zaterdag 2 september 2017

Een pannenkoek met een wifi-stick

Is het nodig om iets tegen ons enorme (of toch groeiende) zelfbewustzijn te ondernemen? Kan dat überhaupt? Ja, ik ben me er heel erg van bewust dat ik nu loop te toeteren hoe fijn het is om thuis geen internet te hebben maar dat ik een mal figuur zal slaan als binnen een week blijkt dat ik mijn verbindinkje toch niet kan missen. Dat zou lullig zijn. Dan zou blijken dat ik een beetje voor mijn beurt gesproken heb. Zeer zelfbewust van mij. Maar mocht het echt zo uitdraaien, verneemt u het zeker. Ik ga niet hypocriet doen. En ik weet dat al mijn Facebookvrienden al mijn statussen lezen, dus besef ik dat ik een bepaalde verantwoording af te leggen heb.
(Hiermee heb ik eigenlijk niks wezenlijk over ‘ons enorme zelfbewustzijn’ gezegd. Het zij zo. ‘t Kan ni elken dag kermis zijn.)
Ik stel vast dat ik met internet in huis bijna meteen nadat ik opsta controleer of ik e-mails ontvangen heb. (Eerst Facebook, dan Hotmail, dan Gmail, dan Sporza (niet altijd), dan deredactie.be (dat nu van naam veranderd is), dan de tennisuitslagen op Livescorehunter en daarna opnieuw Facebook voor een uitgebreidere studie van alle interessantigheden die daar bij die gelegenheid weer op te lezen staan.) Nu komt het me voor dat e-mails checken eerder iets is dat je op kantoor doet, niet thuis, en al zeker niet ‘s ochtends.
Pas deze week heb ik bewust kennisgemaakt met het fenomeen wifi. Ik vroeg me al lang af wat dat was en nu weet ik het.
P.S.: mijn wifi was ‘kapot’ - nee, geen idee wat dat precies betekent - dus ik ging in de Fnac om raad bij een computerverkoper. Die was zeker tien minuten in de weer met een wifistick - ik wist niet van het bestaan van zo’n ding - en wist daarmee het probleem op te lossen. Er zit nu permanent een wifistick in mijn laptop ingeplugd. Ik ben mee met mijn tijd.
De verbazing die doorklinkt in de stem van Luckas als hij mij belt over mijn verhuis. Alsof hij zich erover blijft verwonderen dat ik dan toch geen slappe pannenkoek ben die altijd op zijn gat blijft zitten wachten tot iemand anders de dingen in zijn plaats doet. En ik die vriendelijk maar zonder één woord teveel antwoord op zijn drie keer terugkerende vraag of ik wel ‘rondkom’. “Ja ja, da’s totaal geen probleem.” “Moet ik nog helpen verhuizen?” “Nee danku, alles is al verhuisd.” Hij lijkt moeilijk te kunnen vatten dat ik een netwerk van vrienden en kennissen heb waar hij blijkbaar het bestaan niet van vermoedde en waar hij geen deel van uitmaakt. Misschien denkt hij altijd maar weer - zoals een goudvis met een geheugen van zes seconden - dat hij (van)alles over mij weet om dan plots te beseffen dat hij blijkbaar bijna niks weet. Ik neem het hem niet kwalijk. Hij bedoelt het niet slecht.
SMS: “Is uw internet in orde!?”
“Ik heb mijn abonnement opgezegd.”
Onmiddellijk telefoon: “Hoezo!?”
In ‘Baby Driver’ hoorde ik een flard van Dr. Dre’s “That’s the motherfucking D.R.E.” - altijd leuk - en mijn eerste gedachte was om dat bij thuiskomst nog eens lekker door de kamer te laten schallen. Helaas staat dat liedje niet op mijn computer, zo realiseerde ik me nog diezelfde seconde. En dat kwam aan als een klap, ik ga daar niet flauw over doen. Ja, ik zat daar in die filmzaal met het plotse verlangen om al mijn favoriete liedjes als baby’s bij mij op mijn computer te hebben. Al mijn cd’s staan in de kelder van mijn moeder en mijn Spotify-playlists kan ik niet afspelen als ik offline ben. Toestanden! Ik ga mij hier het hele weekend mee bezig houden. Gene zever

Geen opmerkingen: