? Het lijkt me een zinloze onderneming.
Ik wil dus zeggen dat mijn verborgen gebied, waarbij anderen niet zoveel van mij weten, redelijk groot is. Dat is trouwens altijd zo geweest, in elke klas waarin ik ooit heb gezeten. Tegenover klasgenoten die ik niet goed ken, voel ik geen behoefte om veel over mijn bezigheden te vertellen.
Daarom vraag ik me nu ook af welk gesprek ik met deze jonge klasgenoot zou voeren, mocht ik met hem iets gaan drinken. Is hij geïnteresseerd om mij beter te leren kennen? Wil hij over de les praten? Ik weet het niet. Het benieuwt me wel. Ik van mijn kant heb hem wél al vanalles gevraagd, dat dan weer wel. Ik stel de mensen gewoon veel vragen, een beetje zoals ik al gemakkelijk eens iemand een sms stuur. Omgekeerd merk ik dan weer dat anderen vaak weinig vragen stellen. Geen idee hoe dat komt. Maar het is een vaststelling.
Ik zal zeker weleens iets gaan drinken met mijn klasgenoot. Ik waardeer zijn durf.