Wat ik schrijf is het waard om gelezen te worden. Ik herhaal: wat ik schrijf is het waard om gelezen te worden. Ik moet er nog wat aan wennen, maar binnenkort ga ik (zij het onrechtstreeks) bepaalde mensen lastig vallen met een selectie van teksten die ik in de afgelopen jaren geschreven heb. Enkele mensen uit mijn entourage beginnen mij alsmaar schever te bekijken omwille van het feit dat ik mijn schrijfsels slechts deel met de spreekwoordelijke twee man en een paardenkop. Ze zeggen steeds vaker dingen als: ‘ze zijn écht goed’, ‘je moet daar iets mee dóén’ en ‘het moet nú gebeuren’, en ze doen wilde voorspellingen als zou ik er spijt van krijgen als ik ‘het’ nooit zal hebben geprobeerd. Dat het vijftigers zijn die dat zeggen, mag natuurlijk niet verbazen. Wie in de vijftig is, zit altijd wel met iets waar hij spijt van heeft. Maar ik geef toe, ook ik begin zo stilaan te denken dat áls er iets moet gebeuren (waar ik nog niet zo zeker van ben), dat het dan beter nú gebeurt. Want allez ja, zeg nu zelf, Alexander, wat hebt ge eigenlijk te verliezen? Een nee hebt ge, een ja... Niet dat ik zelf iemand in ‘het wereldje’ ken die ik kan benaderen, maar iemand uit mijn entourage (het klinkt zo cool om te zeggen dat ik een entourage heb) kent misschien wel iemand die iemand kent die iemand kent. Ofzo. En als die uiteindelijke iemand niks in mijn selectie teksten ziet, dan weze het zo. Of nee, dan weze het niet zo. Dan onderneem ik gerechtelijke stappen.
Nee, c-rieus, ik denk dat wat ik schrijf er mag zijn. Het kost me weliswaar moeite om die gedachte niet lachwekkend te vinden, maar als ik mag geloven wat sommige mensen mij vertellen dan heb ik inmiddels begrepen dat de ene mijn teksten goed geschreven vindt en dat de ander ze amusant vindt. Een hardcorefan vertelde mij onlangs een beetje gegeneerd dat ze op Facebook speciaal naar mijn profielpagina surft om na te gaan of ik nog iets heb gepost. Een andere fan van het eerste uur zei dat hij nauwelijks nog naar Facebook omkijkt maar wel nog mijn activiteiten blijft opvolgen. Dat is natuurlijk prettig om te horen, zeker ook als je niet naar dergelijke complimenten hebt zitten hengelen. Nog iemand anders vindt mijn teksten trouwens deprimerend (“maar wel goed geschreven, hoor.”). Het was fijn om op Facebook met haar bevriend te zijn, maar nu ik haar gedefriend heb voel ik me weer op mijn gemak.
Ik heb een minderwaardigheidscomplex en zal eerder nooit dan zelden toegeven dat ik ergens goed in ben. Ik heb het bijvoorbeeld nooit in mijn kop gehaald om deel te nemen aan een schrijfwedstrijd, net zomin als ik het ooit in mijn kop zou halen om iets op te sturen naar een literair magazine. Want wie ben ik, Alexandertje, om een wildvreemde met mijn gezwets te gaan ambeteren? Maar tezelfdertijd zie ik natuurlijk ook hoe leeftijdsgenoten zonder noemenswaardige talenten zich op tv interessant maken en erger ik me daaraan kapot omdat ik gewoon niet begrijp dat iemand dat toelaat. “Allez, Joy-Anna.." mompel ik dan. "Dat gij dat durft. Ge zijt de middelmatigheid zelve en toch vindt gij uzelf blijkbaar interessant genoeg om zendtijd in te pikken op de nationale televisie en uzelf te promoten als de Vlaamse it-girl? Schaamt gij u niet? In uw plaats zou ik office management studeren, een job als secretaresse zoeken en één keer per week naar het theater gaan om daar naar mensen te kijken die wél kunnen acteren. Maar soit. Blijkbaar is er een publiek voor mensen zoals gij. Wat op zich natuurlijk al triestig is.”
Dus, wat is nu het plan? Ik maak een selectie van tien stukken, plak die in een Wordbestand, stuur die door naar die persoon in mijn entourage met connecties en wacht dan af wat er gebeurt.
Wat ik zelf hoop dat er gebeurt? Werkelijk geen idee. Voor mij is het vooral belangrijk dat schrijven fun blijft. Daarom, en daarom alleen, doe ik het tenslotte. Ik vind het gewoon enorm fijn om op een ongedwongen manier een A4-tje te vullen en het te hebben over precies datgene dat mij op dat moment inspireert. Weze het een verhaaltje over mijn overmatige pornoconsumptie (ik kijk vooral naar de categorieën ‘amateur’ en 'BDSM') of een meninkje over een of ander Maatschappelijk Fenomeen. Schrijven, jongens en meisjes (en iedereen die zich door geen van die categorieën aangesproken voelt), is gewoon het liefste dat ik doe.
(Als jij ook iets graag doet, mag je hieronder reageren.)
maandag 19 februari 2018
vrijdag 16 februari 2018
Bruxelles, ma belle
Mijn Poolse vriend Michal is niet het type dat een blad voor de mond neemt. Zijn oordeel kan keihard zijn, maar hij weet altijd waarover hij spreekt.
“Ik heb voor mijn werk al heel Europa doorkruist”, zei hij toen we afgelopen vrijdag op de trein van Leuven naar Gent zaten om er het Lichtfestival te bezoeken, “maar ik ben in al die tijd nog geen stad tegengekomen waarover ik mij meer zorgen maak dan Brussel.”
We waren net het Brussels Hoofdstedelijk Gewest binnengereden en keken naar de groezelige straten van Schaarbeek, achter het Noordstation. Veel verval. Veel leegstand. Veel betekenisloze graffiti op de muren. Woorden met vulgaire betekenissen, geschreven door mensen die blijkbaar niet kunnen spellen. Michal vond het niet om aan te zien. En ik evenmin, om eerlijk te zijn.
“Wie zijn de mensen die daarin willen of moeten leven, vraag ik me vaak af, als ik al die lelijke huizen bekijk”, stak Michal van wal. “Dat kan toch niet erg opbeurend zijn. Waarom blijven ze daar wonen? Waarom ondernemen ze er niets tegen? Als ik bepaalde wijken van deze stad bekijk, rijst bij mij het vermoeden dat de Brusselaars het met z’n allen hebben opgegeven. Of het zou moeten zijn dat ze geen respect hebben voor hun eigen woonomgeving. Zo verloederd zijn sommige wijken. Verkeert Brussel soms in crisis? De politieke situatie in dit land moet je mij niet opnieuw uitleggen, daar begrijp ik toch niks van, maar wordt de hoofdstad überhaupt door iemand bestuurd? I mean, dude.. Moet je die vuiligheid zien.” Michal maakte een weids gebaar richting de hoerenbuurt en de omgeving van het Liedtsplein, straten die inderdaad geen erg gezellige aanblik bieden. In een berm langs de spoorweg zagen we rommel liggen die rechtstreeks uit een bruine vuilniszak leek te komen. Voedselverpakkingen, lege blikjes, plastieken flessen, en ga zo maar door. “Symptomatisch voor deze stad, krijg ik steeds meer de indruk”, zei Michal. “Seriously, wie maakt hier de dienst uit? Waar blijft het protest hiertegen? Waarom vinden de Brusselaars het oké om in dergelijke smerige buurten te wonen?”
Ik heb Michal begin vorig jaar leren kennen via een Facebookgroep voor mensen die een taalbuddy zoeken in de regio rond Brussel. Hij was op zoek naar iemand die hem wat Nederlands kon bijbrengen, de belangrijkste zinnetjes, zeg maar, en hij bood van zijn kant aan om een eventuele buddy wat Pools te leren. Persoonlijk was ik er niet speciaal op uit om mijn kennis van het Pools bij te schaven (behalve ‘dzjen dobre’ kan ik nog steeds geen woord zeggen in die taal, waarin er woorden bestaan met niet minder dan vijf opeenvolgende medeklinkers; denk maar aan de roemruchte rodebietensoep, barszcz), maar het leek me wel interessant om een Pool te leren kennen die voor zijn job als junior consultant management innovator bij een multinational het hele continent afreist. Michal, 34 jaar, had zich sinds kort in Brussel gevestigd (vooral omwille van de centrale ligging in Europa) en was er zich perfect van bewust dat hij helemaal geen kennis van het Nederlands zou nodig hebben om er te kunnen overleven. Hij wilde alleen maar wat Nederlands leren uit curiositeit, zei hij. In Polen had hij op school veel Duits gehad en aangezien Nederlands daar wat op gelijkt.. Intussen heeft hij zijn poging om wat Nederlands te leren al lang opgegeven. Geen tijd voor, zegt hij, maar in feite is hij gewoon te lui. Als we elkaar nu ontmoeten, spreken we uitsluitend Engels.
Michal woont intussen bijna een jaar in Brussel, vlakbij het Flageyplein, en in die tijd heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om de stad te verkennen. Bepaalde stadsdelen geeft hij het voordeel van de twijfel, de vijvers van Elsene vindt hij mooi, maar over het algemeen is hij heel hard voor Brussel. Brussel is, volgens hem, een en al vergane glorie. Vrijdag in de trein ging hij daar weer maar eens op door.
“It’s a shame, you know. Brussel staat vol prachtige panden, maar kijk toch eens naar wat daar tegenwoordig mee wordt gedaan. Overal in Brussel zie je bijvoorbeeld diezelfde, inspiratieloze Lyca Mobilewinkeltjes, uitgebaat door onvriendelijke Arabieren zonder commerciële skills whatsoever. Come on, wie bedenkt zoiets? In een stad als Brussel, de hoofdstad van Europa? Slechte reclame, if you ask me. Het geeft zo’n ontzettend luie en goedkope aanblik. Of neem de voetpaden in deze stad. Die liggen er nu eens nooit proper bij. Alsof niemand er een fuck om geeft. Er zijn wijken in Brussel waar er in elke straat wel ergens een meubel op de stoep staat. En niet voor een uurtje, nee, het duurt hier soms drie fucking dagen voor zo’n meubel wordt weggehaald.”
Michal groeide op in Lublin, een universiteitsstad in het oosten van Polen, niet zo ver van de grens met Oekraïne. Lublin telt ruim 350.000 inwoners, waarvan er nog een heel deel in het soort lelijke, grijze blokken woont waarvoor het communistische systeem onder andere bekend stond. Mistroostige, uniforme woontorens, steeds een eind buiten het stadscentrum gelegen, ver genoeg alleszins van de schitterende binnenstad, die met haar statige, veelkleurige panden en haar pittoreske pleinen dag en nacht van de weinig oogverblindende buitenwijken verschilt. Michal is zelf in zo’n buitenwijk opgegroeid en is heel gevoelig voor stadsontwikkeling en alles wat daarmee te maken heeft. Als jongen vernam hij nauwelijks iets over Europa, maar de steden waren er prachtig, ongezellige woontorens bestonden er niet en iedereen was er gelukkig. Dat wist hij wél. Lelijkheid en verloedering, nee, dat kwam in landen als Frankrijk, België of (West-)Duitsland niet voor.
Intussen weet hij natuurlijk beter. Lang niet alles, láng niet alles, aan het westen is rozengeur en maneschijn. Maar wat hij in Brussel ziet, zo zegt hij, kan er bij hem echt niet in. “Misschien bestaat er een mentaliteitsverschil tussen Polen en Belgen”, ging hij door. “Je moet weten, wij Polen zijn een heel trots volk. Wij houden van ons land en zijn fier op onze steden die bekend staan om hun mooie pleinen. In het westen wordt heel erg op ons communistische verleden en op onze corrupte politici gefocust en jullie gooien graag alles op één hoop, alsof Polen en bij uitbreiding de voormalige Sovjet-Unie uitsluitend uit lelijke woonblokken bestaat. Maar dat klopt dus voor geen meter. And I’ll tell you this, anders dan wat ik in Brussel zie, hielden wij in Lublin de straten in de omgeving van onze blokken wél schoon. Wij hadden een fierheid die ik bij de Brusselaars zo op het eerste zicht niet terugvindt. En dat begrijp ik niet. Waarom komen de inwoners van een gemeente als Schaarbeek niet in opstand tegen die verloedering? Waarom eisen ze niet het recht op om in nette straten te wonen waar er niet om de drie meter een lege snoepverpakking op de grond ligt? Waarom nemen de mensen hier genoegen met glorie in verval? Why? Mijn gok? ‘Cause they don’t give a shit. Ze geven niks om deze stad, omdat ze voelen dat jullie politici niets om Brussel geven. Geen wonder toch dat jongeren hier gefrustreerd raken?”
Michal was op dreef en eens hij op dreef is, laat hij zich nauwelijks nog onderbreken, zo ken ik hem intussen. Ik moet wel toegeven dat ik het in grote lijnen met hem eens was. Brussel is inderdaad geen erg mooie stad. Maar wat ik persoonlijk nog erger vind, is dat je in Brussel nauwelijks nog een plaats vindt waar je zuivere lucht kan inademen. Het vele verkeer heeft ervoor gezorgd dat de stad bijna overal naar uitlaatgas stinkt. Als er één plaats is waar we in de nabije toekomst aan de mondmaskertjes gaan..
Maar als buitenstaander die de Belgische context amper kent, kan Michal wel vrij onbevooroordeeld zijn mening geven, zonder meteen partij te kiezen voor ofwel de vele Belgen uit ‘de provincie’ die uit Brussel wegblijven omdat ze er niet op hun gemak zijn, ofwel voor de hoogopgeleide, veelal links georiënteerde bobo’s in de dop die, vooral via de sociale media, nooit genoeg kunnen benadrukken hoeveel ze wel niet van Brussel houden, al zijn ze dan met z’n allen wel gewoon opgegroeid in de geborgenheid van een veilig Vlaams dorp om daar ook bijna allemaal op latere leeftijd naar terug te keren.
Op die categorie Brusselaars heeft Michal het bepaald niet begrepen. “Er zijn er blijkbaar heel wat van jullie, Belgen, die precies de vergane glorie van Brussel charmant blijken te vinden. De charme van Brussel noemen jullie dat toch, de manier waarop bijna niks aan deze stad ooit echt in orde is? Ridiculous. Tell me, wat is er zo charmant aan een metrostation dat dag na dag naar urine stinkt? Wat is er zo fijn aan een groepje jongeren dat ostentatief zijn sigarettenpeuken op het trottoir gooit omdat het lak heeft aan elke vorm van burgerzin? En, by the way, waarom wordt er nooit eens aan mensen uit de allochtone gemeenschap in Brussel gevraagd of zij Brussel ook zo charmant en mooi vinden? De meeste allochtonen in deze stad denken helemaal niet in dergelijke Sint-Kathelijne- of Dansaert-termen, you know, en ze zitten al helemaal niet in Facebookgroepen als ‘I Love Brussels’. You wanna know why? ‘Cause they don’t give a fuck, dude. Ze willen gewoon een toekomst en die kan deze stad, of de voor deze stad verantwoordelijke politici, hen blijkbaar niet bieden. And the Dansaert people, come on, daar spuwen die jongeren op. Dat zijn toeristen, die koffiedrinkers. Dat zijn geen Brusselaars.”
Michal was zodanig in zijn betoog opgegaan dat we intussen Brussel-Noord, Brussel-Centraal én Brussel-Zuid waren gepasseerd. Pas ter hoogte van Groot-Bijgaarden kwam hij enigszins tot bedaren. “Wauw, zie je dat? Het is hier proper, man. Waar zijn we? Groot-Bijgaarden? Don’t know the place, maar je ziet, hier is het wél in orde. Kijk door het raam. Geen vuilnis in de berm, geen hopeloze verloedering. Mij hoor je niet zeggen dat de straten in Brussel er allemaal net zo moeten bijliggen als hier, maar een beetje meer in deze richting evolueren, zou niet verkeerd zijn, right? Het zou de sfeer in de stad wel ten goede komen. Een mens kan maar goed in zijn vel zitten als zijn woonomgeving er ook een beetje goed uitziet.”
We kwamen aan in Gent en bewandelden de route van het Lichtfestival. Het was een erg koude maar gezellige avond. Toen we weer terug in het Gent-Sint-Pietersstation arriveerden, dronken we in de Starbucks nog een White Chocolat Coffee (of wat de naam van het ding ook mag zijn; het is alleszins iets met witte chocolade). Superlekker was die, echt een aanrader. Ik had er gerust nog een tweede kunnen achteroverslaan, ware het niet dat Starbucks zo waanzinnig duur is en ik niet veel zin had om nog eens zes euro voor of all things een kop koffie neer te tellen. Maar als je dus zelf nog eens in het station van Gent bent, passeer er dan zeker langs de Starbucks. White Chocolat Coffee, echt zwaar de moeite. En geef Brussel gerust eens een kans. Michal overdreef misschien een klein beetje. Hoewel toch niet heel veel.
woensdag 14 februari 2018
Ongezond veel porno
Ik wist wel dat hij heel veel - zeg maar gerust: ongezond veel - naar porno kijkt, maar toch was ik ronduit verbijsterd toen bleek dat hij veel meer wist dan ik over April O’neil, nochtans mijn eigen favoriete actrice uit de ‘adult industry’. Hij scheen echt al het videomateriaal bekeken te hebben dat er van haar online staat en kende feilloos haar ‘statistieken’ uit zijn hoofd, statistieken die ik zelf maar oppervlakkig bestudeerd heb, ooit. Enthousiast vroeg hij mij wat ik van actrice x en actrice y vond (beide namen zegden mij niks); twee actrices die, zo luidde zijn oordeel, een beetje met April O’neil te vergelijken zijn omdat ze ook klein en heel erg ‘vocal’ zijn tijdens hun ‘performances’. (Omdat ik actrice x en actrice y niet ken (denk ik), kan ik over hen niks zeggen, maar het klopt dat April O’neil erg ‘vocal’ is. Iets té vocal zelfs, althans wat mij betreft. Opdat de buren niks zouden merken, moet ik het geluid van mijn laptop altijd heel stilletjes zetten wanneer April ‘bezig’ is, maar daar blijft het wel bij, wat mijn kritiek betreft. Van alle krolse zaadsliksters blijft April voor mij de geilste die je op Pornhub in actie kan zien.)
Ik moest mijn vriend bekennen dat ik behalve April O’neil (en Sasha Grey, natuurlijk) geen enkele pornoactrice bij naam ken. De ‘categorie’ waar ik immers het merendeel van de tijd naar kijk, is ‘amateur’ en amateurs hebben geen naam noch spelen ze mee in, in Californië gedraaide, groots opgezette pornoproducties. Amateurs doen het meestal thuis, in hun smoezelige Russische of Tsjechische slaapkamer, met een waardeloze low quality-camera. Maar dat laatste is ook wel net de charme ervan. Ze wíllen wel, die amateurs, ze willen echt dat het goed is, maar ze hebben de middelen niet. De stunteligheid van hun onderneming maakt het allemaal wat aandoenlijk. En ik denk dat het precies die aandoenlijkheid is (die herkenbaarheid in zekere zin) waar zoveel mensen geil van worden. Mocht je het zelf proberen, het zou wellicht ook zo uitdraaien - dat besef. En dat besef gaat natuurlijk samen met het besef dat je zelf daadwerkelijk zo’n amateur kan zijn, mocht je dat willen. En dát, ja, vooral dát, is natuurlijk een opwindende gedachte.
Terug naar mijn vriend en zijn encyclopedische kennis van alles dat van ver of van dichtbij met de adult industry te maken heeft. Het nadeel van zoveel porno kijken, zegt hij, is dat je zelf gaat stressen om buitengewoon te presteren in bed. Omdat je alle lichamelijke mogelijkheden tot in den treure hebt bestudeerd en alle standjes vanbuiten kent, wil je, als je dan zelf seks hebt, graag gaan ‘where no man has ever gone before’. En waar begin je dan? Je zoekt het best niet te ver, aldus mijn vriend. En hij kan het weten, want sinds hij geen vaste vriendin meer heeft, zoekt hij vooral via Tinder contact met vrouwen en wanneer zo’n date op seks uitdraait, mocht hij al vaststellen dat zijn date hem gedegouteerd de deur wees omdat hij met een standje op de proppen kwam waar zij absoluut geen oren naar had (in de meeste gevallen omdat ze het standje in kwestie niet kende, aldus mijn kameraad). Maar intussen zit mijn vriend wel met een klein probleempje, want onlangs ondervond hij dat een zoveelste Tinderdate (voorlopig zijn laatste) uitsluitend met hem had willen afspreken om ‘te zien of het wáár was’. Bleek dat het 'nieuws’ de ronde had gedaan in de ‘vrouwelijke Tindercommunity’ en dat iedereen in de wijde omtrek op de hoogte is van zijn vreemde voorstellen en ‘vieze voorkeuren’.
Ja, dat is nogal gênant...
Ik heb in een oprechte poging om hem te helpen geopperd dat hij eens met een psycholoog zou kunnen gaan praten. Misschien heeft zijn overmatige pornoconsumptie ervoor gezorgd dat hij niet meer weet wat wél en wat níét acceptabel is als je via Tinder een fuckdate aangaat.
[Hier aanbeland wilde ik nog één afsluitende zin schrijven, maar ik botste geheel onvoorzien op de ijzeren wil van de zelfcensuur. Geen laatste zin dus. x]
Ik moest mijn vriend bekennen dat ik behalve April O’neil (en Sasha Grey, natuurlijk) geen enkele pornoactrice bij naam ken. De ‘categorie’ waar ik immers het merendeel van de tijd naar kijk, is ‘amateur’ en amateurs hebben geen naam noch spelen ze mee in, in Californië gedraaide, groots opgezette pornoproducties. Amateurs doen het meestal thuis, in hun smoezelige Russische of Tsjechische slaapkamer, met een waardeloze low quality-camera. Maar dat laatste is ook wel net de charme ervan. Ze wíllen wel, die amateurs, ze willen echt dat het goed is, maar ze hebben de middelen niet. De stunteligheid van hun onderneming maakt het allemaal wat aandoenlijk. En ik denk dat het precies die aandoenlijkheid is (die herkenbaarheid in zekere zin) waar zoveel mensen geil van worden. Mocht je het zelf proberen, het zou wellicht ook zo uitdraaien - dat besef. En dat besef gaat natuurlijk samen met het besef dat je zelf daadwerkelijk zo’n amateur kan zijn, mocht je dat willen. En dát, ja, vooral dát, is natuurlijk een opwindende gedachte.
Terug naar mijn vriend en zijn encyclopedische kennis van alles dat van ver of van dichtbij met de adult industry te maken heeft. Het nadeel van zoveel porno kijken, zegt hij, is dat je zelf gaat stressen om buitengewoon te presteren in bed. Omdat je alle lichamelijke mogelijkheden tot in den treure hebt bestudeerd en alle standjes vanbuiten kent, wil je, als je dan zelf seks hebt, graag gaan ‘where no man has ever gone before’. En waar begin je dan? Je zoekt het best niet te ver, aldus mijn vriend. En hij kan het weten, want sinds hij geen vaste vriendin meer heeft, zoekt hij vooral via Tinder contact met vrouwen en wanneer zo’n date op seks uitdraait, mocht hij al vaststellen dat zijn date hem gedegouteerd de deur wees omdat hij met een standje op de proppen kwam waar zij absoluut geen oren naar had (in de meeste gevallen omdat ze het standje in kwestie niet kende, aldus mijn kameraad). Maar intussen zit mijn vriend wel met een klein probleempje, want onlangs ondervond hij dat een zoveelste Tinderdate (voorlopig zijn laatste) uitsluitend met hem had willen afspreken om ‘te zien of het wáár was’. Bleek dat het 'nieuws’ de ronde had gedaan in de ‘vrouwelijke Tindercommunity’ en dat iedereen in de wijde omtrek op de hoogte is van zijn vreemde voorstellen en ‘vieze voorkeuren’.
Ja, dat is nogal gênant...
Ik heb in een oprechte poging om hem te helpen geopperd dat hij eens met een psycholoog zou kunnen gaan praten. Misschien heeft zijn overmatige pornoconsumptie ervoor gezorgd dat hij niet meer weet wat wél en wat níét acceptabel is als je via Tinder een fuckdate aangaat.
[Hier aanbeland wilde ik nog één afsluitende zin schrijven, maar ik botste geheel onvoorzien op de ijzeren wil van de zelfcensuur. Geen laatste zin dus. x]
maandag 12 februari 2018
Afspreken met prostituees
Sinds hij weet dat ik soms met prostituees afspreek, wil hij niks meer met mij te maken hebben. Een hypocriete houding, als je het mij vraagt, want zelf loopt hij zo geil als een otter, is hij totaal wanhopig over zijn kansen op de relatiemarkt en ik verdenk hem er van dat hij stiekem jaloers is dat ik hem voor ben geweest, met naar de hoeren te gaan. Ik zou hem willen zeggen dat hij niet flauw moet doen en dat hij gewoon moet aanvaarden dat ook hij zal moeten betalen als hij vandaag of morgen zin heeft in seks. Dat hij zich daar bij neer moet leggen, dat het zelfs niet erg is. Sommige mannen (laat ik voor de mannen spreken) komen (in deze tijd) nu eenmaal niet meer aan een relatie. Het is te moeilijk. Vooral te vernederend. Maar eens je dat hebt aanvaard, valt er een last van je schouders. Datingsites, daar maandelijks geld voor betalen, persoonlijke berichten versturen die steevast onbeantwoord blijven, het is pijnlijk, erg pijnlijk. Je fret er je kas van op, het sloopt je. Al die vrouwen met hun identieke interesses en ‘passies’ - waarom daar op inzetten als je al afknapt op het concept? Met hun blauwe of hun bruine ogen. Hoe ze allemaal heel graag op reis gaan en hoe geen van hen al weet of ze kinderen wil. Met hun meter zestig en hun ‘volslanke’ lijf. De dutskes die je er op basis van hun profielfoto zo uitfiltert. De lekkere wijven bij wie je van je leven geen kans maakt. Al de rest, zo saai, zo middelmatig en zo alleen. Dat zou niet mogen zijn, nee, maar het hoeft ook niet te verbazen dat het wél zo is. De liefdesindustrie is er een geworden van optellen en - haha - aftrekken. Het is er een van turven. Hoeveel gemeenschappelijke interesses heb ik met die vrouw en hoeveel breekpunten zijn er? Bruine ogen? Valt af. Ik verkies blauwe. Volslank? Skipperdeskip. West-Vlaams? Next.
Niks voor mij, die onlinedatingbusiness. De liefde, misschien ooit, wie weet. Maar ik zou er geen eed op doen. Met seks is het echter helemaal anders. Net als bij datingsites betaal je ervoor, maar je weet tenminste zeker dat je iets terugkrijgt voor je geld. Akkoord, het is misschien niet die manier van contact waar je echt naar op zoek bent, maar de spanning die door je lijf giert als je naar haar studiootje rijdt, die maakt het op zich al de moeite. Dat ze vervolgens niet meer dan het minimum doet, daar ben je op voorbereid, dat geeft niet echt. Het is het feit dat het kán, seks hebben, dat geruststellend is. En ja, dan betaal je er maar voor.
Het zou jammer zijn mocht het onderwerp taboe blijven. Het zou al helemaal zonde zijn als mensen om die reden niet meer met je zouden willen praten. Maar oh, kijk nu! Nu sms’t hij me net om te zeggen dat het hem spijt en dat hij het zelf heeft geprobeerd. Dat ik gelijk had toen ik zei dat het oké is. Dat hij er geen gewoonte van gaat maken, maar dat hij blij is dat hij weet dat het kán. ‘Goed zo’, antwoord ik. 'En doe er vooral je voordeel mee.'
Niks voor mij, die onlinedatingbusiness. De liefde, misschien ooit, wie weet. Maar ik zou er geen eed op doen. Met seks is het echter helemaal anders. Net als bij datingsites betaal je ervoor, maar je weet tenminste zeker dat je iets terugkrijgt voor je geld. Akkoord, het is misschien niet die manier van contact waar je echt naar op zoek bent, maar de spanning die door je lijf giert als je naar haar studiootje rijdt, die maakt het op zich al de moeite. Dat ze vervolgens niet meer dan het minimum doet, daar ben je op voorbereid, dat geeft niet echt. Het is het feit dat het kán, seks hebben, dat geruststellend is. En ja, dan betaal je er maar voor.
Het zou jammer zijn mocht het onderwerp taboe blijven. Het zou al helemaal zonde zijn als mensen om die reden niet meer met je zouden willen praten. Maar oh, kijk nu! Nu sms’t hij me net om te zeggen dat het hem spijt en dat hij het zelf heeft geprobeerd. Dat ik gelijk had toen ik zei dat het oké is. Dat hij er geen gewoonte van gaat maken, maar dat hij blij is dat hij weet dat het kán. ‘Goed zo’, antwoord ik. 'En doe er vooral je voordeel mee.'
zondag 11 februari 2018
1,7
‘Vandaag zijn er in België bijna vier volwassenen (18 tot 66 jaar) voor elke 67-plusser. Tegen 2060 staan er nog maar 2,5 volwassenen in voor één Belg boven de 67.’ (uit het artikel ‘”Godzijdank krijgen vrouwen minder kinderen”’ in De Standaard van 6 januari 2018)
2,5 volwassenen voor één bejaarde. Wooow. Hoe zal dát er uitzien? Eventjes was ik in paniek, toen ik dat las, omdat ik als dertiger helemaal niet wil wonen in een land vol oude mensen, tot ik me natuurlijk bedacht dat ik in 2060 zelf al 73 ben.
73. Ik kan me er niks bij voorstellen. En dat ik dan bijna uitsluitend mensen van diezelfde leeftijd rond mij zal zien. Ik neem aan dat ik verzorgd zal worden door goedkope werkkrachten uit Afrikaanse of Arabische landen. Misschien zullen matig geïntegreerde vluchtelingen van de zesde generatie mijn pampers verversen. Of hebben de robots die klusjes tegen dan van de mens overgenomen? Goh, nu heb ik meteen zin om eventjes naar 2060 door te flitsen.
In 2060 zullen er tevens 7,4 miljoen Vlamingen zijn. Dat zijn er 900.000 meer dan op dit moment. Waar gaan we die allemaal parkeren? Parkeren als in: huisvesten. Maar ook letterlijk: waar gaan die mensen in godsnaam een parkeerplaats vinden? Dat is nu al zo moeilijk!
In 2100 - ik ben dan 113 jaar - zullen we met 11 miljard zijn op de aarde. Miljarden mondmaskertjes stel ik me daarbij voor. Om natuur te zien, zullen we dan naar de zoo moeten, zegt de huidige Vlaamse Bouwmeester. In de publieke ruimte te Vlaanderen zal geen natuur meer te vinden zijn. Ik hoop dat ik het toch zeker tot 2070 uitzing om daar nog iets van mee te krijgen.
Een Vlaamse vrouw krijgt tegenwoordig gemiddeld 1,7 kinderen. Het gemiddeld aantal bedrijfswagens dat een vrouw krijgt ligt waarschijnlijk iets minder hoog, maar daarvan ken ik de cijfers niet.
Gemiddeld 1,7 kinderen, da’s niet slecht, maar dat cijfer moet nog omlaag. Zelf stel ik in dat verband voor dat mensen die kinderloos blijven een maandelijkse premie krijgen van minimum 500 euro. Daar zou ik dan iets leuks mee kunnen doen. Misschien zal het in de toekomst een bom geld gaan kosten om een boswandeling te kunnen maken. Dan kan ik die 500 euro dus goed gebruiken.
De zoon van de Vlaamse Bouwmeester wil geen kinderen “omdat het zo slecht gaat met de wereld”. Hoezo, slecht? Qua milieuvervuiling en overbevolking, misschien? Geen antwoord daarop in het artikel. Persoonlijk wil ik geen kinderen omdat ik bang ben voor zoveel verantwoordelijkheid en omdat ik veel te graag het soort leven leid dat ik nu leid. Mijn leven staat immers helemaal in het teken van mezelf en niet in dat van een om een K3-brooddoos jengelende kleuter.
Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw ligt in het Afrikaanse land Niger overigens niet op 1,7 maar op een duizelingwekkende 7,4, of zelfs op 7,6. Uit onderzoek blijkt dat Nigerese vrouwen graag nog meer kinderen zouden willen. Negen, bijvoorbeeld. Of elf (zodat ze een voetbalploeg kunnen opstellen). Te weten dat de regio rond Niger (Libië, e.a., de ‘vluchtelingenroute’) niet de meest veilige is, mogen we ons, volgens mij, aan Nigerezen verwachten in Europa. Tot nu zijn er daar bij mijn weten niet veel van bij ons. Maar dat gaat dus veranderen. Tegen 2070 zijn er evenveel Nigerezen in Europa als er Belgen zijn. Dat ik het u zeg.
Spannende tijden, kortom. Dat ik u dát ook zeg.
2,5 volwassenen voor één bejaarde. Wooow. Hoe zal dát er uitzien? Eventjes was ik in paniek, toen ik dat las, omdat ik als dertiger helemaal niet wil wonen in een land vol oude mensen, tot ik me natuurlijk bedacht dat ik in 2060 zelf al 73 ben.
73. Ik kan me er niks bij voorstellen. En dat ik dan bijna uitsluitend mensen van diezelfde leeftijd rond mij zal zien. Ik neem aan dat ik verzorgd zal worden door goedkope werkkrachten uit Afrikaanse of Arabische landen. Misschien zullen matig geïntegreerde vluchtelingen van de zesde generatie mijn pampers verversen. Of hebben de robots die klusjes tegen dan van de mens overgenomen? Goh, nu heb ik meteen zin om eventjes naar 2060 door te flitsen.
In 2060 zullen er tevens 7,4 miljoen Vlamingen zijn. Dat zijn er 900.000 meer dan op dit moment. Waar gaan we die allemaal parkeren? Parkeren als in: huisvesten. Maar ook letterlijk: waar gaan die mensen in godsnaam een parkeerplaats vinden? Dat is nu al zo moeilijk!
In 2100 - ik ben dan 113 jaar - zullen we met 11 miljard zijn op de aarde. Miljarden mondmaskertjes stel ik me daarbij voor. Om natuur te zien, zullen we dan naar de zoo moeten, zegt de huidige Vlaamse Bouwmeester. In de publieke ruimte te Vlaanderen zal geen natuur meer te vinden zijn. Ik hoop dat ik het toch zeker tot 2070 uitzing om daar nog iets van mee te krijgen.
Een Vlaamse vrouw krijgt tegenwoordig gemiddeld 1,7 kinderen. Het gemiddeld aantal bedrijfswagens dat een vrouw krijgt ligt waarschijnlijk iets minder hoog, maar daarvan ken ik de cijfers niet.
Gemiddeld 1,7 kinderen, da’s niet slecht, maar dat cijfer moet nog omlaag. Zelf stel ik in dat verband voor dat mensen die kinderloos blijven een maandelijkse premie krijgen van minimum 500 euro. Daar zou ik dan iets leuks mee kunnen doen. Misschien zal het in de toekomst een bom geld gaan kosten om een boswandeling te kunnen maken. Dan kan ik die 500 euro dus goed gebruiken.
De zoon van de Vlaamse Bouwmeester wil geen kinderen “omdat het zo slecht gaat met de wereld”. Hoezo, slecht? Qua milieuvervuiling en overbevolking, misschien? Geen antwoord daarop in het artikel. Persoonlijk wil ik geen kinderen omdat ik bang ben voor zoveel verantwoordelijkheid en omdat ik veel te graag het soort leven leid dat ik nu leid. Mijn leven staat immers helemaal in het teken van mezelf en niet in dat van een om een K3-brooddoos jengelende kleuter.
Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw ligt in het Afrikaanse land Niger overigens niet op 1,7 maar op een duizelingwekkende 7,4, of zelfs op 7,6. Uit onderzoek blijkt dat Nigerese vrouwen graag nog meer kinderen zouden willen. Negen, bijvoorbeeld. Of elf (zodat ze een voetbalploeg kunnen opstellen). Te weten dat de regio rond Niger (Libië, e.a., de ‘vluchtelingenroute’) niet de meest veilige is, mogen we ons, volgens mij, aan Nigerezen verwachten in Europa. Tot nu zijn er daar bij mijn weten niet veel van bij ons. Maar dat gaat dus veranderen. Tegen 2070 zijn er evenveel Nigerezen in Europa als er Belgen zijn. Dat ik het u zeg.
Spannende tijden, kortom. Dat ik u dát ook zeg.
zaterdag 10 februari 2018
Handicap op relatiemarkt
Ik kan me heel goed voorstellen dat je als kinderloze single van begin vijftig wel even nadenkt voor je een relatie aangaat met iemand die een zeer slecht contact heeft met zijn volwassen kinderen. Je leert elkaar kennen, verneemt al gauw dat je ‘match’ kinderen heeft, maar komt verder heel weinig over die kinderen te weten en je krijgt ze al helemaal niet te zien. Je wil graag die kinderen, die trouwens al een hele tijd volwassen mannen zijn, ontmoeten, maar dat lijkt niet zo voor de hand liggend. Hoe dat komt, wil je van je nieuwe partner weten - je denkt je nieuwe partner (nog) beter te kunnen leren kennen als je zijn kinderen ontmoet, - helaas beantwoordt je partner die vraag ontwijkend. Zo kom je geen stap verder. Zit die relatie tussen vader en kinderen soms niet goed? Dat is geen prettig nieuws.
Een eerste ontmoeting met een van zijn zonen verloopt stroef. De zoon lijkt niet erg geïnteresseerd in een kennismaking, het lijkt wel alsof het doen en laten van zijn vader hem weinig kan schelen. Hoewel het zeker drie maanden geleden is dat hij zijn vader nog heeft gezien, is er van een hartelijke begroeting alvast geen sprake. De vader, je nieuwe partner, lijkt nochtans wel te willen, maar de lichaamstaal van de zoon verraadt dat het voor hem niet hoeft. Een echt gesprek komt niet op gang ook al doe je daartoe zelf een poging. Je vertelt de zoon dat je al veel over hem hebt gehoord en vraagt of het waar is dat hij zoveel bezig is met zijn hobby. Je doet je best, maar de zoon toont zich stug en zegt geen woord teveel, blijft onverstoorbaar lezen in een tijdschrift. Die eerste ontmoeting is voorbij voor je het weet en je nieuwe partner lijkt er niet vrolijk van te zijn geworden om zijn kind terug te zien.
Enkele weken later vindt er een nieuwe ontmoeting plaats, die wederom geen fijn verloop kent. Opnieuw merk je de stugge houding van de zoon op. Je nieuwe partner die wel wil, maar al bij al ook geen overdreven belangstelling toont voor zijn kind. Je stelt de zoon wat vragen en krijgt slechts korte, obligate antwoorden terug. Bij deze tweede gelegenheid valt dat je toch wel erg tegen. Je spreekt er je partner over aan. Diens vage antwoord vind je ontoereikend. Hoe zit dat nu tussen vader en zoon? En waar is die ándere zoon eigenlijk? Die heb je nu nog steeds niet ontmoet.
Er volgt een derde ontmoeting waaraan voorafgaand je hebt beslist om enkele kwesties aan te kaarten. Je zal de zoon met zoveel woorden vragen wat er nu eigenlijk aan de hand is. Die korte antwoorden, die weinig enthousiaste, weinig welwillende houding, die schijnbare onverschilligheid die je tijdens vorige ontmoetingen hebt vastgesteld - hoe zit dat nu precies? Je zal hem vertellen dat hij zijn vader verdriet aandoet, dat zijn vader hem graag ziet, maar niet het gevoel heeft dat dat gevoel wederzijds is. Je zal hem vertellen hoe jammer je dat zelf vindt. Je zal de zoon vertellen dat hij blij mag zijn met zo’n zorgzame en betrokken vader.
Dat zijn de dingen die je al in de eerste minuut van de ontmoeting ter sprake brengt. Je toon is wat beschuldigend, maar daar sta je niet bij stil. Je schrikt wanneer de zoon op tafel klopt en aankondigt dat hij “dan maar eens zal zeggen waar het op staat”. Je luistert meer dan een halfuur naar een ‘versie van de feiten’ die je nog niet eerder hebt gehoord. Je had de woorden van je nieuwe partner voor waar aangenomen, je had er niet eens bij stilgestaan dat er misschien ook zoiets bestond als ‘een andere versie van de feiten’. Je bent van slag, maar luistert aandachtig naar wat de zoon te vertellen heeft. Dit had je niet vermoed. Die andere versie van de feiten plaatst een en ander toch in een ander licht. Je vraagt je af of je betrokken wil raken bij een moeilijke vader-zoonrelatie die bovendien in een definitieve padstelling lijkt te zijn beland. Wil je een partner die gebukt gaat onder het slechte contact met zijn kinderen? Want ja, hoe zit dat nu eigenlijk met dat ándere kind. Dat heb je nu nog stééds niet ontmoet en het beantwoordt zelfs de sms’en van zijn vader niet.
Een eerste ontmoeting met een van zijn zonen verloopt stroef. De zoon lijkt niet erg geïnteresseerd in een kennismaking, het lijkt wel alsof het doen en laten van zijn vader hem weinig kan schelen. Hoewel het zeker drie maanden geleden is dat hij zijn vader nog heeft gezien, is er van een hartelijke begroeting alvast geen sprake. De vader, je nieuwe partner, lijkt nochtans wel te willen, maar de lichaamstaal van de zoon verraadt dat het voor hem niet hoeft. Een echt gesprek komt niet op gang ook al doe je daartoe zelf een poging. Je vertelt de zoon dat je al veel over hem hebt gehoord en vraagt of het waar is dat hij zoveel bezig is met zijn hobby. Je doet je best, maar de zoon toont zich stug en zegt geen woord teveel, blijft onverstoorbaar lezen in een tijdschrift. Die eerste ontmoeting is voorbij voor je het weet en je nieuwe partner lijkt er niet vrolijk van te zijn geworden om zijn kind terug te zien.
Enkele weken later vindt er een nieuwe ontmoeting plaats, die wederom geen fijn verloop kent. Opnieuw merk je de stugge houding van de zoon op. Je nieuwe partner die wel wil, maar al bij al ook geen overdreven belangstelling toont voor zijn kind. Je stelt de zoon wat vragen en krijgt slechts korte, obligate antwoorden terug. Bij deze tweede gelegenheid valt dat je toch wel erg tegen. Je spreekt er je partner over aan. Diens vage antwoord vind je ontoereikend. Hoe zit dat nu tussen vader en zoon? En waar is die ándere zoon eigenlijk? Die heb je nu nog steeds niet ontmoet.
Er volgt een derde ontmoeting waaraan voorafgaand je hebt beslist om enkele kwesties aan te kaarten. Je zal de zoon met zoveel woorden vragen wat er nu eigenlijk aan de hand is. Die korte antwoorden, die weinig enthousiaste, weinig welwillende houding, die schijnbare onverschilligheid die je tijdens vorige ontmoetingen hebt vastgesteld - hoe zit dat nu precies? Je zal hem vertellen dat hij zijn vader verdriet aandoet, dat zijn vader hem graag ziet, maar niet het gevoel heeft dat dat gevoel wederzijds is. Je zal hem vertellen hoe jammer je dat zelf vindt. Je zal de zoon vertellen dat hij blij mag zijn met zo’n zorgzame en betrokken vader.
Dat zijn de dingen die je al in de eerste minuut van de ontmoeting ter sprake brengt. Je toon is wat beschuldigend, maar daar sta je niet bij stil. Je schrikt wanneer de zoon op tafel klopt en aankondigt dat hij “dan maar eens zal zeggen waar het op staat”. Je luistert meer dan een halfuur naar een ‘versie van de feiten’ die je nog niet eerder hebt gehoord. Je had de woorden van je nieuwe partner voor waar aangenomen, je had er niet eens bij stilgestaan dat er misschien ook zoiets bestond als ‘een andere versie van de feiten’. Je bent van slag, maar luistert aandachtig naar wat de zoon te vertellen heeft. Dit had je niet vermoed. Die andere versie van de feiten plaatst een en ander toch in een ander licht. Je vraagt je af of je betrokken wil raken bij een moeilijke vader-zoonrelatie die bovendien in een definitieve padstelling lijkt te zijn beland. Wil je een partner die gebukt gaat onder het slechte contact met zijn kinderen? Want ja, hoe zit dat nu eigenlijk met dat ándere kind. Dat heb je nu nog stééds niet ontmoet en het beantwoordt zelfs de sms’en van zijn vader niet.
*
Een gescheiden ouder die een slecht contact heeft met zijn kinderen arriveert met een handicap op de relatiemarkt. Het is geen reclame voor jezelf wanneer je moet toegeven dat je nauwelijks weet wat voor leven je volwassen kinderen leiden, dat je niet weet wat hun bezigheden of interesses zijn en dat je hen hooguit vijf keer per jaar ziet, ontmoetingen die dan nog eerder stroef en weinig hartelijk verlopen. Je vertelt je ‘match’ over je kinderen en hoe graag je hen ziet, maar als ze je vraagt wanneer je je kinderen aan haar voorstelt, kom je niet verder dan een vaag “binnenkort”. Je match blijft er in de weken erop naar vragen, maar er wordt geen afspraak met de kinderen vastgelegd. Zelf laten de kinderen nooit van zich horen.
Je match gaat nadenken. Wat voor vlees heeft ze in de kuip? Voorlopig ziet ze het nog wat aan. Maar voor hoe lang?
Je match gaat nadenken. Wat voor vlees heeft ze in de kuip? Voorlopig ziet ze het nog wat aan. Maar voor hoe lang?
vrijdag 9 februari 2018
Byung-Chul Han: 'De vermoeide samenleving
In het vorig jaar verschenen Rekto:versonummer over Underground las ik een ‘mislukt gesprek’ met de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han (de link naar dat artikel postte ik hier een dag of tien geleden). Meneer Han had zich tijdens het interview-dat-geen-interview-werd zeer vervelend gedragen en had geen enkele vraag ernstig willen beantwoorden. ‘Underground’ vond hij een belachelijke term, en of de journaliste alstublieft haar opnameapparatuur kon opbergen, danku.
Wat een ambetanterik, was mijn logische conclusie, en dat ik eens iets van die vent moest lezen, dat ook.
Zijn bekendste werk zou ‘De transparante samenleving’ zijn, waarin hij o.a. schijnt te stellen dat undergroundcultuur niet meer kan bestaan in Googletijden. Alles is immers op te sporen mits enkele goedgekozen zoektermen. Ik heb ‘De transparante samenleving’ uit de bib ontleend, net als zijn ‘De vermoeide samenleving’, en dat laatste boekje (het telt 61 pagina’s, eindnoten inbegrepen) heb ik inmiddels uit. Ik neem even de tekst van de achterflap over:
“Ieder tijdperk heeft zijn ziekten. De 21ste eeuw staat in het teken van neuro-aandoeningen: depressie, ADHD, borderline en burn-out. Voor infecties hoeven we dankzij de medische wetenschap niet meer bang te zijn. Het pathologische landschap van onze tijd wordt bepaald door infarcten, die niet door negativiteit (het afweren van het vreemde) ontstaan, maar juist door een overmaat aan positiviteit. De 21ste eeuwse persoonlijkheid bezwijkt aan oververhitting, ontstaan door een teveel aan het gelijke.” (..) “Deze cultuurkritische en filosofische stelling legt de vinger op de zere plek en laat zien hoe we disciplinering van Foucault ontgroeid zijn, en te maken krijgen met de keerzijden van de prestatiemaatschappij. We hebben een overmaat aan prikkels, informatie en impulsen: we weten alleen niet altijd hoe we daarmee om moeten gaan.”
(Wat nu volgt is een zéér gebrekkige en onvolledige interpretatie van wat ik uit het boekje onthoud (ik vond het niet altijd even gemakkelijk om alles volledig te begrijpen, ik ben geen erg knappe kop). Ga er dus niet van uit dat wat volgt allemaal even juist is.)
Een term die in dit boekje vaak ter sprake komt is ‘prestatiemaatschappij’. Deze prestatiemaatschappij heeft de ‘commandomaatschappij’ opgevolgd. Naar men kan aannemen leven we inmiddels al enkele tientallen jaren in een prestatiemaatschappij, maar deze ‘versnelt’ enorm sinds het begin van de, digitale, 21ste eeuw, waarin richtinggevende elementen op losse schroeven komen te staan.
Wat wordt er trouwens bedoeld met ‘prestatie’? Misschien eerst de vraag beantwoorden wat er met ‘commando’ bedoeld wordt. De commandomaatschappij was er een waarin richtlijnen golden en waarin men moest opereren binnen door gezaghebbers afgebakende krijtlijnen. Dit zorgde voor duidelijkheid bij ‘het volk’, maar ook voor frustratie en agressie. In de commandosamenleving heerste er strijd, er was iets om je tegen te verzetten. Dissidenten werden opgesloten, ze kwamen terecht in de gevangenis of in het gekkenhuis. Ziektes in de commandosamenleving waren van virale aard. Intussen, echter, zijn deze ziektes te genezen en hebben wij een zeker immuunsysteem opgebouwd tegen het negatieve, tegen datgene waarmee wij ‘strijden’.
Enter: de prestatiemaatschappij. Waren wij in de commandosamenleving nog ondergeschikte subjecten (van onze overste of van God), dan zijn we nu de ‘ondernemer van ons eigen ik’. Dit lijkt heel erg ‘positief’; veel té positief zelfs, oordeelt Byung-Chul Han. Waartegen kunnen wij ons immers nog écht verzetten in een wereld waarin we onze identiteit helemaal zelf vorm kunnen geven, los van God (want die is weg) of commanderende oversten? In deze maatschappij van gelijken gaan we ervan uit dat niets onmogelijk is, zegt Han, en mensen die in die wetenschap moeten vaststellen dat voor hen iets ‘niet mogelijk’ is, vooral dan gevoelsmatig, kunnen in een depressie of een burn-out terechtkomen. Als ondernemer van hun eigen ik hebben zij gefaald en hoe kunnen ze dat aan zichzelf uitleggen? Dat je het gevoel hebt dat je tekort schiet, dat je ‘het niet aankan’, dat je minderwaardig bent (uiteraard allemaal in vergelijking met ‘de ander’)?
Omdat we de ondernemer van ons ik zijn, zijn we ‘hyper’ geworden. We kunnen niet meer tot stilstand komen, kunnen niet stoppen met ‘werken aan onszelf’. Wie ‘botst’ is ‘niet normaal’ en lijdt aan ADHD, aan borderline, aan een depressie, een burn-out of is bipolair.
Omdat we voortdurend (aan onszelf) moeten werken (‘presteren’) en nooit (mogen) stilstaan, kunnen we ook nauwelijks nog helder denken (‘contempleren’). We verliezen het overzicht. We doen alles half en half, niets grondig. We multitasken. Han noemt dit onvermogen tot concentratie en stilstand een achteruitgang in de menselijke evolutie. “De waarneming wordt gefragmenteerd en versnipperd. Ook de groeiende werkdruk maakt een speciale techniek van tijds- en aandachtsbesteding noodzakelijk, en die werkt op zijn beurt weer door in de structuur van de aandacht. Multitasking als techniek van tijds- en aandachtsbesteding is echter geen stap vooruit in de beschaving. Het is geen vermogen dat alleen zou zijn weggelegd voor de mens in de laatmoderne samenleving van informatiewerkers. Het gaat hier veeleer om een regressie: multitasking is nu juist het specifieke vermogen van wilde dieren in het open veld. Het is een aandachtstechniek die onmisbaar is voor het overleven in de wildernis.“
Ik geloof dat dit klopt. We overleven, meer dan we leven. Van multitasking gaat een soort wanhoop uit. ‘Ik krijg het niet rond, het lukt mij niet, ik vind geen tijd.’ En het gekke is: we zijn daar nog trots op ook. Multitasken, het druk hebben in het algemeen is in onze samenleving iets om mee uit te pakken. Het zou erop wijzen dat je een interessant leven hebt met non-stop activiteit. Lijkt mij vooral vermoeiend. Ik maak er net een punt van om veel vrije tijd te hebben.
Aansluitend en ook interessant: “De culturele prestaties van de mensheid, waaronder ook de filosofie, hebben wij te danken aan een intensieve, contemplatieve aandacht. Cultuur heeft een omgeving nodig waarin zo’n intensieve aandacht mogelijk is. Maar dit type aandacht worst steeds verder teruggedrongen door een heel andere vorm van aandacht, de hyperaandacht. Een snelle focuswisseling tussen verschillende taken, informatiebronnen en processen kenmerkt deze versnipperde aandacht. Doordat ze ook nauwelijks enige tolerantie kan opbrengen voor verveling, staat ze al evenmin de intensieve verveling toe die van belang is voor het creatieve proces. (...) Als de ontspanning verdwijnt, verliezen we de ‘gave om te luisteren’ en verdwijnt ook de ‘gemeenschap van de luisteraars’. Diametraal daartegenover staat onze bedrijvige prestatiesamenleving. De ‘gave om te luisteren’ berust nu juist op de intensieve, contemplatieve aandacht waartoe het hyperactieve ego niet in staat is.”
De leidende hand van God mag trouwens zo goed als verdwenen zijn in de prestatiemaatschappij (we zijn nu immers zélf een beetje God), diegenen die denken dat er geen religie meer is, dwalen. Wij geloven immers heilig in het belang van gezondheid en zullen elk offer brengen om gezond te zijn en te blijven. Daar gaan we heel ver in en voor zij die niet maximaal naar gezondheid streven, zijn we hard. Deze mensen kunnen niet rekenen op onze sympathie.
Dit zijn enkele ideeën die in dit boekje naar voor komen, maar ik herhaal dat ik zeer onvolledig ben geweest. Ik denk trouwens niet dat dit boekje bedoeld is als een onbaatzuchtig ‘pleidooi’ voor wat dan ook (daarvoor lijkt meneer Han me al te zeer een zelfingenomen egotripper - hij maakt along the way op meewarige toon brandhout van bepaalde aannames van beroemde(re) collega-filosofen), maar dat er een aantal waarheden staan in ‘De vermoeide samenleving’ valt niet te ontkennen. Tot stilstand komen (om rustig na te denken) is inderdaad enorm belangrijk. Uit de ratrace stappen, niet ‘hyper’ worden om even later tegen je limieten aan te botsen met moderne ziektebeelden als burn-out en depressie tot gevolg - het is allemaal zeer juist. Stap niet mee in een prestatiesamenleving enkel en alleen omdat iedereen rond je dat lijkt te doen. Denk na, maak weloverwogen keuzes, ga na wat goed aanvoelt voor jou als individu en wat jou houvast kan bieden. Laat je niet leven en denk vooral niet dat multitasking en druk-druk-druk ‘interessant’ is. Kom tot rust en bezin. Ik wist dat natuurlijk al allemaal, maar het is oké dat meneer Han nog eens wijst op het grote belang van dit alles. (Dit boekje, uit 2010, wordt op de achterflap trouwens een ‘controversiële bestseller’ genoemd.)
En nu ‘De transparante samenleving’ lezen. Met zijn 94 pagina’s (inclusief eindnoten) wordt dat een taaie brok.
woensdag 7 februari 2018
Omdat hij niet onderbroken werd
Ik beluister via het Nederlandse ‘maatschappelijk debatplatform’ (ik probeer het een naam te geven) Café Weltschmerz (te vinden op YouTube, Soundcloud en misschien ook elders) een gesprek tussen Teun Gautier en Xandra Schutte. De ene is ex-journalist van De Groene Amsterdammer, de ander is daar momenteel hoofdredacteur. Het gesprek heeft als thema ‘voorbij het eigen gelijk’ (De Groene Amsterdammer maakt rond dat thema een reeks) en er wordt gepraat over polarisatie, de vluchtigheid van nieuws, sociale media en al diezelfde dingen die steeds terugkeren in dit soort gesprekken.
Meneer Gautier interviewt mevrouw Schutte en plots valt me weer op wat me al zo vaak is opgevallen tijdens audio(visuele) interviews. De interviewer stelt een vraag en wanneer die niet meteen-meteen een antwoord krijgt, voelt hij de noodzaak om een zogezegde ‘leegte’, die létterlijk al na een halve seconde ontstaat, op te vullen met een resem (aanzetten tot) bijvragen.
In dit geval gaat het als volgt.
“Zie jij tegenbewegingen [voor de polarisatie die al dan niet door de media in de hand wordt gewerkt]?”
Omdat mevrouw Schutte meneer Gautier niet onmiddellijk in de rede valt - want zo gaat dat meestal in dit soort gesprekken, de facto is het onderbreken van vragen ongeveer de norm - voelt meneer Gautier zich kennelijk genoodzaakt om verder te gaan. En dan krijg je dit:
“Waar zijn, waar zijn...? Zie jij plekken..? Je hebt natuurlijk.. Nou, we hadden het natuurlijk over het generaliseren van de media, wat natuurlijk onterecht is, en de Groene vind ik daarin wel een andere rol spelen.. Zie jij, zie jij een ontwikkeling spelen in dit gegeven? Zie jij (..) [hij praat zo snel dat ik hem niet versta] die polarisatie versterkt worden of steeds zwaarder worden, of zie je ook wel een tegenbeweging ontstaan? Zie jij media, zie jij programma’s, zie jij uitgaves die toch weer neigen te zoeken naar een nuance, of, begrijp je? (..)
Hier onderbreekt mevrouw Schutte meneer Gautier. Eindelijk.
In vredesnaam, wat was hier aan de hand? Doe eens rustig, meneer Gautier. Ademen, rustig in- en uitademen. Je eerste vraag was toch duidelijk genoeg? Waarom dan al die incoherente bijvragen daarna? Omdat je niet meteen onderbroken werd?
Toch is er niks mis met meneer Gautier als persoon. Hij lijdt alleen maar aan dezelfde ziekte als tal van andere interviewers. Ze zijn het zo gewend om onderbroken te worden (of om zelf te onderbreken) dat ze zich een hoedje schrikken wanneer ze eens niet meteen in de rede worden gevallen. Vanuit die schrikreactie - “help, ik word niet onderbroken!” - slaan ze op hol en beginnen ze te ratelen tot ze dan uiteindelijk toch uit hun lijden worden verlost door de (toch nog een beetje) behulpzame interviewee in kwestie.
Het is echt een eigenaardig fenomeen: de interviewer die klaarblijkelijk niet weet wat hem overkomt wanneer zijn gesprekspartner hem niet halverwege zijn vraag afkapt. Maar zo frappant als bij deze passage uit het gesprek tussen meneer Gautier en mevrouw Schutte heb ik het zelden geweten.
Trouwens best een interessant gesprek voor het overige.
Meneer Gautier interviewt mevrouw Schutte en plots valt me weer op wat me al zo vaak is opgevallen tijdens audio(visuele) interviews. De interviewer stelt een vraag en wanneer die niet meteen-meteen een antwoord krijgt, voelt hij de noodzaak om een zogezegde ‘leegte’, die létterlijk al na een halve seconde ontstaat, op te vullen met een resem (aanzetten tot) bijvragen.
In dit geval gaat het als volgt.
“Zie jij tegenbewegingen [voor de polarisatie die al dan niet door de media in de hand wordt gewerkt]?”
Omdat mevrouw Schutte meneer Gautier niet onmiddellijk in de rede valt - want zo gaat dat meestal in dit soort gesprekken, de facto is het onderbreken van vragen ongeveer de norm - voelt meneer Gautier zich kennelijk genoodzaakt om verder te gaan. En dan krijg je dit:
“Waar zijn, waar zijn...? Zie jij plekken..? Je hebt natuurlijk.. Nou, we hadden het natuurlijk over het generaliseren van de media, wat natuurlijk onterecht is, en de Groene vind ik daarin wel een andere rol spelen.. Zie jij, zie jij een ontwikkeling spelen in dit gegeven? Zie jij (..) [hij praat zo snel dat ik hem niet versta] die polarisatie versterkt worden of steeds zwaarder worden, of zie je ook wel een tegenbeweging ontstaan? Zie jij media, zie jij programma’s, zie jij uitgaves die toch weer neigen te zoeken naar een nuance, of, begrijp je? (..)
Hier onderbreekt mevrouw Schutte meneer Gautier. Eindelijk.
In vredesnaam, wat was hier aan de hand? Doe eens rustig, meneer Gautier. Ademen, rustig in- en uitademen. Je eerste vraag was toch duidelijk genoeg? Waarom dan al die incoherente bijvragen daarna? Omdat je niet meteen onderbroken werd?
Toch is er niks mis met meneer Gautier als persoon. Hij lijdt alleen maar aan dezelfde ziekte als tal van andere interviewers. Ze zijn het zo gewend om onderbroken te worden (of om zelf te onderbreken) dat ze zich een hoedje schrikken wanneer ze eens niet meteen in de rede worden gevallen. Vanuit die schrikreactie - “help, ik word niet onderbroken!” - slaan ze op hol en beginnen ze te ratelen tot ze dan uiteindelijk toch uit hun lijden worden verlost door de (toch nog een beetje) behulpzame interviewee in kwestie.
Het is echt een eigenaardig fenomeen: de interviewer die klaarblijkelijk niet weet wat hem overkomt wanneer zijn gesprekspartner hem niet halverwege zijn vraag afkapt. Maar zo frappant als bij deze passage uit het gesprek tussen meneer Gautier en mevrouw Schutte heb ik het zelden geweten.
Trouwens best een interessant gesprek voor het overige.
zondag 4 februari 2018
"We zijn ervan af"
Waaraan een Soedanese vluchteling zich bijvoorbeeld kon verwachten wanneer hij door de Belgische samenwerking met het Soedanese regime werd teruggestuurd? Aan stokslagen. Drie uur aan een stuk.
Dat zegt althans Koert Debeuf, de directeur van het Tahrir Institute die bewijzen verzamelde en ervoor zorgde dat staatssecretaris Francken (eventjes) onder vuur kwam te liggen, in de Standaard van 30 december 2017. Francken is ‘naïef’ geweest, aldus Debeuf, toen hij besloot om samen te werken met het Soedanese regime.
“Ik wilde die samenwerking met Soedan laten stoppen. Dat is gelukt. Dat Theo Francken nu nog altijd onder vuur ligt, is niet mijn schuld, maar komt door hoe hij daarop gereageerd heeft. Ik heb niks tegen Francken, maar ik ken teveel mensen in gevangenissen van dictators. Ik heb het politieke geweld gezien in Egypte, ik heb gezien hoe van demonstranten de armen en benen gebroken werden. Ik heb vrienden die in Caïro naast een politiebureau woonden en elke nacht wakker werden door het geschreeuw van gemartelde gevangenen. Dat motiveert mij om te doen wat ik doe.”
Dus, nu gaat ge mij niet wijsmaken dat Francken niet weet dat bepaalde mensen die hij terugstuurt martelpraktijken te wachten staat. Die weet dat heel goed. Maar hij is ‘daarvoor niet verantwoordelijk’, ah nee. Hoe dan ook, Franckens aanhoudende “we zijn er vanaf”-retoriek is zonder meer misdadig in deze context (en sowieso totaal ongepast in elke andere context) en wij zouden dat als maatschappij niet mogen aanvaarden. Ik heb de indruk dat wij nauwelijks nog beseffen wat woorden betekenen, ingedut als we blijkbaar zijn. Door en door cynische, bijna kwaadaardige, mensen maken deel uit van onze federale regering en wij laten ons nauwelijks horen. Eigenlijk zou het niet eens overdreven zijn om in dit land (en op andere plaatsen in Europa) ‘een Tahrirke’ te doen. Alsof er hier niks gebeurt dat het in feite waard is om een plein te bezetten. En als we geen plein willen bezetten, stel ik voor dat de VRT dagelijks in primetime een kwartier stokslagen of andere martelpraktijken uitzendt. Volgens mij is het tijd om wakker te worden. Anders is het straks van “Wir haben es nicht gewusst”. En dat meen ik. Ons, ingedutte malcontenten, zou zoiets kunnen overkomen.
Dat zegt althans Koert Debeuf, de directeur van het Tahrir Institute die bewijzen verzamelde en ervoor zorgde dat staatssecretaris Francken (eventjes) onder vuur kwam te liggen, in de Standaard van 30 december 2017. Francken is ‘naïef’ geweest, aldus Debeuf, toen hij besloot om samen te werken met het Soedanese regime.
“Ik wilde die samenwerking met Soedan laten stoppen. Dat is gelukt. Dat Theo Francken nu nog altijd onder vuur ligt, is niet mijn schuld, maar komt door hoe hij daarop gereageerd heeft. Ik heb niks tegen Francken, maar ik ken teveel mensen in gevangenissen van dictators. Ik heb het politieke geweld gezien in Egypte, ik heb gezien hoe van demonstranten de armen en benen gebroken werden. Ik heb vrienden die in Caïro naast een politiebureau woonden en elke nacht wakker werden door het geschreeuw van gemartelde gevangenen. Dat motiveert mij om te doen wat ik doe.”
Dus, nu gaat ge mij niet wijsmaken dat Francken niet weet dat bepaalde mensen die hij terugstuurt martelpraktijken te wachten staat. Die weet dat heel goed. Maar hij is ‘daarvoor niet verantwoordelijk’, ah nee. Hoe dan ook, Franckens aanhoudende “we zijn er vanaf”-retoriek is zonder meer misdadig in deze context (en sowieso totaal ongepast in elke andere context) en wij zouden dat als maatschappij niet mogen aanvaarden. Ik heb de indruk dat wij nauwelijks nog beseffen wat woorden betekenen, ingedut als we blijkbaar zijn. Door en door cynische, bijna kwaadaardige, mensen maken deel uit van onze federale regering en wij laten ons nauwelijks horen. Eigenlijk zou het niet eens overdreven zijn om in dit land (en op andere plaatsen in Europa) ‘een Tahrirke’ te doen. Alsof er hier niks gebeurt dat het in feite waard is om een plein te bezetten. En als we geen plein willen bezetten, stel ik voor dat de VRT dagelijks in primetime een kwartier stokslagen of andere martelpraktijken uitzendt. Volgens mij is het tijd om wakker te worden. Anders is het straks van “Wir haben es nicht gewusst”. En dat meen ik. Ons, ingedutte malcontenten, zou zoiets kunnen overkomen.
vrijdag 2 februari 2018
Voor een plaats in de geschiedenis
Mijn vriend en ik waren het er altijd al over eens geweest dat De Wever doelbewust probeert om de bevolking schrik aan te jagen. Dat was zo klaar als een klontje, dat merkte je aan alles. Maar op de vraag waarom hij dat probeert, kwamen we niet tot een bevredigend antwoord. We onderzochten de belangen die hij zou kunnen hebben bij het bang maken van de mensen. Als hij erin zou slagen om ons nog banger te maken dan we al zijn, terwijl hij zichzelf zou kunnen opwerpen als de man die die angst kan wegnemen, dan zouden er nog meer van ons op hem en zijn partij stemmen. Maar, zo vroegen mijn vriend en ik ons af, De Wever en zijn partij zitten momenteel ook al stevig aan de knoppen, bij de vorige verkiezingen was de partij goed voor ongeveer 30% van de stemmen, veel groter dan de rest, en natuurlijk wil men daar graag nog een aantal procentjes bij doen, maar elke partij stuit ook ergens op haar limiet, en dat weet zo’n De Wever natuurlijk ook wel - is het hem dan misschien om die procentjes als dusdanig te doen? Kickt hij er op om van 30 naar 32 te gaan ? Zou hij het dáárom doen, een klimaat van angst aanwakkeren? Terwijl hij nochtans weet dat de verhoopte 50% echt wel buiten bereik zal blijven, tenzij er zich in de nabije toekomst iets waanzinnigs voordoet in ons land, Europa of de wereld? Alleszins, de theorie van de procentjes leek ons raar en onwaarschijnlijk. Hij heeft er al meer dan genoeg en hij voert al jaren zijn programma uit, dus.. Procenten zijn uiteindelijk ook maar procenten, en wat ben je trouwens met 50% van de stemmen als je de politieke polarisatie binnen een regio zodanig in de hand hebt gewerkt dat je een halve burgeroorlog riskeert bij een absolute meerderheid voor je partij?
Hij doet het dus niet voor de procenten, besloten we, maar waarvoor doet hij het dan wel? Waarom moeten wij zo nodig bang worden gemaakt, wat levert hem dat op? Hij creëert daarmee inderdaad het idee dat hij onze samenleving voor gevaar zal behoeden en dat wij hem nodig hebben in de strijd tegen het kwaad. De Wever als onze kopman, en wij die hem bij voorkeur blind vertrouwen. Macht dus, concludeerden mijn vriend en ik deze keer, opnieuw een beetje teleurgesteld. Het is hem puur om macht te doen. Wij waren wat ontgoocheld over die conclusie omdat we beiden niet begrepen waarom iemand zo zou kunnen kicken op zoiets primitief als macht. Het leek ons te banaal. Het streven naar macht moet een persoonlijkheidskenmerk zijn, gokten we, en gezien ons onbegrip maakte dat kenmerk kennelijk niet zo’n groot deel uit van onze eigen persoonlijkheid. We konden ons niet in de psyche van de machtsmens verplaatsen.
Maar goed, we zaten nu op de piste macht en die moest dan maar wat verder worden bewandeld. De Wever wil macht - méér macht, in feite, want hij heeft al veel macht - en hij zou er veel voor over hebben om zijn macht te bestendigen en haar zeker niet te zien krimpen. Macht is een complex gegeven en de machthebber in kwestie moet steeds oplettend blijven. Een beetje machtsmens weet immers dat er van alle kanten aan zijn poten wordt gezaagd, dat er steeds kapers op de kust zijn die zijn macht willen reduceren, die zijn macht zelfs willen overnemen. Macht is dan ook niet iets dat je gewoon probeert te consolideren, nee, dat is niet genoeg. Inherent aan macht is dat je ze moet uitbreiden, voor je eigen veiligheid. Het is de enige manier om ermee om te gaan.
Meer macht dus voor De Wever. Maar nog steeds de vraag: om er wát mee te doen? Om de heiland te kunnen zijn van een groep bange mensen? En wat dan? Wat daarna? Is dat dan de kick? Mijn vriend en ik liepen vast. Het pure streven naar macht leek ons zo zinloos - het Engelse woord ‘pointless’ is accurater. Of gaat machtshonger gepaard met een nood aan aandacht? Zou De Wever verslaafd zijn aan de aandacht die hij al zolang in overvloed krijgt? Doet hij het (mede) dáárom? Ook dat leek ons te banaal om waarschijnlijk te zijn.
Toen kwam mijn vriend, die van opleiding historicus is, met een interessantere theorie. Het zou weleens kunnen, zo zei hij serieus, dat De Wever, die natuurlijk zelf historicus is, doodeenvoudig, bijna romantisch, zijn plaats in de geschiedenis wil opeisen (waarbij hij angstzaaierij als een middel zou inzetten om dat egocentrische langetermijndoel te bereiken). Het zou weleens kunnen, zei mijn vriend, dat De Wever doet wat hij doet omdat hij zichzelf onsterfelijk wil maken, omdat hij hoopt dat kinderen in het jaar 2100 op de schoolbanken over hem zullen leren. Wat, zei mijn vriend zonder te zwanzen, als De Wever er toch in zou slagen om op een democratische manier de republiek Vlaanderen uit te roepen? Dan zou hij op slag de belangrijkste man in de geschiedenis van ons land zijn. Wat als dát nu eens zijn drijfveer is?
Ik lieg niet als ik zeg dat ik dat een opwindende hypothese vond. Zou het kunnen dat De Wever het zó groot ziet? Zijn ‘plaats in de geschiedenis’? Waarom ook niet, eigenlijk? Hij dweept met Romeinse keizers die zelf een cruciale plaats in de geschiedenis hebben ingenomen. Waarom zou De Wever dan zelf geen keizerlijke allures en een dergelijke romantische ambitie kunnen hebben? Als dat iemands doel is, moet hij bereid zijn om grote offers te brengen.
Blijft wel de vraag over of angstzaaierij een goede strategie is om een dergelijk doel te realiseren. Waarschijnlijk wel, ben ik geneigd te denken, al betreur ik die tactiek enorm omdat ze een samenleving verziekt. Maar in een angstige wereld gaan mensen op zoek naar daadkrachtige verlossers en misschien is De Wever er wel zo een.
De Wever als een romanticus die een unieke plaats in de geschiedenis van België (en (daarna) Vlaanderen) ambieert en daar alles voor veil zou hebben. Dat is voorwaar een prikkelende gedachte. Het zou een nadrukkelijk niet-ironische ambitie zijn en dat zou het in deze tijd extra speciaal maken. Ik ben nu dan ook meer dan ooit benieuwd naar hoe het De Wever in de rest van zijn politieke carrière zal vergaan. Sowieso leidt het geen twijfel dat de man nog lang niet al zijn kaarten op tafel heeft gegooid. Iemand als De Wever komt nooit zonder kaarten te zitten, daarvoor is hij veel en veel te intelligent. Nee, ik mag dan wel gruwen van de man en zijn ideeën, ik kan hem wel degelijk bewonderen voor zijn grote intelligentie. Er is in dit land geen andere politicus van zijn kaliber. Met zijn genie zal hij ze een voor een platwalsen. Om daarna mogelijk zijn romantische droom in vervulling te zien gaan.
donderdag 1 februari 2018
Ik zag een mooie vrouw
Het klinkt misschien gek als ik het zo zeg, maar ik bedacht me dat ik in vele maanden niet meer zo’n mooie vrouw had gezien als daar op dat moment. Oh, ik zie heel wat mooie vrouwen, daar niet van, maar deze vrouw vond ik echt bijzonder aantrekkelijk; ze kon wat mij betreft behoren tot de spreekwoordelijke ‘one percent’ (en dat is in geen geval seksistisch bedoeld, mocht je het misschien zo kunnen interpreteren). We stonden aan de bushalte, het regende, en ik kon mijn ogen maar moeilijk van haar afhouden. Prachtige vrouw, prachtig meisje, een jaar of 28, schatte ik haar. En ja, wat doe je dan? Daar sta je dan, aan de bushalte, naast een hele mooie vrouw, zonder de minste aanleiding om haar aan te spreken. “Hier staan we dan, te wachten op de bus...” (slaat nergens op). “Slecht weer, hé..” (eigenlijk kan je op zo’n moment maar beter nooit iets negatiefs zeggen, dat komt slecht over). “Hey..” (zomaar, op goed geluk, je ne sais quoi tot en met; net alsof je haar kent; misschien vindt ze het grappig, misschien vindt ze het eng; waarschijnlijk vindt ze het eng - niet denken in een ander zijn plaats..). “Hey, het klinkt misschien heel gek, maar jij bent de mooiste vrouw die ik in lange tijd heb gezien..” (oempff - het idee alleen al..). Het is volgens mij belangrijk dat je je even in haar situatie probeert te verplaatsen. Ze is zich ervan bewust dat ze aantrekkelijk is en ze weet uiteraard dat mannen naar haar kijken. Ze weet ook dat er mannen zijn die haar willen aanspreken en ze heeft ondervonden dat er heel wat zijn die dat ook gewoon doen. In 90% van de gevallen vindt ze dat niet fijn.
Dus ik verplaats me in haar situatie en ik weet dat ik niks mag of kan zeggen. En zelf voel ik me daar natuurlijk ook gemakkelijker bij. Maar het is wel jammer. Het is wel jammer dat het leven zo in elkaar zit dat je met bepaalde mensen jarenlang in de klas zit en dat je anderen maar heel eventjes ergens tegenkomt en zelfs geen tijd krijgt om een gesprek met hen aan te knopen. Want wat, bijvoorbeeld, als ik met haar in de klas had gezeten, of in een sportclub? Dan had ik haar op z’n minst kunnen leren kennen. Nu echter was er daartoe (volgens mij) geen enkele mogelijkheid en is ze gewoon verdwenen zoals ze gekomen is. De kans dat ik haar ooit nog tegenkom is verwaarloosbaar. En al wat mij dan nog rest, is om iets over onze niet-ontmoeting te schrijven. De niet-ontmoeting, oftewel dat onvoorspelbare mechanisme dat dag na dag onverschillig haar werk doet.
Dus ik verplaats me in haar situatie en ik weet dat ik niks mag of kan zeggen. En zelf voel ik me daar natuurlijk ook gemakkelijker bij. Maar het is wel jammer. Het is wel jammer dat het leven zo in elkaar zit dat je met bepaalde mensen jarenlang in de klas zit en dat je anderen maar heel eventjes ergens tegenkomt en zelfs geen tijd krijgt om een gesprek met hen aan te knopen. Want wat, bijvoorbeeld, als ik met haar in de klas had gezeten, of in een sportclub? Dan had ik haar op z’n minst kunnen leren kennen. Nu echter was er daartoe (volgens mij) geen enkele mogelijkheid en is ze gewoon verdwenen zoals ze gekomen is. De kans dat ik haar ooit nog tegenkom is verwaarloosbaar. En al wat mij dan nog rest, is om iets over onze niet-ontmoeting te schrijven. De niet-ontmoeting, oftewel dat onvoorspelbare mechanisme dat dag na dag onverschillig haar werk doet.
woensdag 31 januari 2018
Positieve focus
Ik vind mijn eigen teksten maar zelden deprimerend, al heb ik veel begrip voor mensen die daar anders over denken. Natuurlijk kan ik niet ontkennen dat bepaalde onderwerpen ‘zwaar’ zijn en dat ze een eventuele lezer niet altijd zullen opbeuren. Maar als ik schrijf, geef ik uiting aan wat ik op dat moment voel en ik schrijf vooral op momenten waarop ik me gevoelsmatig moet beschermen tegen de ‘boze buitenwereld’. Als ik simpelweg vrolijk ben, wat ook weleens gebeurt, voel ik bijna nooit de nood om te schrijven. Dan ga ik er liever op uit, spreek ik af met een vriend, kom ik onder de mensen, zing en dans ik.
Helaas ben ik dezer dagen niet vrolijk, zonder daarom somber te zijn, trouwens. Ik denk alleen dat ik de zaken op dit moment vrij helder zie. Já, zoals ik herhaaldelijk schreef, ik ben van mening dat de wereld naar de kloten gaat, maar já, ik besef ook dat ik dat op een meer genuanceerde manier zou kunnen formuleren (niet dat iemand mij gevraagd heeft om dat te doen). Er zijn ontzettend veel mensen die constructief aan de toekomst werken, de zogenaamde bottom up-initiatieven maken elke dag opgang en zij zullen mee de richting bepalen die de wereld (of onze samenleving) zal uitgaan. Op den duur zullen bottom up-bewegingen het misschien zelfs van de bestaande structuren overnemen en zullen ze komaf maken met het huidige door neo-liberalisme gestuurde systeem waarin inhalige zakenmensen en cynische politici de plak zwaaien. Dat bottom up-bewegingen de dingen ten gronde zullen veranderen, kan niet uitgesloten worden. Vooralsnog is het echter zo ver nog niet en blijft ‘het’ (in het westen) mijns inziens eerder de verkeerde kant opgaan. Dat zegt mij althans mijn buikgevoel. Ik ontsnap immers niet aan een nieuwsstroom die onmiskenbaar onheil voorspelt, zoals ik steeds op artikels stoot waarin ernstige maatschappelijke problemen worden aangekaart. Ook al probeer ik voor mezelf dag in dag uit op het positieve te focussen, het slechte nieuws van buitenaf kruipt onder mijn vel en ik sleep het met me mee. En ja, dat slechte nieuws maakt mij chronisch verdrietig, wanhopig zelfs. En ik ontbeer de (wils)kracht om daar echt iets tegen te beginnen, net zoals ik de (wils)kracht of het lef ontbeer om zelf van onderuit een initiatief op te zetten dat kan bijdragen aan de wereld van de toekomst.
Het zijn bepaalde details in mijn leven die mij opheffen en uit welke ik het doorzettingsvermogen haal om belangrijke, constructieve beslissingen te nemen. Een vriendin die iets moois schrijft in mijn ‘Happiness is’-boekje. Een andere vriendin die een anekdote uit haar kindertijd vertelt die mij ontroert. Het zesjarige zoontje van diezelfde vriendin dat vraagt of ik mee met hem met zijn autootjes wil spelen. Uit dergelijke interacties haal ik energie en het zijn dergelijke kleine momenten die mij uiteindelijk toch van het leven doen houden. Zeker ook het feit dat zulke lieve mensen met mij willen omgaan of mij zelfs een vriend noemen, geeft mij heel veel voldoening.
Laatst beluisterde ik, terwijl ik een wandeling maakte, op mijn mp3-speler een radiogesprek over mindfullness op het werk. Ik besloot me tijdens het wandelen volledig dáárop te focussen, ik besloot me volledig in dat moment ( in het ‘nu’) te verplaatsen en andere gedachten uit te schakelen. Ik realiseerde me dat ik stapte zonder daarbij enige fysieke hinder te ondervinden. Ik bedacht me dat ik in goede conditie verkeer en gezond ben, nooit ziek ben, blijkbaar een sterk afweersysteem heb - wat een geluk, want een goede gezondheid is zeer belangrijk voor het welbevinden). Ik stelde ook vast dat ik heel veel vrijheid heb in mijn leven en dat ik me geen zorgen moet maken over geld. Ik bedacht me dat ik heel wat vrienden heb, heel wat mensen met wie ik een fijn contact heb, met wie ik me kan amuseren én met wie ik serieuze gesprekken kan voeren. Ik bedacht me eens te meer hoe waardevol het is om close te zijn met mijn moeder en mijn broer, mijn broer die mij door en door kent en die mij meer dan wie ook begrijpt, omdat wij zo op elkaar lijken terwijl we toch ook heel verschillend zijn. Ik merkte op dat ik allerlei dingen zou kunnen ondernemen in mijn leven, mocht ik daar zin in hebben. Dat er geen oorlog is in ons land, dat er geen hongersnood is, dat ik ‘s nachts rustig kan slapen, dat ik me niet suf hoef te piekeren over vanalles en nog wat - ik bedacht me zoveel dingen waarvoor ik ‘dankbaar’ zou kunnen zijn (mocht ‘dankbaar’ een woord zijn dat ik in deze context vind passen, wat niet het geval is).
Ik was ook blij dat ik zo bewust kon nadenken over wat ik allemaal wél heb in mijn leven. Ik was tevreden over mijn kritische geest en hoe die mij wakker houdt. Er was dus heel wat om tevreden over te zijn. En diezelfde tevredenheid voel ik dag in dag uit, die neem ik óók overal mee. Een mens kan én tevreden zijn over zijn eigen situatie én ongelukkig zijn over externe factoren die hem destabiliseren. Die combinatie bestaat en is legitiem. Steen en been klagen leidt nergens toe, maar de ogen sluiten voor weinig opbeurende maatschappelijke evoluties is al even idioot. Dat sommige mensen daarvoor gevoeliger zijn dan anderen is misschien maar goed. Het zijn die gevoelige mensen die de ‘klokkenluiders’ kunnen zijn en die tegenbewegingen in gang kunnen zetten. Iemand die gevoelloos is voor actuele tendensen kan weinig bijdragen tot een eventuele verbetering of ommekeer. En iemand die bewust de ogen sluit voor elke vorm van miserie blijft eigenlijk als mens in gebreke.
Zo, dat heb ik ook weer eens gezegd. Ik zit hier warmpjes onder mijn dekbed en nu heb ik tijd voor een ontbijtje, waarbij ik kan eten wat mij belieft. Daarna kan ik lezen, schrijven, muziek luisteren, nog iets anders doen - bijna doen wat ik maar wil. Als ik de boze buitenwereld niet wil binnenlaten vandaag, als ik in mijn comfortzone wil blijven, dan kan dat vandaag probleemloos; ik hoef de actualiteit helemaal niet te volgen, niemand legt mij dat op. En als kers op de taart ga ik vanavond iets drinken met een vriend. Als dat geen fijne dag is.. Als dat mij triestig zou maken.. Tja, dan..
Ik wens jou ook nog een fijne dag.
dinsdag 30 januari 2018
Veertig jaar later
30-1-2060
Ik zal me nooit genoeg kunnen schamen voor wat ik allemaal gezegd en geschreven heb in mijn jonge jaren. Met name wat ik zei over de staat van de wereld in die tijd is zonder meer om te huilen, als ik er nu op terugkijk. “De wereld gaat naar de kloten” zei ik met zoveel woorden. Mensenlief, wat sloeg ik in mijn zelfgecreëerde realiteit de bal mis. Ach, ik was jong en onnozel en ging in mijn balorigheid bewust voorbij aan elke nuance, omdat ik zo intens naar duidelijkheid verlangde (wat die ‘duidelijkheid’ ook mocht inhouden). Het was altijd ja of nee voor mij. Het was altijd plus of min. Het was kortom het pathetische geleuter van een late twintiger, een prille dertiger, een ‘millennial’ zoals onze generatie werd genoemd, die niet de ballen had om een volwassen man te worden en zich in geen enkel maatschappelijk thema verdiepte maar zich niettemin geroepen voelde om holle uitspraken te doen als stonden ze in steen gebeiteld. Ik nam op geen moment de moeite om een beetje te studeren, nee, ik gaf mijn op luie hypotheses gefundeerde mening, plaatste die in één zelfgenoegzame click op Facebook en daarmee was dan voor mij de kous af. Dat en enkel dat was mijn ‘engagement’ (al is dat woord hier uiteraard niet op zijn plaats).
Nee, echt, ik zal me nooit genoeg kunnen verontschuldigen voor mijn infantiele gezwets van destijds. Omdat de wereld helemaal niet naar de kloten gegaan is, zoals we anno 2060 met z’n allen kunnen vaststellen. Het gaat, integendeel, heel goed met de wereld op dit moment en dat hebben we, daar moet ik heel eerlijk in durven zijn, in grote mate te danken aan de inspanningen die precies mijn eigen generatiegenoten hebben geleverd (wat een en ander voor mij des te pijnlijker maakt). Het zijn net die destijds wat verguisde millennials die de grote maatschappelijke problemen van die tijd in handen hebben genomen en ervoor hebben gezorgd dat er binnen een relatief korte periode een enorme omwenteling kwam. In verschillende fases natuurlijk, maar toch best snel moet gezegd. Grofweg tussen 2022 en 2040 kwam er een toch wel redelijk onvoorziene, globale ommekeer die min of meer komaf maakte met enkele wereldproblemen die destijds zo onoverkomelijk leken. Plots lukte het Europa bijvoorbeeld wél om (sowieso al snel afnemende) vluchtelingenstromen op een humane manier in goede banen te leiden. En ook het klimaatprobleem dat ons al vele jaren in de ban hield, werd succesvol gecounterd en een halt toegeroepen. Akkoord, wat dat laatste betreft is de situatie misschien nog steeds niet helemaal wat ze moet zijn, maar de poolkappen zijn niet weggesmolten en de eilandjes in de Stille Oceaan zijn niet onder water gelopen, zoals in de jaren tien met veel gevoel voor drama werd voorspeld. Nog wat het klimaat betreft - wie herinnert zich trouwens nog het zinnetje “het is vijf voor twaalf voor het klimaat”? -, zijn de temperaturen helemaal niet met 2° C, laat staan met 3° C, gestegen en met de vervuiling van het milieu in het algemeen valt het al bij al ook heel erg mee. Je zou in feite kunnen zeggen dat de wereld er op klimatologisch en ecologisch vlak niet slechter aan toe is dan een aantal decennia geleden. Misschien gaat het nu wel veel beter. Ook de voorspelde voedseltekorten vanwege een exponentieel groeiende wereldbevolking bleven grotendeels uit en bepaalde conflicten in het destijds zo onstabiele Midden Oosten werden mits een aantal duidelijke overeenkomsten en de nodige internationale diplomatie nagenoeg volledig opgelost. Aan het zogenaamde Palestijns Conflict kwam een einde en de spanningen tussen Turken, Koerden, Irakezen, Saoedies e.a. zijn al meer dan dertig jaar bekoeld. Overigens stierf ook de destijds zo overtrokken ‘terreurdreiging’ al in de jaren 20 een stille dood. In eigen land, ten slotte, werd het fileprobleem volledig opgelost, werd de kloof tussen arm en rijk aanzienlijk kleiner en werd Brussel een aantrekkelijke, goed functionerende stad waarin ook jongeren met een migratieachtergrond hun draai vonden. Mensen van alle gezindten leven er nu door en met elkaar en de noties ‘afkomst’ of ‘allochtoon’ hebben in Brussel hun betekenis verloren.
Het is amusant om vast te stellen dat doemdenkerij in de jaren tien echt schering en inslag was. Hoewel we voor de volle honderd procent overtuigd waren van het tegendeel, waren we in feite enorm onwetend en onnozel. Oh, wat namen we onszelf serieus met onze eeuwige smartphones en tablets. Toch gingen we voorbij aan wat écht van belang was, wat echt van belang was merkten we veel te weinig op. We hadden enorm het gevoel dat we door allerhande globale tendensen de controle waren kwijt geraakt en de maatschappelijke rampscenario’s volgden elkaar in sneltempo op. Mijn “de wereld gaat naar de kloten” sloot daar feilloos bij aan, helemaal in de waan van de dag als ik toentertijd verkeerde. Dus ja, als ik dan bekijk hoe wij halverwege de jaren 20 en zeker vanaf de jaren 30 als mensheid een omwenteling zonder voorgaande in gang hebben gezet, dan moet ik toch vaststellen dat de mens een zeer vernuftig en veerkrachtig wezen is. Hoe het defaitisme - ja, zelfs ook dat van mij - in enkele jaren tijd moest plaatsmaken voor een nieuw en krachtig optimisme. Hoe de politiek in het westen een nieuw elan kreeg omdat beleidsvoerders opnieuw hun verantwoordelijkheid opnamen, waardoor ze ook veel minder weerstand ondervonden van hysterische, zogenaamd geëmancipeerde, burgers die het allemaal beter meenden te weten en hun woede uitschreeuwden via sociale media zoals Facebook en - hoe heette het ook weer? - Tinder. Nee, Twitter.
Ja, het is wonderlijk hoe de loop van de geschiedenis zich ontrolt. Mocht je mij in 2018 hebben gevraagd naar hoe de wereld eraan toe zou zijn in 2060, ik had je vast en zeker op cynische toon een zeer pessimistisch antwoord gegeven. Nu het echter zover is, kan ik zeggen dat het allemaal niet zo’n vaart is gelopen. Welnee, anno 2060 gaat het prima met de wereld en de mensheid. Mijn jongere ik zou er vol ongeloof naar staan kijken - haha.
Abonneren op:
Posts (Atom)