zaterdag 9 september 2017

Roamingkosten en andere zever

Alexander De Croo zegt in De Standaard van 2 september dat de ware opsplitsing in dit land er een is van hen die vooruit kijken versus hen die achteruit kijken. Als journalist zou ik me dan niet kunnen inhouden om te vragen tot welke van beide groepen hij zijn eigen partij rekent.
A. en ik waren op de opening van een fototentoonstelling en we deden ons best om de geëxposeerde beelden te bewonderen. “Sommige foto’s zijn eigenlijk mooier als je ze van ver bekijkt”, zei A.. “En geblinddoekt”, zei ik.
Ja, wij lachen wat af, wij twee.
Een leesclub in de bibliotheek. Zes senioren - vijf vrouwen, één man - en een begeleidster. En rarara, wie voert er het hoge woord? Uiteraard. Hij heeft het over islamieten en jodenhumor, hij geniet ervan om in de aandacht te staan en zijn parlé te doen. De begeleidster vraagt of het tijd is voor een korte pauze. Maak er maar een lange pauze van.
Ik zat op de bus en hoorde een studente het volgende zeggen tegen een kennis die ze blijkbaar al lang niet meer had gezien: “Ik heb twee jaar toegepaste taalkunde gestudeerd, maar na de aanslagen in Brussel was dat echt niet meer vol te houden. Allez, da’s een lang verhaal. Ik studeer nu voor leerkracht secundair onderwijs.” Ik mengde me in het gesprek en vroeg waarom ze haar studie had afgebroken na die aanslagen. Nee, da’s niet waar. Ik heb die vraag niet gesteld. Maar ik was benieuwd, amai.
Tegenover mooie vrouwen stel ik me veel welwillender op dan tegenover minder mooie vrouwen. Het zou ronduit gemeen zijn om dat te verzwijgen.
Weer een beeld uit ‘Infinite Jest’: iemand die haar ogen niet durft te openen uit angst om te ontdekken dat ze blind is, en door haar ogen permanent gesloten te houden de hoop bewaart dat ze níét blind is.
Lapidair, obstinaat, efemeer en obsoleet. Vier woorden waarvan ik steeds de betekenis vergeet.*
Gehoord op straat en heel boeiend bevonden: “’k Eb kweenioeveel biccen in uis en ask ‘r dan ene nodig hem, dan vin ‘k er gene. Dan pak ‘k uit miserie e potlood.”
Vooral dat laatste vond ik interessant. Uit miserie een potlood moeten nemen. Veel erger wordt het natuurlijk niet.
(Of toch. Lees verder.)
Deze zomer zijn de roaming-kosten weggevallen waardoor telefoneren en surfen vanuit het buitenland niet langer peperduur is. Goed nieuws natuurlijk. Of dat zou je toch denken.
De hoofdredacteur van De Standaard, Karel Verhoeven, heeft er in de krant van 2 september het volgende over te zeggen: “Het is natuurlijk praktisch om overal tegen hetzelfde tarief te kunnen surfen en appen, maar het vakantiegevoel leed eronder. Omdat ze onophoudelijk in contact bleven met de wereld en het thuisfront, voelden velen zich niet meer ‘weg’. Er is geen leven meer zonder mailbox en Facebook. Er is geen ontsnappen meer aan de normale wereld, het nieuws, de vrienden, de likes. Het is een interessante paradox: hoewel we met z’n allen nooit eerder zoveel kilometers hebben gereden en gevlogen, waren we nooit eerder zo weinig ‘weg’. ‘Weg’ te zijn is de heerlijke illusie van reizen. Door minder ‘weg’ te zijn wordt het moeilijker om rust te vinden. Het leidde op onze Facebookvraag over smartphones en vakantie zelfs tot milde nostalgie naar de dure roamingkosten. Zo gek wordt het dat alleen woekertarieven nog digitale zelfdiscipline afdwingen.”
Hogerop in zijn opiniestuk had Verhoeven het al over de ‘onttovering’ van het vakantiegevoel.
Tja. Met Stijn Meuris zal ik besluiten: “Zou een heel klein beetje oorlog soms niet beter kunnen zijn?”.
* lapidair: kort, kernachtig (vandale.nl); obstinaat: eigenzinnig, koppig (vandale.nl); efemeer: kortstondig, vluchtig (encyclo.nl); obsoleet: verouderd (encyclo.nl)

vrijdag 8 september 2017

Loze Spot

Als ik niet was wie ik was en ik mezelf niet kende, zou ik mijn stukken waarschijnlijk graag lezen, al zou ik er nu ook weer niet bewust tijd voor uittrekken (misschien ook wel, eigenlijk). In een tijd waarin men vier dingen tegelijk leest (deredactie.be (snds krt VRT NWS), WhatsApp, Facebookposts, mijn dagelijks gezwets eventueel) en ondertussen ook nog negen andere dingen aan het doen is ((video)chatten, eten, neuspeuteren, ballenkrabben, tv-kijken (op mute), muziek luisteren (met waardeloze klank), wachten op een Deliveraar, Theo Francken retweeten, onzeker zitten zijn en super zelfbewust zitten zijn) vind ik het niet de moeite om een ‘publiek’ te ‘veroveren’. Als de nieuwe Vlaamse hype worden (want ja, je zal in Vlaanderen als ‘nieuwkomer’ gehypet zijn of je zal níét zijn) het hoogst haalbare is, zoals het Loze Spot bijvoorbeeld overkomen is, dan bedank ik daarvoor. En ik heb niet eens een auto. Ik kan me met andere woorden niet eens verplaatsen naar een cultureel centrum te Zwevezele om daar in het gezelschap van Dirk De Wachter en nog enkele andere usual suspects een uur of twee gemoedelijk voorspelbaar te zitten zemelen over het een of het andere maatschappelijk zogezegd relevante thema voor een voor 80% vrouwelijk, bijna gepensioneerd en redelijk hoogopgeleid publiek van beate bewonderaars. What’s next? Een passage in ‘Van Gils & gasten’ met Lieven ‘Alexander, kom erbij!!!’ Van Gils? Horror in het kwadraat. 1.000.000 verveeld zappende kijkers.
Ik ben natuurlijk ook niet héél taalvaardig, getuige de enkele aanhalingstekens die ik te pas en te onpas gebruik en die ene vreselijke zin vol loze spot halverwege deze paragraaf.
Met een vriendin heb ik afgesproken dat ik mijn dwerghamster Koen Geens zal noemen, gesteld dat ik ooit een dwerghamster neem (nu gaat dat alvast niet vanwege plaatsgebrek).
(Als ik twee dwerghamsters neem zal ik ze Bracke en Crabbé noemen (“Oh kijk, hoe schattig, Crabbé loopt weer in zijn radje.”).)
Waarom Koen Geens? Omdat ik dat een leuke naam vind voor een dwerghamster én omdat Koen Geens als minister van justitie beslissingen moet nemen over mensen (vooral van allochtone origine uiteraard) die in de gevangenis zitten en ik hem als mijn dwerghamster zélf gevangen kan zetten.
(Een andere leuke naam voor een huisdier vind ik Abdeslam. Voor een hond bijvoorbeeld. “Abdeslam, zit!”)
Zijn mensen zich nog bewust van hun omgeving? Als beklagenswaardige misantroop moet ik op die vraag natuurlijk negatief antwoorden. Mensen blokkeren voetpaden om er gewoon wat met elkaar te staan kletsen als stonden ze in hun achtertuin te barbecueën. Mensen versperren deuren van openbare gebouwen omdat ze ter hoogte van zo’n deur besluiten om even hun Instagram te checken ofzo. Met wat pech hebben die mensen een koptelefoon op. Daarom herhaal ik mijn vraag: zijn mensen zich nog bewust van hun omgeving? Of: zijn mensen zich nu minder bewust van hun omgeving dan vroeger? Een vraag waarop ik wel het antwoord ken: zijn er de laatste jaren meer kinderen met nekklachten? Het antwoord op die vraag is ja.
Voorlopig is het zover nog niet, maar er komt misschien een moment waarop ik besluit om ‘Infinite Jest’ even opzij te leggen en ‘De man die niet schoot’ van Vincent Merckx ter hand te nemen. ‘Infinite Jest’ vraagt veel van een men en ik begrijp intussen ook heel goed waarom het niet vertaald is naar het Nederlands. Ondoenbaar gewoon. Al die verschillende taalregisters, al die verwijzingen die enkel Amerikanen écht kunnen begrijpen. Ik betrap mezelf erop dat ik paragrafen lees die inhoudelijk bijna volledig aan mij voorbijgaan en dan maak ik er voor mezelf maar een soort van leesoefening van. Dat ik nooit een woordenboek raadpleeg, helpt mijn zaak niet echt, maar als ik dát er, naast de eindeloze eindnoten, ook nog eens moet bijnemen dan kom ik helemaal niet vooruit. Of net wel, natuurlijk.
Wat blijft er over van Facebook als je er nog slechts vijf minuten per dag op rondkoekeloert? In mijn geval: mijn eigen gekriebel posten en de blog van mijn nonkel lezen. En verder? Nikske. Nougatbollen.
Het lezen der opiniestukken had ik sowieso al bijna volledig achter mij gelaten (sinds ze bijna allemaal betalend werden en ik me eens te meer realiseerde dat al die meningen me niet écht interesseren). En trouwens, hoe gek is dat eigenlijk, betalen om iemands mening te lezen? Dan kunt ge beter op café gaan, daar hoort ge ook meningen en na betaling krijgt ge er nog een pint bij. ‘t Is toch waar, zeker

donderdag 7 september 2017

Ik lees De Morgen

Ik lees De Morgen van 31 augustus jongstleden. Als gediplomeerd journalist (en, als u mij toestaat, ex-journalist) meen ik zo’n krant toch op mijn eigen manier te lezen/begrijpen, wat dat ook moge betekenen. Hoe dan ook, ik lees die krant en besef heel duidelijk dat ik geen journalist voor die krant zou willen zijn. Niet omdat ik iets tegen De Morgen heb (hoewel, een haat-liefdeverhouding heb ik altijd met zogenaamde (dat woord moet er altijd bij) kwaliteitskranten), wel omdat het werk als journalist me niet echt zou interesseren. Die doordeweekse krant weet me gewoon niet erg te boeien, er staat niks in dat ik echt wil lezen. Ik zou het kúnnen, werken voor die krant, ik heb de vaardigheden. Maar het lijkt me niet zo interessant, niet iets waar veel voldoening uit te halen valt. Ik kan me vergissen, natuurlijk, maar toch. Misschien is het leuk op kantoor (of zoals dat ze mooi heet: de redactie), misschien zijn de collega’s tof. Maar waarschijnlijk niet. De sfeer is er waarschijnlijk een van ‘we-zijn-24/7-kort-op-de-bal-superbelangrijk-bezig’. Waarschijnlijk moet je er als journalist écht van overtuigd zijn dat jij bij de beste krant werkt en dat alles wat er in die krant staat echt zeer lezenswaardig is. Als journalist moet je het gevoel hebben dat je bijdraagt aan een afgewerkt ‘product’ (waarschijnlijk hebben ze daar wel een Engels woord voor) dat een mens dusdanig kan enthousiasmeren dat hij er ‘s ochtends voor naar de krantenwinkel (of ‘krantenboer’) loopt. Ik zou in iets dergelijks niet kunnen geloven, vrees ik. En bij De Morgen loopt dan nog een zekere Joël ‘ik ben hier senior writer’ De Ceulaer rond. Dat lijkt me een nogal zelfingenomen figuur. Ik vind alvast niet dat die man als journalist/zalmverkoper de laatste jaren veel potten gebroken heeft. Wat die kan, kan ik ook, denk ik vaak. Wat die doet, is niet moeilijk. En dan zijn tweets nog. Buh.
Ik denk eigenlijk, en dat klinkt misschien pretentieus, dat ik te kritisch ben om voor een Vlaamse krant te werken. Hoe kan je immers én een kritische journalist zijn én een door de marketingmolen gebrainwashte onverantwoord interessante zalmverkoper? Misschien sla ik de bal mis. Niet dat het ertoe doet.
(Ik experimenteer met haakjes en probeer gedachtenstreepjes tot een minimum te beperken, hoewel ik die laatste wel leuk vind.)
Meer dan om op de hoogte te blijven van de actualiteit lees ik een krant in de hoop dat ik er nieuwe, interessante mensen door leer kennen. Zo maak ik in DM.Focus van 31 augustus jl. kennis met ene Fabrice Murgia, een ambitieuze Waalse theatermaker en artistiek directeur van de Franstalige Brusselse schouwburg. Zie, dát verwacht ik van een krant, dat ze nieuwe mensen aan mij voorstelt. Dus De Morgen, toch de slechtste nog niet.
Deze Fabrice Murgia steekt vanuit Franstalig België de hand uit naar het Nederlandstalige theater. Hij vindt het jammer “dat we elkaar niet kennen”, zoals dat ondertussen zo afgezaagd is gaan heten. Meneer Murgia had tot vorig jaar nog nooit gehoord van Louis Paul Boon en schaamt zich daar een beetje voor. Een zoveelste bewijs dat we elkaar niet kennen. Ga dat maar eens vertellen aan de leerlingen van een of ander zesde middelbaar in Vlaanderen. Die lachen je uit als je Louis Paul Boon wél kent.
Zou het de voetballers van tegenwoordig ook maar iets kunnen bommen voor welke club ze spelen? Ik vind dat een interessante vraag. Jammer dat professionele voetballers geen zinnig woord te zeggen hebben van zodra iemand een interessante vraag stelt (nee, ook Vincent ‘het is mij ook om de poen te doen’ Kompany niet). Een antwoord op zo’n vraag staat niet in hun clichébijbel.
Neem zo’n Romelu Lukaku, een enorme Chelsea-supporter maar nu spelend voor rechtstreekse concurrent Manchester United. Is het professionalisme wanneer hij géén verdriet heeft als Chelsea geen kampioen wordt? Iemand zou het hem eens moeten vragen. Maar het is niet dringend. Zijn antwoord zal nooit bevedigend zijn.
Wat mij misschien nog het meest opvalt nu ik thuis geen internet heb, is hoe gemakkelijk ik het vind om een dag af te sluiten. Gewoon rustig in bed kruipen, dat kan nu. Niet nog even hier klikken en even daar klikken. Want dat kan nu niet. Alles is rustig, alles is stil. We kunnen nog wat lezen en dan slapen. En allemaal vóór middernacht

woensdag 6 september 2017

Muur vol kaartjes

‘Be Free’ van Weyes Blood en ‘Lantern’ van Clogs: twee liedjes even traag als deze avond.
Ik zit in mijn zetel en kijk tevreden naar de verste hoek van de kamer, zo’n drie meter bij mij vandaan. De halogeenlamp verlicht daar heel stemmig de blauwe muur, heel sfeervol. Aan de muur hangen mijn postkaartjes. Ik ben zo dol op postkaartjes. Gisteren in boekenwinkel Passa Porta in Brussel maakte ik zeker weer twintig minuten zoek in mijn speurtocht naar leuke postkaartjes. Ik kocht er drie, waaronder een met de beeltenis van Alfred Hitchcock. Met zijn kale kop, zijn bolle wangen en zijn wat verlegen blik ziet de befaamde filmregisseur er bijna aaibaar uit. Hij hangt nu naast¨Prince, Debbie Harry, twee olifanten, een lieveheersbeestje en nog enkele andere afbeeldingen.
Het bloedmooie ‘Waltz’ van Craig Armstrong haalt de vaart helemaal uit deze avond. Deze avond staat stil als een regendruppel in een stortbui. Ik ben een mini-entiteit, los van elke bubbel. De Throat Comfort-thee smaakt. Ik ben alleen en wat de wereld nu aan het doen is, hoef ik niet te weten.
Ik leef traag. Er is niks dat mij kan opjagen. Er is rust.
In ‘Sheryl Crow I Need You So’ zingt Frank Vanderlinden “Naast de platenkast ligt een luchtmatras en naast die luchtmatras lig ik weg te dromen” enz. Wat ik me nu al zo lang afvraag: is ‘die’ inderdaad het aanwijzend voornaamwoord voor matras? Naar mijn gevoel zou Frank het moeten hebben over dát matras, en dus niet over die matras.
Mooi nummer trouwens.
En ook heel mooi: ‘Spring At Last’ van Pete Josef.
Nóg mooier: ‘Goodnight’ van Philip Owusu. Zálig nummer.
Soundtrack van deze avond:
- Weyes Blood: ‘Be Free’
- Clogs: ‘Lantern’
- Fiona Apple: ‘Red Red Red’
- Craig Armstrong: ‘Waltz’
- De mens: ‘Sheryl Crow I Need You So’
- Pete Josef: ‘Spring At Last’
- Philip Owusu: ‘Goodnight’
- Blake Mills: ‘Wintersong’
- Caroline: ‘Where’s My Love’
- Fountains of Wayne: ‘Fire Island’

dinsdag 5 september 2017

Enkel Litouwen en Hongarije doen beter

Volg je dromen!
Ik droomde dat ik aan een ex-collega vroeg wanneer we nog eens zouden gaan parachutespringen. En waarom deze keer niet van het World Trade Centre? Zij was de meer ervaren springer (hoewel ik niet denk dat ze in het echt al ooit aan parachutespringen heeft gedaan) en het idee dat we mijn plan ten uitvoer zouden brengen, maakte vooral mij wel bijzonder nerveus. Ik denk dat mijn ex-collega niet helemaal overtuigd was van mijn voorstel.
Andere droom. Ik ontving twee boetes: één voor geweld tegen een leraar (ik was in die droom een scholier) en één voor wangedrag op een bus. De precieze feiten kan ik me niet herinneren - ik denk dat ik die leraar met een mes had bedreigd -, maar dat het om heel serieuze overtredingen ging viel af te leiden uit de aard van beide boetes: twee maal een bedrag van rond de 2.500 euro. ‘Ik ga serieus aan mijn spaargeld moeten zitten’, besefte ik.
Volg je dromen, inderdaad.
Oh,en hier een gebeurtenis uit het echte leven die een droom had moeten zijn. Om kwart voor twaalf ‘s avonds belde mijn pa mij om te zeggen dat er in zijn appartement potten en pannen liggen die ik mag hebben. Hij belde om 23:37, ik was al aan het slapen. En nee, dit was dus geen droom. Dit is echt gebeurd. Geen idee waarom dit echt moest gebeuren. En redelijk vervelend. Als hij tegen middernacht gaat beginnen te bellen over potten en pannen, wat is dan het volgende? Om drie uur ‘s nachts bellen om te zeggen dat hij niet kan slapen?
5-9-2017
Ik had een afspraak in Molenbeek en heb daar mijn jas laten liggen. Nu moet ik terug naar Molenbeek. Héérlijk toch?
‘Infinite Jest’ is nu en dan ook best wel saai. Van die 900 pagina’s hadden er naar mijn aanvoelen enkele honderden geschrapt kunnen worden. De vraag is waarom dat niet is gebeurd.
Om bepaalde passages echt goed te kunnen begrijpen, is mijn Engels trouwens niet goed genoeg. I’m struggling. (Waarom kennen al mijn leeftijdsgenoten zo goed Engels en ik niet?)
‘Elke dag drie zelfdodingen en 28 pogingen [in Vlaanderen]’, lees ik in De Streekkrant Leuven.
(...)
“België doet het niet veel beter met in totaal zes suïcides per dag. Die cijfers liggen anderhalve keer boven het Europees gemiddelde. Enkel Litouwen en Hongarije doen het nog slechter.”
De Vlaming/Belg schijnt nog steeds gêne te voelen om hulp te zoeken in geval van problemen van welke aard dan ook. Ik deel die gêne totaal niet, ik heb er geen enkel probleem mee om over zelfmoord te praten. Meer nog: door erover te praten (met mijn moeder, mijn broer, vrienden, mijn psycholoog) heb ik er nog nooit een poging toe ondernomen. Maar zelfmoordgedachten zijn mij helemaal niet vreemd. Ik heb vroeger vaak gehoopt dat ik niet meer zou wakker worden (maar dat waren oppervlakkige gedachten; ik leefde in angst, maar al bij al was er weinig aan de hand). En heel recent nog, in juni en juli van dit jaar, heb ik me verschillende keren afgevraagd of ik spijt zou voelen op het moment dat ik de balustrade zou loslaten - ik wist ook welke balustrade - en naar beneden zou vallen. Over springen heb ik meermaals nagedacht in juni en juli. Een kennis van mij heeft het enkele jaren geleden gedaan, hij was 26. En als je springt, weet je tenminste dat je dood zal zijn. Pogingen, ik vind dat maar raar. Als je echt dood wil, zijn er mogelijkheden. Maar voor mij geldt dat ik het mijn moeder niet wil aandoen. Zij heeft doorheen mijn leven al zoveel moeite gedaan om mijn welzijn te verbeteren - ik onderneem daar zelf ook veel pogingen toe - dat ik voor eeuwig bij haar in het krijt sta. En omdat ik er redelijk onbevangen over kan praten zal het zo snel nog niet gebeuren. Maar ik vind leven niet gemakkelijk. Allesbehalve. Het is een opgave. Het is voortdurend trekken en duwen.
De manier waarop Goedele Wachters gisterenavond in Het journaal over de zwangerschap van Zuhal Demir sprak (of moet ik zeggen ‘zong’?, want Goedele zíngt het nieuws), ik ging er bijna van over mijn nek. Kan Goedele Wachters geen nieuws gaan zingen op Vitaya ofzo? En waarom moet de zwangerschap van een politica überhaupt in het nieuws komen (en later op de avond nog eens uitgebreid tijdens Van Gils & gasten)?

zondag 3 september 2017

Hij is zo handig

Telefoon.
“We zijn in het appartement.”
“Ah.”
“Kom gerust langs, hé.”
“Ik Heb vandaag al een en ander te doen.”
Het gesprek valt stil.
“Ge weet dat ik u graag zie, hé.”
“Ja, ja.”
We lachen, half gemeend, half gegêneerd.
We wisselen ter beëindiging van het gesprek nog wat geijkte formules uit, als daar zijn ‘groetjes’ (hij), ‘tot binnenkort’ (ik).
We hangen op.
Een nieuwe dag begint.
Er is iemand die mij graag ziet.
Enkele weken geleden zag ik op Twitter ‘#filmsmetkak’ als trending topic in de linkerkolom staan. Het is op zo’n momenten dat het besef je eens te meer als een natte schotelvod in het gezicht vliegt: ja, onze beschaving gaat effectief naar de kloten.
Afschuwelijk.
*
3-9-2017
Mijn vrees is groot dat we met z’n allen bezig zijn een soort half mens-half personage te worden (een ‘mensonage’ zou je kunnen zeggen, en haal daar de letter a uit en je krijgt het Franse woord ‘mensonge’, oftewel: leugen). Mijn vrees is groot dat we als mens zelfs bezig zijn om ons meer en meer aan ons personage over te leveren. Ons personage, oftewel onze vrolijke, opgekuiste, streverige aanwezigheid op sociale media (zijn wij dat echt, zoals we ons tonen op Facebook, Twitter, Instagram?). We leveren ons ook over aan gecreëerde gewoontes/behoeftes waarvan ik vind dat ‘handig’ alleen niet volstaat als argumentatie waarom we ze nodig hebben. Handig? Het heeft tegelijk ook iets vreselijk zielig. Of flauw. Een app om je hartslag te meten. Een app die elke dag je voetstappen telt. Een app die je meteen vertelt waar je sleutels liggen wanneer je die kwijt bent. Hebben we zo’n apps nodig? Is dat behalve een leuke, niet altijd even onschuldige, gimmick ook handig, laat staan nuttig of nodig? Als ik daar geconcentreerd over nadenk, zie ik de menselijke soort bijna met het blote oog tot een totaal afhankelijk wezen verschrompelen. Al die applicaties beginnen te lijken op een infuus dat ons in leven houdt, terwijl we onze zelfredzaamheid op het spel zetten en steeds hulpelozer dreigen te worden voor wanneer het echt menens zal zijn. Hoe kan een mens volwassen worden als alles ‘leuk’ moet zijn?
Ik kan me ook afvragen hoe onze jonge mensen zouden reageren op een oorlogssituatie. Oorlog als in, moeten vluchten, moeten schuilen, de wapens moeten opnemen voor je land, voor je familie zorgen, leven onder grote stress, enzovoort. Ik stel me voor dat mensen niet meer zouden weten hoe ze hun plan moeten trekken zonder mobiele telefoon. Een selfie voor een gebombardeerd gebouw en werkelijk niet begrijpen dat zoiets op dat moment het laatste van je zorgen zou moeten zijn. (“Het is toch handig dat mensen kunnen zien waar ik ben?”.) Hysterie omdat de elektriciteit afgesloten is en er nergens een wifispot te vinden is. Meisjes die elkaar huilend in de armen vallen omdat ze tussen het puin hun gsm niet terugvinden (“daar staan al mijn foto’s, mijn hele leven, op”), terwijl er vijftig meter verderop een onbekende ligt te creperen. Ik schets een extreme situatie, maar zie zulke taferelen echt nog gebeuren als we doorgaan zoals we bezig zijn. We lijken als mens onze ruggengraat te verliezen en ik vind dat heel zorgwekkend.
Half mens-half personage. En daarmee samengaand: ons groeiende zelfbewustzijn. Het managen van onze ‘brand’. Hoe liggen we in de markt, hoe kunnen we onszelf nog beter promoten? Behalve een mens worden we nu ook een merk. Zoals een EBV (een Enigszins Bekende Vlaming) van wie een groot (eerder hoogopgeleid) publiek weet dat die op Twitter hele spitsvondige kritiek geeft op de actualiteit. De persoon in kwestie die daarmee een ‘publiek’ verwerft en zich bij elke maatschappelijke gebeurtenis de hersens uit zijn kop denkt om toch maar weer met de leukste tweet op de proppen te komen om weer maar eens heel wat hartjes en retweets te genereren. Ik ben hier echt niks aan ‘t verzinnen. Je hebt op Twitter echt mensen van wie het me intussen duidelijk lijkt dat ze per dag een significante periode doorbrengen met het bedenken van slimme of grappige tweets als commentaar op een actuele gebeurtenis. En dat zijn privépersonen, geen mensen die dat op een of andere manier ‘beroepsmatig’ doen (de redelijk ergerlijke Joël De Ceulaer, bijvoorbeeld). Een dwangmatige hang naar appreciatie en aandacht. In elke pietluttige gebeurtenis meteen een narratief ontwaren voor wat je er op sociale media mee zou kunnen onvangen. Sowieso delen met je vrienden/volgers/publiek/fans. (In ‘De cirkel’ van Dave Eggers, een roman van Dave Eggers die rond sociale media draait, wordt het niet-delen van een gebeurtenis beschouwd als een misdaad - zeer interessant.) En als er geen beelden zijn van wat je hebt meegemaakt, dan is het niet gebeurd. De spijt (het verdriet) die aan je knaagt wanneer je je na een leuk bezoek aan de dierentuin realiseert dat je geen selfie genomen hebt met die grappige struisvogel op de achtergrond. Het échte verdriet, de échte frustratie daarover. Damn, ik kan dit niet delen, ik kan dit niet tonen, het heeft bijgevolg ook niet zo veel zin meer om hierover te praten en de blijken van goedkeuring zullen miniem zijn. Práten over dingen als iets dat aan belang verliest. “Hier, dit zijn de foto’s die ik ervan heb gemaakt.” Begoede vijftigers en zestigers die na drie snel opeenvolgende citytrips heel hard moeten nadenken naar waar ze ook weer op reis zijn geweest. Dan maar de smartphone erbij nemen, want het fotomateriaal dat ze aan hun reizen hebben overgehouden zal hen de reis weer in herinnering kunnen brengen. De reis wordt minder belangrijk dan het bewijs dat je op reis geweest bent.
Mensen die Google Maps gebruiken om de kortste weg te zoeken naar die nieuwe winkel op één kilometer van hun deur. Ze weten waar die winkel gelegen is, maar het is toch handig om even te bekijken wat de kortste weg er naartoe is. De reflex om voortdurend te willen weten hoe laat het precies is, onbewust omdat je zo een ‘reden’ hebt om je smartphone er nog eens bij te nemen (en als je dan toch je smartphone in de hand hebt kan je meteen ook nog eens kijken of je laatste status al veel werd geliket). Uurwerken die niet meer verkocht raken, fototoestellen evenmin. “De nieuwe iPhone 8 komt met een dubbele camera.”
Als je alles uitbesteedt aan technologische snufjes rest er steeds minder dat je zelf nog moet doen (moet kunnen, moet leren). Een spellingchecker die al je schrijffouten verbetert is nog een van de betere. Niettemin: juist leren schrijven wordt erdoor minder noodzakelijk en dat is zonder meer jammer.
Ach, ik kan zo blijven doorgaan. Ik heb het gewoon echt niet begrepen op de kritiekloze welwillendheid waarmee we ons aan de technologische gadgets van grote, zogezegd heel sympathieke bedrijven als Google en Apple overleveren. Ik vind het ronduit eng. En onze gezondheid komt in gevaar, want we vinden geen rust meer, we kénnen dat niet meer, we laten geen verveling meer toe en plamuren onze tijd vol met schijn-bezigheden. Lege momenten zijn uit den boze. Tijdens een busrit vijf minuten gewoon uit het raam kijken, dat zie je al jaren geen enkele twintiger nog doen. Smartphone in de handen, vingers op het scherm en communiceren maar, met de ene of de andere via het ene of het andere kanaal. Boeiend of niet, doet er niet toe. Dát je communiceert wordt belangrijker dan wát je communiceert.
Ik denk dat de nadelen van dit soort evolutie op termijn (nog) duidelijker zullen worden. De bubbel heeft altijd al barstjes vertoond. Er komt een moment waarop de smartphone helemaal genormaliseerd zal zijn (dat lijkt nog steeds niet het geval, we blijven er maar naar staren als koeien naar een lichtbak) en dan zal géén van onze mensen nog weten wat het is om zonder mobiel toestel te functioneren. In het straatbeeld zie je die opdeling heel duidelijk. Tieners en twintigers zijn verknocht aan hun eerder goedkope toestel en staan voortdurend met hun klasgenoten/vrienden in contact, dertigers en veertigers lijken steeds maar weer in een situatie te belanden waarin het ‘handig is om even de smartphone erbij te halen’ (en als ze nu eens niet op een ‘natuurlijke manier’ in zo’n situatie belanden, manoeuvreren ze zich er wel in), hoogopgeleide vijftigers en zestigers zijn er iets rustiger mee, gebruiken hun toestellen nog iets functioneler, maar ze hebben het ondertussen ook allemaal wel, en dan resten er nog de bejaarden voor wie de smartphone te laat is gekomen en voor wie een leven zonder nog volstrekt normaal is. Deze mensen maken een bijna voorhistorisch eenvoudige indruk en je kan je afvragen hoe ze zonder internet de dag doorkomen. Die mensen moeten met een bepaalde verbijstering naar hun kinderen en kleinkinderen kijken, stel ik me voor. Het zou geen kwaad kunnen mochten bejaarden wat meer de gelegenheid krijgen om aan jonge mensen over ‘vroeger’ te vertellen (en ook over de oorlog, waarom niet?). Een bejaarde kan een serieuze situatie schetsen waarin de echte persoon en niet zijn personage moet opstaan. Anders zullen jongeren vergeten wat ‘vroeger’ precies inhield - dat schijnt nu al bezig te zijn. Een leven zonder technologie kan een bepaalde generatie zich nu al totaal niet meer voorstellen.
Er komt een moment waarop er ons enkel nog mensen resten die vastgekleefd zitten aan hun gadgets en aan een routine van dwangmatige (visuele) communicatie en een enorme hang naar aandacht en appreciatie via sociale media. Een aantal belangrijke menselijke vaardigheden (je plan kunnen trekken zonder elektronische hulpmiddelen) zullen op de helling komen te staan en we zullen onze algemene kennis en zelfraadzaamheid verliezen omdat we die zo lang verwaarloosd hebben.
Ik kijk echt niet uit naar een dergelijke maatschappij. Maar in het tempo waaraan we ons nu aan dat toekomstperspectief lijken over te leveren, zie ik geen weg terug.
En over de factor verslaving heb ik het hier zelfs nog niet gehad. Technologische gadgets worden niet onder de noemer drugs gecatalogiseerd, maar eigenlijk zijn ze precies dat. Ze maken je afhankelijk en ongezond als je niet oplet met je gebruik

zaterdag 2 september 2017

Een pannenkoek met een wifi-stick

Is het nodig om iets tegen ons enorme (of toch groeiende) zelfbewustzijn te ondernemen? Kan dat überhaupt? Ja, ik ben me er heel erg van bewust dat ik nu loop te toeteren hoe fijn het is om thuis geen internet te hebben maar dat ik een mal figuur zal slaan als binnen een week blijkt dat ik mijn verbindinkje toch niet kan missen. Dat zou lullig zijn. Dan zou blijken dat ik een beetje voor mijn beurt gesproken heb. Zeer zelfbewust van mij. Maar mocht het echt zo uitdraaien, verneemt u het zeker. Ik ga niet hypocriet doen. En ik weet dat al mijn Facebookvrienden al mijn statussen lezen, dus besef ik dat ik een bepaalde verantwoording af te leggen heb.
(Hiermee heb ik eigenlijk niks wezenlijk over ‘ons enorme zelfbewustzijn’ gezegd. Het zij zo. ‘t Kan ni elken dag kermis zijn.)
Ik stel vast dat ik met internet in huis bijna meteen nadat ik opsta controleer of ik e-mails ontvangen heb. (Eerst Facebook, dan Hotmail, dan Gmail, dan Sporza (niet altijd), dan deredactie.be (dat nu van naam veranderd is), dan de tennisuitslagen op Livescorehunter en daarna opnieuw Facebook voor een uitgebreidere studie van alle interessantigheden die daar bij die gelegenheid weer op te lezen staan.) Nu komt het me voor dat e-mails checken eerder iets is dat je op kantoor doet, niet thuis, en al zeker niet ‘s ochtends.
Pas deze week heb ik bewust kennisgemaakt met het fenomeen wifi. Ik vroeg me al lang af wat dat was en nu weet ik het.
P.S.: mijn wifi was ‘kapot’ - nee, geen idee wat dat precies betekent - dus ik ging in de Fnac om raad bij een computerverkoper. Die was zeker tien minuten in de weer met een wifistick - ik wist niet van het bestaan van zo’n ding - en wist daarmee het probleem op te lossen. Er zit nu permanent een wifistick in mijn laptop ingeplugd. Ik ben mee met mijn tijd.
De verbazing die doorklinkt in de stem van Luckas als hij mij belt over mijn verhuis. Alsof hij zich erover blijft verwonderen dat ik dan toch geen slappe pannenkoek ben die altijd op zijn gat blijft zitten wachten tot iemand anders de dingen in zijn plaats doet. En ik die vriendelijk maar zonder één woord teveel antwoord op zijn drie keer terugkerende vraag of ik wel ‘rondkom’. “Ja ja, da’s totaal geen probleem.” “Moet ik nog helpen verhuizen?” “Nee danku, alles is al verhuisd.” Hij lijkt moeilijk te kunnen vatten dat ik een netwerk van vrienden en kennissen heb waar hij blijkbaar het bestaan niet van vermoedde en waar hij geen deel van uitmaakt. Misschien denkt hij altijd maar weer - zoals een goudvis met een geheugen van zes seconden - dat hij (van)alles over mij weet om dan plots te beseffen dat hij blijkbaar bijna niks weet. Ik neem het hem niet kwalijk. Hij bedoelt het niet slecht.
SMS: “Is uw internet in orde!?”
“Ik heb mijn abonnement opgezegd.”
Onmiddellijk telefoon: “Hoezo!?”
In ‘Baby Driver’ hoorde ik een flard van Dr. Dre’s “That’s the motherfucking D.R.E.” - altijd leuk - en mijn eerste gedachte was om dat bij thuiskomst nog eens lekker door de kamer te laten schallen. Helaas staat dat liedje niet op mijn computer, zo realiseerde ik me nog diezelfde seconde. En dat kwam aan als een klap, ik ga daar niet flauw over doen. Ja, ik zat daar in die filmzaal met het plotse verlangen om al mijn favoriete liedjes als baby’s bij mij op mijn computer te hebben. Al mijn cd’s staan in de kelder van mijn moeder en mijn Spotify-playlists kan ik niet afspelen als ik offline ben. Toestanden! Ik ga mij hier het hele weekend mee bezig houden. Gene zever

vrijdag 1 september 2017

Svetlana

Svetlana van de Telenet-klantendienst begreep mij volkomen toen ik zei dat ik mijn internetabonnement wilde opzeggen omdat ik sinds ik geen internetverbinding meer heb bijzonder geniet van de rust die dat voor mij met zich meebrengt. “Ik heb ook eens een maand mijn Facebookaccount gedesactiveerd en toen stelde ik vast dat er een hoop tijd vrijkwam die ik aan andere dingen kon besteden.” Ja, Svetlana, dat kan ik geloven, ook al verkoop je misschien maar wat zorgvuldig ingeoefende naar-de-mond-praterij. Alleszins, voor mij geldt dat wanneer je mij in een kamer met een internetaansluiting zet, dat ik dan uren per dag zoet ben met allemaal zaken die eigenlijk niet belangrijk voor mij zijn.
Wat wel belangrijk voor mij is, Svetlana, is genieten van mijn nieuwe studio, mijn eigen ruimte, klein maar fijn. Ik weet dat ik geluk heb gehad want als werkloze in Leuven iets vinden dat betaalbaar is, is allesbehalve evident. Ze vragen allemaal naar loonfiches van de laatste drie maanden, de mensen van de immokantoren, en ik heb die niet, loonfiches. Ik sta nu dan ook in mijn kamertje, kijk naar alle hoeken (die met het bed, die met de keuken, die met de tafel en die met de kast) en ik zie dat het goed is en geniet daarvan. En wat nu ook belangrijk voor mij is, Svetlana, is lezen en schrijven. Voor beide heb ik nu veel meer ruimte (niet te verwarren met tijd) en beide beleef ik nu op een rustige(re) manier. Dat internet gedroeg zich in mijn buurt als een zeurend kind dat altijd maar om aandacht vroeg, besef ik nu. Ik las verschrikkelijk veel artikels, maar bijna zonder uitzondering gingen ze oor in oor uit. En aan schrijven kwam ik gewoon helemaal niet meer toe, terwijl dat nu vanzelf gaat. Nu, nu ik er meer ruimte voor heb. Is schrijven geen veel mooiere manier om de tijd te passeren dan al dat duffe geklik en gelike?
Maar wat er ook van zij, Svetlana, dit hoeft geen vaarwel te zijn. Ik ben altijd tevreden geweest over Telenet en je hebt me zelf gezegd dat ik morgen alweer abonnee kan worden als ik dat wil. Maar nu hoeft het dus even niet, ook al omdat het leven zelf een handje toegestoken heeft bij mijn beslissing. Ja, geloof het of niet, Svetlana, maar ik heb dus vorige week een Telenet-installateur laten komen om voor mijn internetaansluiting te zorgen. Die installateur stelde echter een probleem met de kabel vast en raadde mij aan om een elektricien op te trommelen om dat probleem te verhelpen. Daar had ik al meteen niet erg veel zin in, om eerlijk te zijn. Ik voelde dat dat voor ‘gedoe’ zou zorgen. Maar ik belde niettemin een elektricien. Nu had die man gisteren rond 14u moeten komen opdagen, maar ik heb hem niet gezien of gehoord. Hiermee is dus duidelijk aangetoond dat er van bovenaf iets geregeld is om mij in mijn woning een tijdje zonder internetverbinding te laten leven. En die beslissing van bovenaf respecteer ik. En ik zeg het opnieuw, Svetlana, los van wat er in de sterren geschreven staat, zie ik er ook gewoon enorm tegenop om een ándere elektricien te contacteren, die dan misschien ook niet komt opdagen, en om daarna opnieuw een Telenet-installateur te laten komen, die dan misschien opnieuw moet vaststellen dat het probleem niet is opgelost. Akkoord, ik weet dat dat heel hypothetisch is allemaal, maar toch, ik heb nu even geen zin in dat soort gedoe. En ondertussen geniet ik van een bepaalde rust die ik onmogelijk kan ervaren met internet in mijn buurt.
Bedankt voor de fijne dienstverlening, Svetlana. Als Telenet mij mailt om te vragen hoe de service was, zal ik bij alle vragen de maximumscore aanduiden.
Ja, het kan goed geschreven zijn en ja, het kan interessant zijn, maar nee, een grote(re) groep lezers wil ik niet. De idee dat mensen die ik niet ken een serieuze tekst van mij zouden lezen, maakt mij droevig, Droevig, inderdaad. En niet een klein beetje zelfs. Ik voel de droefenis in mijn lijf wanneer ik er nog maar aan denk dat iemand die ik niet ken op Facebook (ja, dat speelt een rol) iets leest dat ik geschreven heb. De droefenis slaat op mijn keel en kruipt in mijn hoofd. Ik weet ook ongeveer hoe dat komt, maar als ik daarover begin word ik alleen nog droeviger.
Dus nee.
Ik heb vandaag De Morgen gekocht en begin gedachteloos een berichtje op de voorpagina met als titel “Homans maakt geen werk van neutraliteit” te lezen. Ik lees, nog steeds even gedachteloos, de eerste zin van dat bericht tot ik opeens.. “Ho! Stop! Ik ga geen nieuws over Liesbeth Homans zitten lezen, hé. Fuck Liesbeth Homans, man. Ik heb echt geen tijd voor Liesbeth fucking Homans.” Ik leg de krant aan de kant en rust even uit. Weer ternauwernood een aanslag op mijn geestelijke gezondheid verijdeld. Was me dat even schrikken...
(...)
Ik blader een beetje verder in diezelfde krant en kom ineens tot het besef dat de actualiteit mij echt totaal niet interesseert. ‘t Is misschien een tijdelijk fenomeen, maar het ís gewoon zo.
De actualiteit is zo.. hopeloos. Ja, dat is het juiste woord. En dat dan in een tijd waarin mensen naar hoop met een grote h schijnen te verlangen. Of is dat ook maar weer het gelul van marketeers? (Wat is tegenwoordig níét bedacht door marketeers?) Een verlangen naar Hoop? Zijn mensen tegenwoordig niet vooral met hun smartphone bezig ofzo? De laatste keer dat ik op straat kwam was dat alleszins nog het geval. En daar komt geen hoop maar wel schroothoop van. Ongeveer twee jaar na aankoop, naar ‘t schijnt.

donderdag 31 augustus 2017

De gespierde Verlichting van BDW

Op 9 april 2016, twee weken na de aanslagen in Zaventem en metrostation Maalbeek, publiceerde Het Nieuwsblad een interview met Bart De Wever. In dat interview brengt De Wever een pleidooi voor de waarden van de Verlichting die wij als westerlingen zouden (moeten) uitdragen, iets waarin ‘links’ natuurlijk tekortschiet, volgens De Wever.
In rekto:verso nr. 72 (juni-september 2016) wordt dat interview in het artikel ‘De gespierde Verlichting van BDW’ onder de loupe genomen door redacteur Arne De Winde. Die stelt vast dat De Wever verschillende uitspraken doet die haaks staan op de idealen van de Verlichting, diezelfde Verlichting die door De Wever zo wordt gepromoot.
Een belangrijk principe binnen de Verlichting is dat mensen met verschillende meningen op een beschaafde manier met elkaar in dialoog kunnen gaan. De Wever verwijt ‘hen’ (beetje bij beetje komen we te weten wie hij daar zoal mee bedoelt) dat ze dat belangrijke Verlichtingsprincipe in gevaar brengen. “We moeten meer vechten voor onze vrijheden.” Wie ‘we’ zijn blijft in tegenstelling tot ‘hen’/’zij’ doorheen het interview onduidelijk. Zijn het ‘de westerlingen’? Zijn het enkel westerlingen (of zelfs Vlamingen) met rechtse opvattingen? Kunnen moslims die hier geboren zijn ook bij die ‘we’ horen? Of zijn ‘we’ misschien enkel de mensen met een N-VA-lidkaart?
Weinig, eigenlijk géén, bevredigende antwoorden op die vragen. De Wever op zijn gemakzuchtigst.
“We moeten meer vechten voor onze vrijheden”, zegt hij, maar nergens specifieert hij hoe we dat precies moeten aanpakken. Door op Facebook haatpraatjes jegens moslims en ‘linkiewinkies’ uit te wisselen met gelijkgezinde vrienden? Bij gebrek aan concrete suggesties komt de ‘gewone man’ anno 2017 echt niet veel verder dan dat, vrees ik.
“We zijn in oorlog”, dramatiseert De Wever de toestand. (Enkel iemand die nog nooit zelf een oorlog heeft meegemaakt, zal durven beweren dat het Westen in oorlog is, neem ik aan.Of vraag anders eens aan een vluchteling uit Syrië of wij hier in België in oorlog zijn.) Opnieuw die ‘we’, die hier zou slaan op ‘Vlamingen’. Ik voel me dan altijd rechtstreeks aangesproken want ik ben natuurlijk evenveel Vlaming als Bart De Wever. Maar bon, het is geweten dat deze Vlamingknuffelaar bijlange niet van alle Vlamingen houdt. Het zou hem wellicht, zijn Verlichtingsidealen ten spijt, de grootste moeite kosten om niet met zijn ogen te gaan rollen wanneer hij bijvoorbeeld met mij in gesprek zou gaan. Onverdraagzaam én verlicht, het lijkt me een moeilijk vol te houden combinatie. De Wever slaagt er alleszins niet in, om het gewoon eens te zeggen zoals het is.
De Wever spreekt over de Verlichting alsof dat een gebetonneerd iets is, zoals 1+1=2. Echter, heel veel hedendaagse denkers geven een heel verschillende invulling aan dat begrip. Wie een kritische kanttekening (of Kant-tekening) bij de Verlichting van De Wever plaatst, verhuist meteen van kamp, van Goed naar Kwaad - begrippen die hij in het interview met Het Nieuwsblad echt uitspreekt, - van ‘wij’ naar ‘zij’.
De auteur van de kritische analyse in Rekto:verso, Arne De Winde, merkt terloops op dat de conservatieve denker Edmund Burke, een ‘geestesvader’ van Bart De Wever, als een “notoir anti-verlichtingsdenker” bekend staat. Da’s opmerkelijk.
En deze is goed! De Wever: “We mogen geen stap terugzetten en debatten beginnen te voeren over de gelijkheid tussen man en vrouw, over homorechten, over de plaats van religie in de openbare ruimte en de ondergeschiktheid van religieuze regels tegenover de regels van ons burgerschap.” Waarna De Winde opmerkt: “Het is goed om weten dat debatten over gelijkheid tussen man en vrouw en homorechten bij ons niet meer gevoerd hoeven te worden. Zo zal je in onze cultuur niemand nog een probleem horen maken over holebi’s met een regenboog-T-shirt achter een publiek loket.”
Arne De Winde schrijft dat Immanuel Kant en Michel Foucault argumenteerden dat de Verlichting niet slaat op een vast waardestelsel, maar veeleer op een permanent proces van kritiek. “[Verlichting] is de moed om zélf een oordeel te vellen, wars van elke autoriteit die over je schouder komt meeloeren en zegt wat jij moet denken. Het is de moed om de dingen te bevragen, en niet in het minst zichzelf. In die zin begint elke verdediging van de Verlichting met de erkenning van haar onafgesloten (en onafsluitbare) proceskarakter, en dus niet met het bestendigen van vastgebetonneerde waarden en waarheden.” Kant en Foucault - toch niet de minsten - zouden dus serieus de wenkbrauwen fronsen bij De Wevers Verlichtingsdiscours (waarmee ze dan wellicht ook in het ‘zij’-kamp zouden belanden).
Want ja, De Wever ontwaart in onze maatschappij heel wat potentiële overlopers en verraders (mensen die in een vingerknip van het ‘wij’- naar het ‘zij’-kamp kunnen verhuizen, al was het maar omdat ze kritisch zijn, lees: het niet eens zijn met De Wevers kijk op de maatschappij). Om die reden zijn ‘wij’ nooit veilig en kan een noodtoestand nooit veraf zijn. Alarmfase 3 als het nieuwe normaal.
De Wever laat zich herhaaldelijk op tegenstrijdigheden betrappen. “We zijn nu nog de vruchten aan ‘t plukken van veertig jaar wanbeleid. Het zijn de zure vruchten van een naïef open-grenzenbeleid, waarbij iedereen was toegelaten, maar je niks mocht eisen van nieuwkomers, want dan was je een racist.” Eigenaardig, want eerder in het interview klonk het nog, zij het waarschijnlijk wel ironisch bedoeld, dat wij onszelf als maatschappij niks te verwijten hebben. “Als je de dossiers van die terroristen leest, zie je dat zij hier allemaal heel goed zijn verzorgd.” Wanbeleid vs. een goede opvang. Arne De Winde vraagt zich terecht af of openheid als waarde een plaats heeft binnen De Wevers Verlichting.
Aan het eind van het interview met De Wever is het, zoals gezegd, nog steeds onduidelijk wie ‘wij’ zijn, met wie ‘wij’ in oorlog zijn en hoe ‘wij’ de waarden van de Verlichting moeten uitdragen. De Wever doet met andere woorden aan onverantwoorde bangmakerij - “we zijn in oorlog, niemand is te vertrouwen, er is Goed en Kwaad” - en biedt ons met het abstracte, vooral door intellectuelen gebruikte begrip Verlichting geen enkel concreet antwoord op de vraag hoe wij onze waarden kunnen uitdragen. Door elk vanuit onze eigen woonkamer via sociale media ranzige praatjes de wereld in te sturen? Ja, misschien is het echt dát waar De Wever op doelt.
De Wever misbruikt de Verlichting om er een invulling aan te geven die met haken en ogen aaneen hangt. Het is niets anders dan plat met een intellectueel sausje overgoten populisme. En misschien maakt dat het nog wel ranziger dan het veel gemakkelijker te begrijpen populisme van een Filip Dewinter. Die man schept tenminste duidelijkheid. Dewinters vijand is ‘de islam’ en de islam moet hier weg, maar wie De Wevers vijanden zijn, hij heeft er waarschijnlijk zelf nog altijd geen antwoord op.
Wat een zwaktebod van deze erudiete intellectueel.
De gratis periodieken Rekto:verso en The Word, die je o.a. in kunstencentra kan vinden, zijn het laatste jaar elk op hun manier zeer lezenswaardig geworden. Het is zover gekomen dat ik er actief reclame voor maak.
In De Standaard Weekblad van 29 oktober 2016 - ja, ik lees mijn krant met nogal wat vertraging - staat een interessant interview met de Tsjechische historicus Miroslav Hroch. Die man is met zijn boek ‘Social preconditions of nationalist revival in Europe’ van grote invloed geweest op het gedachtegoed van Bart De Wever - blijkbaar was dat meteen ook dé reden om hem te gaan interviewen - en als De Wever zo succesvol is kunnen worden dan heeft dat ook met de inzichten van Hroch te maken. Hroch heeft het over nationalisme als middel en niet als doel. Wat Vlaanderen betreft, is Hroch van mening dat de Vlaamse natie al een feit is. Onafhankelijkheid is dan ook nergens voor nodig. “De Vlaamse natie heeft alle sociale lagen bereikt. En ze functioneert redelijk autonoom. Als men dan nog voortstrijdt, gaat het om iets anders. Dan wordt het een gevecht om macht, tussen politici. Ik wil niet té hard uit de hoek komen, omdat ik de Vlaamse situatie natuurlijk maar vanop een afstand volg. Maar zolang de natie niet volledig gevormd is, zie je dat de leiders vooral willen géven aan de natie. Ze willen de gezamenlijke waarden van de natie opbouwen, ze willen het zelfbewustzijn van de bevolking opkrikken. In de meest extreme gevallen willen ze hun leven schenken. Maar als de natie voltooid is, dan slaat het geven bij politici langzaam om in nemen. Dan wil men via de natie macht verwerven. Maar dat is voor de natievorming zélf niet essentieel. Om het cru te zeggen: de Vlaamse natie zou ook zonder Bart de Wever bestaan. Hij is vooral bezig met een machtsstrijd. (...) Wordt de Vlaamse cultuur nog onderdrukt? Bevindt het Nederlands zich nog in het verdomhoekje? Zit het onderwijsbeleid nog niet in Vlaamse handen? Nee toch?”

woensdag 30 augustus 2017

Gerhardt Schtitt

Het zou best weleens kunnen dat mijn nieuwsconsumptie vooral voortkomt uit verveling en in mindere mate vanuit werkelijke interesse voor wat er in de wereld gebeurt. Het zou best weleens kunnen, maar misschien is het ook niet zo. Op dit moment, op deze dag, op dit uur vind ik het onzinnig om daar al te hard over na te denken. Ik ben wel benieuwd hoe anderen dat voor zichzelf ervaren.
Gerhardt Schtitt. Een nieuwe naam om toe te voegen aan de reeds lange lijst personages met grappige namen van David Foster Wallace.
Wallace eist veel van mij, zijn lezer, maar ik krijg er iets belangrijk voor in de plaats. Wallace presenteert mij beelden en taferelen waar ik zelf nog nooit aan heb gedacht. Hij komt met vondsten die mij aan het lachen maken of mij weten te verwonderen. In die zin doet hij iets waarin 98% van alle ‘echte’ kunstenaars niet slaagt.
Drie geheugen-neuronen die in iemands brein zoals levende wezens een heroïsche strijd leveren met andere geheugen-neuronen opdat een specifieke herinnering niet door de persoon in kwestie zou worden vergeten.
Toeschouwers die vanuit een tribune zo aandachtig naar een spektakel kijken dat hun ogen steeds groter worden, tot die uit hun kassen vallen en de toeschouwers verdwijnen waarna er enkel nog oogballen zo groot als mensen in de tribune zitten.
Een reportage over 14 mensen die John Wayne heten, maar die geen van allen de bekende acteur zijn.
‘The man who began to suspect he was made of glass’
Gesponsorde jaren. Geen jaartallen in dit boek, wel jaren die volledig genoemd zijn naar een bepaald product, zoals bijvoorbeeld Het Jaar van Coca-cola (niet in dit boek, slechts ter voorbeeld).
Een tennisveld ter grootte van een voetbalveld, en hoe erop te tennissen.
De term ‘après-garde’.
En ga zo maar door.
Wallace was duidelijk een dikwijls gedrogeerde, hyper-ambitieuze schrijver voor wie het opzet nooit groot genoeg kon zijn. Denk aan de aspirant-schrijver die al lachend zegt dat hij het boek wil schrijven dat alle andere boeken die ooit geschreven zijn overbodig zal maken. Wallace had die ambitie misschien wel écht. Mijn exemplaar van ‘Infinite Jest’ is 983 klein beschreven pagina’s dik en daar komen nog eens 96 pagina’s met eindnoten bij. Die eindnoten kunnen dan ook nog eens bijzonder lang uitvallen. Veel lezers knappen daarop af of worstelen daar mee, maar Wallace was duidelijk geen man van de tegemoetkoming. Verwonderd als ik ben, lees ik álles, al stel ik me aldoende weleens de vraag wat ik daar eigenlijk aan heb, om meteen daarna te besluiten dat het niet nodig is om aan alles iets te hebben. (Het was mij onmiddellijk duidelijk dat ik niks zou hebben aan het pretentieuze, voor mij onbegrijpelijke ‘Zwerm’ van Peter Verhelst, maar toch heb ik dat boek uitgelezen. Just for the sake of it.)
De meest verrassende passage die ik tot nu toe las in ‘Infinite Jest’, was misschien wel die waarin Wallace een afro-Amerikaans meisje - maar dat wordt nergens specifiek benoemd - echt afro-Amerikaans ‘slang’ in de mond legt. (“Wardine say her momma aint treat her right. (...) Wardine be cry. Say Wardine momma man Roy Tony be want to lie down with Wardine. Be give Wardine candy. Be stand in her way in Wardine face and he aint let her pass without he all the time touching her. (...) My momma say Wardine momma not right in her head. Wardine be cry.” Je hoort het wat klagerig klinkende southern accent er helemaal bij. En dat gebeurt allemaal in the Year of the Trial-size Dove Bar.
Een vriend die veel beter Engels spreekt dan ik - mijn Engels is zeer matig, ‘Infinite Jest’ lezen lukt maar nét - maakte mij er ooit op attent dat ‘ice’ en ‘eyes’ niet op dezelfde manier worden uitgesproken. ‘Eyes’ spreek je blijkbaar uit als ‘aaiz’. Ik wist dat niet. Ik zong ‘In My Eyes’ van Milk Inc. mee, en dat klonk blijkbaar als ‘in my ice’. Sindsdien ben ik heel oplettend voor dat verschil in uitspraak.

dinsdag 29 augustus 2017

Lucas en het springkasteel

Iemand bij wie ik vroeger eens per week op bezoek ging, peperde mij in dat ik talen moest leren. Talen, talen, talen. Hij had het altijd over talen. “Leer talen!” drong hij aan, zonder voldoende te kunnen staven waaróm ik zo nodig die talen moest leren. Want zeg nu zelf: behalve Engels en Frans hoeft een Nederlandstalige Belg toch geen talen te kennen? Ik spreek nooit Duits en mocht ik een Duitser ontmoeten, wat nog nooit is gebeurd, dan zou ik Engels met hem praten. Hetzelfde geldt voor Spaans, Italiaans en andere talen. Akkoord, je kan er je voordeel mee doen wanneer je een taal kent die weinig anderen kennen, maar.. Ach, het is niet eens een uitweiding waard.
Diezelfde man van de talen - ik zal hem Luckas noemen - stopte mij toen ik een jaar of 14 was een Franstalig boek toe, ‘L’amant’. Hij spoorde mij aan om daarin te lezen. Hij gaf mij een woordenboek en liet mij alleen. Ik herinner me dat er héél veel woorden in dat boek stonden die ik niet begreep. Ik had er echter een tegendraads plezier in gevonden om ál die woorden die ik niet kende op te zoeken waardoor het lezen helemaal niet vorderde. Toen Luckas kwam kijken hoe het met mijn lectuur was gesteld, zag hij dat ik een hele woordenlijst had aangelegd, maar dat ik in het boek zelf nog geen drie pagina’s ver was gekomen. Daarop besloot Luckas dat ik niet verder hoefde te lezen in ‘L’amant’. Mijn Frans was nog niet goed genoeg om het boek te kunnen begrijpen.
Nu ik ‘Infinite Jest’ van David Foster Wallace lees (in het Engels, bij gebrek aan een vertaling in het Nederlands) moet ik ook op de tippen van mijn taaltenen lopen. Er passeren paragrafen die ik maar half begrijp. Maar ook al doet die David Foster Wallace graag moeilijk - hij staat bekend om zijn ellenlange voet- en eindnoten - de grote lijnen van het verhaal kan ik tot nu toe goed volgen. Luckas, die ik nog slechts enkele per jaar zie, zou tevreden zijn als hij wist dat ik in het Engels lees, al moet ik zeggen dat hij in de loop der jaren veel minder op die taalnagel is gaan kloppen. Alsof hij zélf heeft ingezien dat talen ook maar talen zijn. Luckas kijkt tegenwoordig liever naar herhalingen van ‘Witse’ dan dat hij met zijn neus in de woordenboeken zit, heb ik me laten vertellen. Het weze hem op zijn oude dag van harte gegund.
Ik heb dromen gehad.
Roger Federer wint in de finale van een niet ander genoemd tornooi met 7-5 6-3 van Rafael Nadal. Een zoveelste overwinning van Federer op Nadal dit jaar. Kan Nadal op hardcourts nog wel van Federer winnen?
Ik zit op een bus met klasgenoten(?) en voer het hoge woord. Ik zit vooraan op de beste plaats en roep naar achter dat ik toch een beetje de Roger Federer van dit gezelschap ben. Ik kan zitten waar ik wil, ik kan mij alles permitteren.
Ik vraag aan mijn vriend P. of zijn vriend V. nog steeds getrouwd is met - ik kan niet op haar naam komen. P. antwoordt dat V. inderdaad nog steeds getrouwd is met K.. “V. is dol op dikke borsten en K. heeft die. Voor de rest stelt hun relatie niet zoveel meer voor.”
Ze kijken natuurlijk raar op wanneer een volwassen man het springkasteel betreedt. De kinderen, maar zeker ook de ouders. Dat de kinderen raar opkijken (en plots héél stil worden) is niet zo gek, dat de ouders raar opkijken vind ik veel gekker. Waarom zou ik als volwassene niet op een springkasteel mogen kruipen? Ik zou toch óók eens goesting kunnen hebben om een salto te maken? Het is erg dat mensen het kind in zichzelf begraven van zodra ze zelf kinderen hebben. Nog erger is de vaststelling dat jonge ouders voor vanalles en nog wat bang zijn. Elke situatie is potentieel gevaarlijk en elke vreemde man heeft het slecht voor met kleine kinderen. Ouders die hun kinderen tien seconden uit het oog verliezen, zouden voor het gerecht moeten komen wegens nalatigheid, onoplettendheid, verzuim. Volgens mij is een significant percentage jonge ouders het min of meer met deze boude stelling eens.
“Als ge maar niet op mijn kinderen springt”, zei de mama toen ik vroeg - ja, ik vroeg zelfs toestemming, op zich al belachelijk - of ik even op het springkasteel mocht kruipen. Ze zei het niet belerend of met verontwaardiging in haar stem, maar toch. Alsof ik niet het verantwoordelijkheidsgevoel zou hebben om met die kinderen rekening te houden. Ik had gewoon zin in een salto, ik wilde door de lucht zweven, iets waartoe ik niet elke dag de gelegenheid heb. Ik was curieus zoals kleine kinderen (én volwassenen) voortdurend curieus zijn naar alles wat een beetje van het normale afwijkt.
Een verrekijker, om wat je met het blote oog nauwelijks kan zien plots heel scherp te zien. Wauw, cool, opwindend, ongewoon! Een hangmat. Geen bed, maar een mat, niet met poten op de grond, maar tussen twee bomen in, liggen maar ook hangen, weinig comfortabel, maar niettemin kei leuk! Een trampoline. De illusie van vliegen, de wind die door je haren waait. Wauw! Ik voel me vrij. Dit wijkt af van het normale. Ik maak plezier. Maar dan word ik papa en loop ik niet meer balancerend op de stoeprand. De fun is voorbij, wat eens fun was is nu een potentieel gevaar. Nu toon ik hoe het wél moet en loop ik keurig op het voetpad. En wanneer mijn kind mijn keurige voorbeeld niet volgt, berisp ik het. “Kom daar af!” “En nu is het genoeg, hé!” “Wat zeg je dan tegen de mevrouw? Dánku, mevrouw.” Nu ik papa ben en het goede voorbeeld moet stellen, begin ik plots ook met je en jij te praten. Ik maak mezelf geweldig belachelijk.
Ik, kinderloze Alexander, ben van mening dat een volwassen man zich ‘onvolwassen’ mag gedragen in het bijzijn van vreemde kinderen. Een kind mag weten dat een volwassene soms dezelfde goestingen heeft als een kind. Door de lucht springen, op een reling balanceren en noem maar op. Als een kind gewend raakt aan slechts één type gedrag van volwassenen (verantwoordelijk, nadrukkelijk niet-kinderachtig) krijgt het een verkeerd beeld van wat een volwassen persoon kan en mag zijn. “Je moet de meneer niet nadoen hé”, dringt de jonge moeder er bij haar kinderen op aan. Nee, natuurlijk moeten ze mij niet nadoen, maar ze kunnen de meneer maar gezien hebben. Ze kunnen maar weten dat de gekke meneer bestáát.

maandag 28 augustus 2017

Ctrl-Z, een kalmeermiddel op twee benen

Het leven kan heel wreed zijn. Zo wreed dat ge voortdurend zoudt willen dat ge bepaalde zaken ongedaan kont maken. Gelijk als met control-Z op uw computer. Dat is toch een geweldige functie? Ik moest daar on-mid-del-lijk aan denken toen ik daarnet een pak spaghetti waarvan ik dacht dat het nog niet geopend was uit mijn pollen liet glippen waarna tientallen, zoniet honderden, nog niet aan de kook gebrachte spaghettislierten zich genadeloos over de grond uitstortten waardoor het nu lijkt alsof er een rieten matteke voor mijn fornuis ligt.
Control-Z, schreeuwde ik inwendig. Alstemblieft, gun mij nu een control-Z’ekke. Want, allez, dit voorval is toch te lullig om zomaar te laten passeren? Dit gaat toch over niks? Is dit, God, een boodschap van uwentwege? En wat wilt gij daar dan eitelijk feitelijk mee zeggen? Stilte. Altijd maar weer uw eindeloze stilte. Maar ondertussen zal bibi ‘t hier wel weer opruimen, ja ja. 300 of misschien 500 spaghettislierten, nondedoeme. Allemaal om weg te smijten. Serieus, als er een god bestaat, met of zonder hoofdletter, mannelijk, vrouwelijk, transgender of nog iets anders, als er een god bestaat dan is het een creatuur (of een windvlaag die stillekes tussen de bomen waait voor mijn part) die zich van mij niet al teveel aantrekt en die mij van tijd tot tijd eens ferm in mijn gezicht uitlacht. Een pak spaghetti over de vloer uitstorten en de slierten wel zodanig laten neerkomen dat ge de indruk zoudt krijgen dat er een rieten matteke aan uw fornuis ligt. In het Engels hebben ze daar een schoon woord voor: pointless. Dit ‘spaghetti-accident’ is pointless tot en met. En God in den hemel of wherever ge zijt, gij wéét dat, dat dat pointless is, maar het kan u niks bommen en meer in het algemeen heb ik sterk de indruk dat er weinig is dat u iets kan bommen. Zelf zou ik eerlijk gezegd gerust wat bommen op uw kop willen komen gooien, daar hoog in de hemel waar gij u verschanst en waar ge misschien, wie zal het zeggen, ganse dagen aan uw ballen zit te krabben, als ge al ballen hebt, want dat valt natuurlijk nog te bezien. Bij deze inviteer ik u, God: áls ge ballen hebt, hetgeen ik dus sterk betwijfel, dan steekt ge hier bij mij uw kop eens binnen zodanig dat we mekander wat beter kunnen leren kennen. Ik peis nu al zeker vijftien jaar regelmatig over u na en uw mysterie blijft tot nader order en tot mijn groot ongenoegen onopgelost. Ik heb daar nu mijn buik van vol zoals een tien maanden zwangere vrouw haar buik vol heeft van een vierling. Ge komt met andere woorden eens langs bij mij en dan drinken we een plat waterke of een theeke, al naar het u belieft. Muntthee, ginger orange, throat comfort, ijzerkruid, enfin, er is keus zat. Maar ik denk, nee, ik wéét dat ge niet gaat komen, God. Ik wéét dat ge uw kat gaat sturen en mij opnieuw gaat belachelijk maken om weer maar eens onduidelijke redenen. En, ik wik mijn woorden maar ik moet het zeggen gelijk het is: ik haat u voor wat gij mij (en al die andere onschuldige mensen en dieren en planten en noem maar op die van u op deze planeet moeten leven, maar ik spreek niet in hun naam), ik haat u voor wat gij mij soms aandoet. Een pak spaghetti pardoes tegen de grond kwakken. Wat heeft dat te betekenen? Waar heb ik potverdekke zo’n willekeurige stommiteit aan verdiend?
Val dood, God.
What do you get when you cross an insomniac, an unwilling agnostic, and a dyslexic?
You get somebody who stays up all night torturing himself mentally over the question of whether or not there’s a dog.
- David Foster Wallace, ‘Infinite Jest’, p. 41
Een vriend van mij kan heel lyrich zijn over Hanne Decoutere. Hij vindt het nieuwsanker van de VRT een ongelooflijk mooie vrouw. Als zij ‘Het journaal’ presenteert, durft hij al eens vijf minuten van dat programma mee te pikken, een vorm van zelfkwelling waar ik mij persoonlijk zo weinig mogelijk aan blootstel. Als ik Hanne Decoutere dan toch eens zie presenteren, vind ik steeds dat ze er erg moe uitziet. Ik heb ook de indruk dat ze haar job niet graag doet en hoewel dat sneu is voor haar, mocht mijn indruk kloppen tenminste, kan ik haar perfect begrijpen. Al dat stomvervelende nieuws van een autocue moeten aflezen en dat dan nog liefst op een toontje dat eerder geschikt is om kleuters een voor hen spannend verhaal te vertellen. Nee, daar wordt geen weldenkend mens vrolijk van.
Waarom ‘Het journaal’ niet van het scherm halen, zoals men dat door de jaren heen met ‘Jan publiek’, ‘De rode loper’, ‘Het swingpaleis’ en zovele andere afgezaagde dinosaurussen heeft gedaan? Of begin al eens met ‘Het journaal’ tijdens de zomermaanden door een leuke natuurdocumentaire te vervangen. In de zomer gebeurt er toch niks en met die twintig feelgood-items over Tomorrowland die onlangs passeerden, maak je de Vlaming, een kalmeermiddel op twee benen, enkel nog depressiever dan hij al is. Of gooi het roer drastisch om en laat pakweg Bart Peeters het nieuws voorlezen. Zo komt die mens ook nog eens op tv. Of een van die supergetalenteerde, zich totaal niet het sterrendom inneukende dochters van Jan Leyers, zou dat niks zijn?
Enkele jaren geleden zat ik met een vriend in een kebabzaak en op de vensterbank lag een Humo met op de cover een schaarsgekleden Ella Leyers. “Die zou gij weleens willen doen, hé”, gokte ik. “Ja,” beaamde hij, “maar dan wel met een zak over haar kop.”
Ik heb vrienden... Gij kunt alleen maar dromen van het soort vrienden dat ik heb.

zondag 27 augustus 2017

De eerste keer, een smartphone van 1000 euro

“Voor jou is dat genoeg”, antwoordde ze al lachend toen ik zei dat ik ging verhuizen naar een studio van 18m². Ik vroeg waarom dat in het bijzonder voor mij genoeg was. “Omdat je dan niet zoveel plaats hebt om rommel te maken.”
(Ligt het aan mij of zijn het enkel vrouwen die dat soort dingen zeggen? Een man zou zoiets toch nooit zeggen?)
In de weekend-Standaard lees ik graag de column van IT-journalist Dominique Deckmyn. Vandaag schrijft hij over smartphones van 1.000 euro.
“Het consumentenvertrouwen keert terug, lezen we overal. En dus mag het geld weer rollen. (...) En warempel, de technologiebedrijven ruiken de opportuniteit. Samsung lanceerde deze week met de Galaxy Note 8 de eerste smartphone van 1.000 euro. Apple doet over enkele weken waarschijnlijk hetzelfde. (...) Boven de zogenoemde vlaggenschip-smartphones van 750 à 800 euro, komt er een nieuwe prijsklasse rond de 1.000 euro.. (...) Maar hoe onderscheidt die smartphone van 1.000 euro zich van die van 750 euro? Het gaat om heel kleine details. En die hebben dan nog vooral te maken met hoe de apparaten eruitzien, niet met hun werking. (...) Het belangrijkste onderscheidende kenmerk van smartphones is dit jaar blijkbaar de rand van het scherm. Eigenlijk mag er geen zichtbare rand meer zijn, het scherm zweeft als het ware in de lucht. Je bespaart daarmee een paar millimeter plaats in je zak, maar doet zo’n Galaxy Note 8 iets nuttig met die millimeters? En hoeveel mag dat extra kosten? Als kapitaalkrachtige mode- en merkbewuste mensen straks massaal de Galaxy Note 8 en de iPhone 8 gaan kopen, dan kosten de smartphones van 2018 straks waarschijnlijk nóg meer. Apple en Samsung krijgen een nog grotere hap uit ons jaarlijks budget. Ten koste van wie, zal achteraf wel blijken.
Andere fabrikanten waren al niet in staat om 750 euro te krijgen voor hun smartphones. Ze mogen elkaar verder blijven bekampen met Android-telefoons van 79 of 199 euro. Daardoor krijg je in die prijscategorie nu wel verbazingwekkende kwaliteit. Dat is dan weer het goede nieuws: wie zich niet laat vangen aan die 1.000-euro-smartphones, ‘bespaart’ meer geld dan ooit. En moet daar letterlijk niets voor missen. Maar hij moet wel een randje rond zijn scherm dulden.”
Ik hoef geen smartphone van 79 euro, geef mij er maar een van 1.000.. Als je die in het openbaar tegen een muur aan diggelen gooit, veroorzaak je waarschijnlijk nog enkele dierlijke kreten van afschuw, terwijl men voor een goedkope (< 200 euro) wellicht de schouders ophaalt.
‘Diggelen’ is een mooi woord, trouwens. Net als ‘scherven’ en ‘gruzelementen’.
Poolse rodebietensoep, oftewel barszcz, ik krijg er geen genoeg van. Niet van de soep en niet van het woord. Barsjtsj. Mijn lief en ik zijn over het algemeen heel gelukkig samen, maar de laatste tijd vertoont onze relatie toch wat barszcz.
De eerste keer dat je in het nieuwe bed goed uitgeslapen wakker wordt, maar dat je je realiseert dat je in deze kamer nooit heel lang zal kunnen uitslapen omdat het daglicht frontaal doorheen de witte gordijnen naar binnen schijnt. De eerste keer dat je denkt dat het misschien maar best is zo, dat dat lang uitslapen eigenlijk nergens voor nodig is. De eerste keer dat je naar een nieuwe supermarkt gaat in de wetenschap dat je daar het komende jaar nog heel vaak zal komen. De eerste keer dat je (in die supermarkt) shampoo met de geur van pompelmoes koopt en de eerste keer dat je haar na het wassen mogelijk naar pompelmoes ruikt (maar dat zal wel niet). Intussen de zevende of achtste keer dat je minutenlang vanuit de verte koeien hoort loeien. Tevens de derde of de vierde keer dat je je afvraagt of je misschien liever schapen zou horen blaten. De eerste keer ooit dat je vanuit je slaapkamer uitkijkt op bomen. En de eerste keer dat je je overbuurvrouw op de gang tegenkomt en dat ze kort knikt zonder iets te zeggen. De tweede keer in twee uur tijd dat je je hoofd nét niet stoot aan de onverbiddelijke hoek van het openstaande venster. De opluchting die je voelt wanneer je je realiseert dat je bij gebrek aan internet geen toegang hebt tot nieuwswebsites. De zoveelste keer dat je je afvraagt waarom je de actualiteit op de voet blijft volgen. Mogelijk niet de allereerste keer dat je desalniettemin de weekendkrant koopt omdat je echt niet weet wat er in de wereld gebeurt. Allesbehalve de laatste keer dat je reclamefolders uit je brievenbus haalt om die vervolgens in andermans brievenbus te proppen.
Voor alles (en zoals bekend zeker ook voor seks) is er een eerste keer. Je mag niet onderschatten welke waarde die eerste keer heeft. Wanneer je alles wat je doet al honderd keer eerder hebt gedaan, is er iets mis. Je kan dingen gerust tienduizend keer doen, dat is niet verkeerd, maar zorg ervoor dat je ook eens iets nieuws doet (en dan niet alleen op vlak van seks). Nieuwe dingen houden je enigszins fris. Ik ben al meer dan tienduizend keer wakker geworden en aan een nieuwe dag begonnen - de tienduizendste dag van je leven vier je op 27 jaar, vier maanden en nog enkele dagen - maar en route ben ik al enkele keren van bed, van kamer, van woonplaats veranderd. De motor van mijn leven zal altijd wel wat sputteren, maar wanneer de kans zich voordoet probeer ik die motor te herstellen. Of nog: als mijn leven een fiets was, rijd ik vele ritten op halfplatte banden, maar als ik mijn moment gekomen acht, zoals nu, pomp ik mijn banden op. En dat doe ik trouwens lang niet voor de eerste keer.