Euh. Hoe begin ik hier aan? Ik ben zo fuckin' leeg. Maar ik moet eventjes recht blijven en mijn vingertjes hun werk laten doen. Uit mijn hoofd zal het nu toch niet komen. Schrijven komt hoe langer hoe meer uit mijn buik. Om te schrijven zet ik tegenwoordig mijn gedachten op nul. En dan komen er de gekste dingen.
We zijn er geweest, uiteindelijk. Het Bagdad van België. (Zo bedacht ik het op de trein maar het is natuurlijk complete bullshit. Het Bagdad van België schijnt Kuregem te zijn, maar zolang ik de toestand daar niet met mijn eigen oogjes gezien heb doe ik er mijn mondje niet over open.)
Maar dus, we zijn in Charleroi geweest en als u het wil weten: neen, dat is geen aanrader. Ik ben een gevoelige jongen en de twee uurtjes die ik in die stad heb rondgedoold waren er ruim genoeg aan. Deprimerend, zo is het daar. Of: louche. We waren benieuwd, zou het Vlaamse, bijzonder negatieve beeld wel kloppen? Het klopt. Charleroi is dood en een plek om weg te blijven.
Die stationsbuurt. Een wijf van vijftig dat geen moeite doet om haar verlepte tieten binnen te houden. "Moeite doen, in Charleroi?" zo denkt ze misschien op automatische piloot. "Waarom moeite doen in een stad die de moeite niet is?"
Even verder - we zijn intussen leegstand en een plas urine gepasseerd - staat een hoer.
Iedereen rookt hier, iedereen, en een jongetje van een jaar of zes rijdt op een BMX, gilt in het ijle naar iemand die hem aandacht wil geven en draagt een oorbel. Zijn eigen idee?
De Samber over en naar de winkelstraten. Die zijn wat ze moeten zijn: mooi aangelegd, een Inno, Free Record Shop,.. Maar die mensen weer. Hopeloos, zegt mijn broer en hij heeft gelijk. Deze mensen hebben geen hoop.
Er is geen geld in Charleroi. Huizen staan te huur en niemand om ze te huren. Zou u een huis huren dat eruit ziet alsof een tiental junkies er net zijn uitgekropen nadat ze in alle hoeken van alle kamers hebben gezeken? Geef die stad geld, jongens politici, die stad heeft geld nodig, snel. Geef die stad haar waardigheid terug, want zelfs van de lelijkste snol is wel iets schappelijks te maken. Charleroi ís niet eens lelijk, enkel maar een papperig geworden meisje dat omzeggens de goesting niet terugvindt om te gaan joggen. Waarom joggen als je broer en ouders al om tien uur 's ochtends rokend tv liggen te kijken?
In een straatje buiten het centrum wordt het eng. We lopen er ook lullig bij als zichtbare niet-Carolo's. Dat hebben ze wel gezien, spiedend als ze zitten te niksen. Wie nikst heeft tijd voor observatie, ik kan het weten. Dan horen we achter ons "pssst!" - kan niks met ons te maken hebben. Nog eens "pssst!" - even kort omkijken en een gast van een jaar of twintig voor een afgebladderd huis op een stoel zien zitten. Hij provoceert om toch maar iets te doen, maar laat ons wel gewoon doorlopen. Kennelijk hebben zijn ouders hem geleerd om te blijven zitten, eens je zit. Nog een laatste keer "pssst!".
We moeten terug naar waar de mensen zijn. Er is een trouwfeest aan de gang. Italianen, of een ander volk dat veel lawaai maakt. Charleroi is geen blanke stad. De Carolo's zijn mediteraans, of - komt ie! - Mehditeraans. Niks mis mee natuurlijk, maar dat het 'er' mee te maken heeft lijkt mij wel zeker.
We kunnen hier niks blijven doen, we zijn bedrukt. Alles wat emoties losmaakt is de moeite en dus is Charleroi de moeite. Absoluut. Maar toch: blijf er weg. Geloof ook de stadsgids (een brochure) niet die zegt dat er achter elk hoekje een prachtig gebouw verscholen gaat en dat de Carolo's lachen dat het een aard heeft. Wij hebben geen mensen zien lachen, of was dat vooringenomenheid? Neen. Wij hebben geen mensen zien lachen.
Wij hebben mannen zien 'hangen', auto's horen boenken, kleuters horen krijsen, tetten zien zwabberen, gebronzeerde wijven zien manken en krotten horen kreunen. Wij hebben een stad gezien die uw fuckin' geld nodig heeft, maar uw fuckin' geld waarschijnlijk niet eens wil. Charleroi is de zinkende Titanic en dood gaan we toch. En wie is dan de onnozelaar die tot de laatste minuut de bemanning wil voorzien van viool en accordeon? (De onnozelaar, maar zo mag ik hem niet noemen want hij was hét lichtpunt van de dag, was een man die als een beer danste voor geld. Die man heb ik beloond.)
Conclusie: nooit meer. Nooit meer, zeg ik u. Of jawel, sowieso wel. De energie om zo'n plaats te torsen moet je gewoon doseren over lange periodes. Maar niettemin ga je je als vanzelf afvragen wat mooie, lieve Vlaamse jongelingen in de brousse van Charleroi te zoeken hebben. Konden wij eigenlijk niet gewoon zoals iedereen naar de zee gaan, broerlief?
Posts tonen met het label trein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label trein. Alle posts tonen
zaterdag 17 juli 2010
maandag 28 juni 2010
Rijk en leeg
Hij heeft zijn iPod weer op zijn oren. Ik denk niet dat hij buitenkomt zonder zijn iPod. Het ding braakt vage beats uit, ze komen mijn richting uit. Hij communiceert dat iedereen hem met rust moet laten, hij communiceert dat hij hier, met een vijftal andere mensen wachtend op de trein, helemaal alleen is zoals hij in zijn slaapkamer helemaal alleen is. Wij (ik?) moet(en) meeluisteren naar de muziek waar hij naar luistert, maar die klinkt ons (mij?) in de oren als storend lawaai, omdat we (ik?) enkel die matte beat kunnen opvang(en).
Ik ken deze jongen en ik meen te zien wat er in hem leeft. Hij is een adept van het systeem. Hij leest de bordjes niet op trein die vragen om het stil te houden met die iPod in een gemeenschappelijke ruimte. Ja, hij houdt het stil, vanuit zijn standpunt zal dat wel zo zijn, maar ik denk daar anders over. Ik heb geen zin om naar verhakt geboenk te luisteren en ik kan dat verhakt geboenk niet los zien van zijn lege (zelfgenoegzame?) blik die verraadt dat hij hier alleen is, zoals hij alleen is in zijn slaapkamer.
Ik ken deze jongen. Ik ben er van overtuigd dat hij met zijn ouders enkel over school en praktische zaken praat. "Dinsdagavond de tandarts niet vergeten hé," dat soort onderwerpen. En hij antwoordt: "Nee ma, hoeveel keer ga je dat nu nog herhalen?" Waarna hij naar buiten gaat, want hij heeft afgesproken met vrienden.
Deze jongen spreekt altijd af met vrienden. Aan hen vertelt hij veel meer dan aan zijn moeder. Hij kent zijn moeder niet, zijn moeder kent hem niet, en zo vinden ze het goed. Zijn vrienden kent hij ook nauwelijks. Hoe moet hij ze ook leren kennen als ze elkaar enkel zien als ze zat zijn? Hij komt omzeggens niet verder dan vage omschrijvingen als "chille gast om mee naar de Fuse te gaan".
Ik ken ook zijn zus. Die is ook onafscheidelijk van haar iPod, maar van haar muziek vang ik geen flard op. Ze kijkt altijd nors, kennelijk omdat ze nauwelijks plezier beleeft aan gewone dingen zoals naar muziek luisteren. Ze doet het uit gewoonte en omdat een iPod zoiets is als een portefeuille: je hebt 'm bij je omdat je je identiteit ermee gestalte geeft.
Ik ken ook hun ouders: die zijn rijk en leeg. Hun huis stond vol, maar sinds de verbouwing is dat ook leeg. Of dat straalt die postmoderne, kille, inrichting toch uit. Die witte muren, dat kapitalistische streven waaraan ze mee doen, maar dat hen eigenlijk niet substantieel gelukkiger kan maken. Nog goed dat ze dat niet onder ogen kunnen zien.
In juli gaan de ouders drie weken door Vietnam, Maleisië en Laos reizen. Ze zullen terugkomen en nieuwe reisplannen maken. Latijns- Amerika. Ze zullen geen bal van Maleisië, Vietnam of Laos gezien hebben, omdat ze dat niet kunnen, tussen de regels zien. Ze zullen vertellen over het restaurants, het weer en de hotels. Ze zullen de kloof tussen hun rijkdom en de armoede ter plaatse negeren.
Ik ken deze jongen en ik meen te zien wat er in hem leeft. Hij is een adept van het systeem. Hij leest de bordjes niet op trein die vragen om het stil te houden met die iPod in een gemeenschappelijke ruimte. Ja, hij houdt het stil, vanuit zijn standpunt zal dat wel zo zijn, maar ik denk daar anders over. Ik heb geen zin om naar verhakt geboenk te luisteren en ik kan dat verhakt geboenk niet los zien van zijn lege (zelfgenoegzame?) blik die verraadt dat hij hier alleen is, zoals hij alleen is in zijn slaapkamer.
Ik ken deze jongen. Ik ben er van overtuigd dat hij met zijn ouders enkel over school en praktische zaken praat. "Dinsdagavond de tandarts niet vergeten hé," dat soort onderwerpen. En hij antwoordt: "Nee ma, hoeveel keer ga je dat nu nog herhalen?" Waarna hij naar buiten gaat, want hij heeft afgesproken met vrienden.
Deze jongen spreekt altijd af met vrienden. Aan hen vertelt hij veel meer dan aan zijn moeder. Hij kent zijn moeder niet, zijn moeder kent hem niet, en zo vinden ze het goed. Zijn vrienden kent hij ook nauwelijks. Hoe moet hij ze ook leren kennen als ze elkaar enkel zien als ze zat zijn? Hij komt omzeggens niet verder dan vage omschrijvingen als "chille gast om mee naar de Fuse te gaan".
Ik ken ook zijn zus. Die is ook onafscheidelijk van haar iPod, maar van haar muziek vang ik geen flard op. Ze kijkt altijd nors, kennelijk omdat ze nauwelijks plezier beleeft aan gewone dingen zoals naar muziek luisteren. Ze doet het uit gewoonte en omdat een iPod zoiets is als een portefeuille: je hebt 'm bij je omdat je je identiteit ermee gestalte geeft.
Ik ken ook hun ouders: die zijn rijk en leeg. Hun huis stond vol, maar sinds de verbouwing is dat ook leeg. Of dat straalt die postmoderne, kille, inrichting toch uit. Die witte muren, dat kapitalistische streven waaraan ze mee doen, maar dat hen eigenlijk niet substantieel gelukkiger kan maken. Nog goed dat ze dat niet onder ogen kunnen zien.
In juli gaan de ouders drie weken door Vietnam, Maleisië en Laos reizen. Ze zullen terugkomen en nieuwe reisplannen maken. Latijns- Amerika. Ze zullen geen bal van Maleisië, Vietnam of Laos gezien hebben, omdat ze dat niet kunnen, tussen de regels zien. Ze zullen vertellen over het restaurants, het weer en de hotels. Ze zullen de kloof tussen hun rijkdom en de armoede ter plaatse negeren.
vrijdag 15 januari 2010
Zaterdag catechese
Kent u Marc De Bel nog? Ja, u daar, met uw ik-neem-mezelf-heel-serieus-want-ik-studeer-rechtenlook.
Marc De Bel dus, die schrijver die altijd op de achterflap beweerde dat hij op zijn elfde uit een boom op zijn hoofd was gevallen en daardoor geestelijk eeuwig elf jaar zou blijven. Wel, soms verricht ik zelf een beetje graafwerk in mijn recente tot verre verleden en dan zou ik, bijvoorbeeld, wel eens even willen terugflitsen naar die tijd waarin ik daadwerkelijk elf jaar was en al even daadwerkelijk Marc De Bel las. Ik herinner me er zó weinig van.
Maar over mezelf wil ik het hier nu even niet hebben, dat was toch niet het plan. Ik wil het hebben over de 'wittekop' die ik een uurtje geleden, wachtend op de trein, op het perron ontmoette. Hij stond wat verderop en hij gooide sneeuwballen naar god-weet-wat. Ik kreeg het koud, liep wat rond om mezelf warm te houden en besloot zijn richting uit te gaan. Ik was benieuwd, zeg maar, want hij zag er heel jong uit om zo alleen de trein te nemen.
Toen hij mij in de gaten kreeg dacht hij waarschijnlijk dat ik één of andere strenge meneer was, want hij hield abrupt op met het vormen zijner sneeuwbal. Maar ik 'stak er een muntje in' en zei: "Gooi!" en voegde daar twee seconden van vertwijfeling in zijn ogen later aan toe "maar niet op mij". Hij lachtte, ik had de sneeuw in de conversatie gebroken, en hij gooide, mikkend op een wittte lijn aan de andere kant van de spoorweg, zo bleek. Toen zei hij dat er een gat in zijn handschoen zat en dat zijn hand daardoor nat werd. En zelfs als je die handschoen op de verwarming legt wordt hij nog niet droog, zei hij.
Het was een "pienter baasje", geloof ik. Want wat hij me op de trein allemaal vertelde, op die nog vertederend onschuldige en eerlijke manier waarop kinderen dat plegen te doen. Dat hij hier drie keer per week volleybal kwam spelen en dat hij dan altijd met de trein terug naar huis ging. Dat deed hij nu al een paar maanden en hij had nog maar één keer zijn trein gemist, maar toen had iemand anders hem met de auto naar huis gebracht.
Hij wijdde mij verder in in tal van, mij volledig vreemde, volleybalweetjes, zoals kinderen dat dus doen: ervan uitgaand dat iedereen wel weet wat '2D' (bleek een afdeling in tweede provinciale te zijn), blocken en VWL (bleek een andere ploeg te zijn dan de zijne, maar dat zei hij nooit letterlijk) betekenen. Het net stond in zijn leeftijdscategorie trouwens niet op de normale 2.46m, maar op 2.05m en dat was hoog genoeg want hij was zelf nog maar 1.50m.
In het zesde leerjaar zat hij en hij had elke zaterdag catechese, - godallemachtig, bestaat dat nog?! - maar hij ging komende zaterdag niet kunnen gaan want hij had een volleybalmatch. Het was al de tweede keer van de vier keer dat hij niet kon gaan! Ik wilde een grapje maken en zeggen dat God daar wel niet om zou kunnen lachen, maar ik hield me in omdat ik geen idee had wat hij wel en niet zou begrijpen.
Hij had nog zo'n hoog en overslaand stemmetje, trouwens, zoals ik er ook ooit eentje moet gehad hebben. Hij was nog helemaal geen puber, echt.
Catechese dus. En sneeuwballen gooien, volleyballen, heel druk bezig zijn gewoon. Ik suggereerde dat hij dan wel niet veel tijd meer overhield waarschijnlijk, en inderdaad: als hij straks zou thuiskomen (rond kwart voor zeven), zou hij aan zijn huiswerk beginnen. Want zijn papa wilde dat hij meer dan negentig haalde voor wiskunde. Hij was trouwens beter in wiskunde dan in 'taal'. Hij had lak aan de persoonsvorm, het lijdend voorwerp en de bijvoeglijke bepaling.
En zonder twijfel het mooiste: toen we afstapten moest ik naar links en hij rechtdoor. Dat vertelde ik hem, ik stak mijn hand op en wenste hem nog veel succes met het volleyballen. En hij zei ook dag (zo'n lange "daa-aag") en hij zwááide met zijn hand zoals kinderen dat doen omdat ze zich nog niet van 'imago' bewust zijn en nog geen coole "jooooe" of 'stoere' handgebaren kennen.
Elf jaar was hij en ik hoop dat ik hem terugzie. Nu ik weet wanneer hij training heeft, moet dat ook wel eens lukken.
Marc De Bel dus, die schrijver die altijd op de achterflap beweerde dat hij op zijn elfde uit een boom op zijn hoofd was gevallen en daardoor geestelijk eeuwig elf jaar zou blijven. Wel, soms verricht ik zelf een beetje graafwerk in mijn recente tot verre verleden en dan zou ik, bijvoorbeeld, wel eens even willen terugflitsen naar die tijd waarin ik daadwerkelijk elf jaar was en al even daadwerkelijk Marc De Bel las. Ik herinner me er zó weinig van.
Maar over mezelf wil ik het hier nu even niet hebben, dat was toch niet het plan. Ik wil het hebben over de 'wittekop' die ik een uurtje geleden, wachtend op de trein, op het perron ontmoette. Hij stond wat verderop en hij gooide sneeuwballen naar god-weet-wat. Ik kreeg het koud, liep wat rond om mezelf warm te houden en besloot zijn richting uit te gaan. Ik was benieuwd, zeg maar, want hij zag er heel jong uit om zo alleen de trein te nemen.
Toen hij mij in de gaten kreeg dacht hij waarschijnlijk dat ik één of andere strenge meneer was, want hij hield abrupt op met het vormen zijner sneeuwbal. Maar ik 'stak er een muntje in' en zei: "Gooi!" en voegde daar twee seconden van vertwijfeling in zijn ogen later aan toe "maar niet op mij". Hij lachtte, ik had de sneeuw in de conversatie gebroken, en hij gooide, mikkend op een wittte lijn aan de andere kant van de spoorweg, zo bleek. Toen zei hij dat er een gat in zijn handschoen zat en dat zijn hand daardoor nat werd. En zelfs als je die handschoen op de verwarming legt wordt hij nog niet droog, zei hij.
Het was een "pienter baasje", geloof ik. Want wat hij me op de trein allemaal vertelde, op die nog vertederend onschuldige en eerlijke manier waarop kinderen dat plegen te doen. Dat hij hier drie keer per week volleybal kwam spelen en dat hij dan altijd met de trein terug naar huis ging. Dat deed hij nu al een paar maanden en hij had nog maar één keer zijn trein gemist, maar toen had iemand anders hem met de auto naar huis gebracht.
Hij wijdde mij verder in in tal van, mij volledig vreemde, volleybalweetjes, zoals kinderen dat dus doen: ervan uitgaand dat iedereen wel weet wat '2D' (bleek een afdeling in tweede provinciale te zijn), blocken en VWL (bleek een andere ploeg te zijn dan de zijne, maar dat zei hij nooit letterlijk) betekenen. Het net stond in zijn leeftijdscategorie trouwens niet op de normale 2.46m, maar op 2.05m en dat was hoog genoeg want hij was zelf nog maar 1.50m.
In het zesde leerjaar zat hij en hij had elke zaterdag catechese, - godallemachtig, bestaat dat nog?! - maar hij ging komende zaterdag niet kunnen gaan want hij had een volleybalmatch. Het was al de tweede keer van de vier keer dat hij niet kon gaan! Ik wilde een grapje maken en zeggen dat God daar wel niet om zou kunnen lachen, maar ik hield me in omdat ik geen idee had wat hij wel en niet zou begrijpen.
Hij had nog zo'n hoog en overslaand stemmetje, trouwens, zoals ik er ook ooit eentje moet gehad hebben. Hij was nog helemaal geen puber, echt.
Catechese dus. En sneeuwballen gooien, volleyballen, heel druk bezig zijn gewoon. Ik suggereerde dat hij dan wel niet veel tijd meer overhield waarschijnlijk, en inderdaad: als hij straks zou thuiskomen (rond kwart voor zeven), zou hij aan zijn huiswerk beginnen. Want zijn papa wilde dat hij meer dan negentig haalde voor wiskunde. Hij was trouwens beter in wiskunde dan in 'taal'. Hij had lak aan de persoonsvorm, het lijdend voorwerp en de bijvoeglijke bepaling.
En zonder twijfel het mooiste: toen we afstapten moest ik naar links en hij rechtdoor. Dat vertelde ik hem, ik stak mijn hand op en wenste hem nog veel succes met het volleyballen. En hij zei ook dag (zo'n lange "daa-aag") en hij zwááide met zijn hand zoals kinderen dat doen omdat ze zich nog niet van 'imago' bewust zijn en nog geen coole "jooooe" of 'stoere' handgebaren kennen.
Elf jaar was hij en ik hoop dat ik hem terugzie. Nu ik weet wanneer hij training heeft, moet dat ook wel eens lukken.
Abonneren op:
Posts (Atom)