dinsdag 20 juli 2021

Nosferatu Man

Ik probeer soms naar mijn favoriete muziek te luisteren alsof ik die voor het eerst hoor. Dat is onmogelijk - bijzonder jammer - maar je kan de kwaliteit van de muziek wel trachten af te meten aan muziek die je wél voor eerst hoort en die om allerlei redenen veel minder indruk op je maakt.

Ik deed de oefening met 'Nosferatu Man' van Slint, het meest radiovriendelijke nummer van deze cultgroep met een uniek geluid.
Waarom trekt dit nummer de aandacht als je het voor het eerst hoort? Al in seconde vier wordt dat duidelijk. De droge drums die 'Nosferatu Man' aftrappen, krijgen het gezelschap van een sinistere baslijn die niet klinkt als iets dat je recent nog in een of andere Spotify-playlist is komen aanwaaien. Dit sfeertje is bijzonder onvriendelijk voor het Fnacpubliek waarvan het grootste deel van je kennissen deel uitmaakt. De splijtende gitaar die luttele seconden later invalt, meteen gevolgd door het bijna gefluisterd parlando van de Slint-zanger, bevestigt de initiële vermoedens en overtreft de in niet meer dan tien tellen gecreëerde hoge verwachtingen. Dit is iets anders, iets speciaal, dit heb je, met je al bij al vrij beperkte kennis van alternatieve 80's en 90's gitaarmuziek, niet eerder gehoord. Welke groep is dit? Dit moet je asap shazammen. Dit moet je zeker doorsturen naar je vriend-met-de-goeie-muzieksmaak. Dit is spannend en van jou.
Het agressieve refrein, waarin het gefluister omslaat in gebulder, is tegen dan - we zijn nog geen minuut onderweg - nog slechts de triomfantelijke bevestiging, de kers op de taart. Het geluid van Slint is gewoon.. wow. Van deze groep wil je alles horen. En dan heb je nog niet eens de stompende bridge halverwege het nummer gehoord en de laatste anderhalve, bijna volledig instrumentale minuut waarin het nummer zijn climax bereikt, misschien wel de meest opwindende anderhalve minuut van het vijfenhalf minuten durende nummer.
Vervolgens blijkt 'Spiderland', de plaat waar 'Nosferatu Man' als tweede nummer opstaat, bijna van voor naar achter van hetzelfde hoge niveau te zijn.

Meer dan vijftien jaar nadat je Slint hebt leren kennen, probeer je opnieuw naar 'Nosferatu Man' te luisteren alsof je het nummer voor het eerst hoort. Omdat er tegenwoordig veel minder nieuwe muziek uitkomt die een even grote indruk op je maakt en je dat eigenlijk heel jammer vindt. En omdat je een ouwe lul geworden bent die graag teruggrijpt naar de muziek waarmee hij is opgegroeid. Niet dat je leven vroeger beter was of de muziek zoveel interessanter, daar gaat het helemaal niet om, maar je was als zeventienjarige veel sneller van nieuwe dingen onder de indruk dan nu als bezadigde of verzadigde dertiger zonder dromen, en je wil verdomme nog eens ergens zwaar van onder de indruk zijn, niet dag na dag dezelfde tabbladjes dichtklikken en gedachteloos doorsjokken naar een volgende gelijksoortige onbenulligheid die op geen enkele manier een verschil maakt.

Dat je daar natuurlijk zelf iets aan kan doen. Door naar Slint te luisteren ofzo. 

zondag 18 juli 2021

Religie is fantasie

 Een piepklein insect trippelt over mijn bedovertrek en dat zint mij niet, het beestje moet daar weg. Ik kies voor de luie oplossing en vermorzel het dier tussen mijn vingers. Daarna gooi ik het met een vlotte polsbeweging op de grond. Ik zeg "Sorry vriend", maar voel me niet schuldig. Ik ben een sterk roofdier en roofdieren hebben de gewoonte om zwakkere dieren aan te vallen en te doden. Dat is nu eenmaal de natuur.


Maar wat ik eigenlijk wil zeggen: de mens is een dier, een levend wezen, niet anders dan een insect en we staan, het zijn gewoon de nuchtere feiten, op dezelfde voet, echt waar. Waarom gelooft dan niemand dat er een insectenhemel is, maar zijn er miljarden mensen die veronderstellen dat er voor de mens wel een hiernamaals is? Wat maakt ons mensen toch zo verschrikkelijk bijzonder? 

Het antwoord is verrassend eenvoudig: we zijn (waarschijnlijk) van alle dieren de beste verhalenvertellers, we hebben (misschien als enigen) de gave van de fantasie en die fantasie laten we gul de vrije loop. We fantaseren verhalen waarin we onszelf enorm belangrijk maken en maken onszelf wijs dat een god allerlei inspanningen heeft gedaan om ons mensen een bestaan op aarde te gunnen. En diezelfde god zou ook nog eens zoveel belang aan ons hechten dat hij voor ons - niet voor de andere dieren - een hiernamaals voorziet. Sta je daar even bij stil dan moet je toch concluderen dat de ijdelheid en hoogmoed die er nodig zijn om zoveel onzin te geloven al volstaat om in welk hiernamaals dan ook afgestraft te worden. Op z'n minst sta je in het vagevuur bekend als een behoorlijk stuk pretentie.


De mens eindigt niet anders dan een insect. Laat je fantasie de vrije loop, maar ga je verzinsels niet voor waar aannemen. Het is verleidelijk, we zijn hoogmoedig en ijdel, hebben een knoert van een ego, maar blijf bij de les, bewaar wat nuchterheid en concludeer finaal dat mensen niet bijzonder zijn en dat het universum, mocht dat een bewustzijn hebben, onverschillig tegenover ons staat.

Dat is niet erg, dat is oké. Doe je best, wees lief voor je medemens, en dan krijg je een leven met genoeg gelukkige dagen om tevreden te kunnen sterven.

Maar god is fantasie.

zondag 11 juli 2021

Jana

 Ik kijk ernaar uit om Jana terug te zien.

Jana is elf jaar en woont in de straat waar ik ben opgegroeid. Mijn broer en Jana zijn al een tijdje beste vrienden en sinds kort speel ik ook mee als ze op straat voetballen of frisbeeën.

Jana houdt er tal van boeiende meningen op na. Ze wil haar stem laten horen in het jeugdparlement en oproepen tot wereldvrede. Ze wil ook dat Vlaanderen en Wallonië beter samenwerken. Waarom is er wel een Vlaams maar geen Belgisch Belang, vraagt Jana zich af. Een zeer terechte bekommernis.

Ik vind het leuk om op een serieuze manier met een kind te praten. Een beetje gek en onnozel doen, is ook fun, maar als je ernstig bent, kom je veel meer te weten. Jana's hersenen draaien op volle toeren en ze wisselt schattige, onbenullige uitspraken met interessante observaties af.

En is het niet kapot stoer van haar dat ze twee dertigers tot haar vriendenkring mag rekenen? Ik had het toen ik elf was alleszins niet in mijn hoofd gehaald om bij een dertiger te gaan aanbellen met de vraag of hij mee wil komen voetballen. Anderzijds zou het ook wel kunnen dat mijn broer en ik er benaderbare meneren uitzien en mocht dat zo zijn, is dat wel een compliment. Een dertiger met een lening, een auto en een grasmachine ziet er alleszins niet uit alsof hij met een lagereschoolkind gaat voetballen.

Er is wel één ding dat me een beetje dwarszit. Binnen maximum twee jaar zal het waarschijnlijk gedaan zijn met voetballen, want dan is Jana dertien en vindt ze het misschien 'awkward' om nog met ons om te gaan. Dan wordt ons contact misschien gereduceerd tot een ongemakkelijke begroeting. En al zou dat misschien de normale gang van zaken zijn, ik zou het toch heel spijtig vinden. Maar hey, nu zijn we nog niet zover en daarom mag ik vandaag nog de hoop koesteren dat we met Jana gaan voetballen als ik straks in de ouderlijke woonst arriveer.

donderdag 27 december 2018

Homo Deus

 ‘Sapiens’ is uit en dus ben ik maar meteen ‘Homo Deus’ gaan kopen. Yuval Noah Harari slaat spijkers met koppen en ontmaskert religie op overtuigende wijze als een verzinsel van de mens. Wij zijn neven van de chimpansees, zegt Harari. Zo simpel is dat. Hoogstens stellen religies - of het nu gaat om het christendom, het nationalisme, het kapitalisme,.. - grote groepen mensen in staat om aan hetzelfde zeel te trekken. Zonder zijn vermogen tot het bedenken van verzinsels zou de mens zich niet onderscheiden van andere dieren. Mochten mensen niet tot fantasie in staat zijn dan zouden ze elkaar op nog veel frequentere basis de kop inslaan.

Ik heb geweldig veel zin om nu aan ‘Homo deus’ te beginnen omdat de laatste hoofdstukken uit ‘Sapiens’ mij bijzonder hebben gefascineerd. Er wordt de lezer in die laatste hoofdstukken een beeld gepresenteerd van de huidige mens, de mens aan het begin van de eenentwintigste eeuw, en van hoe die mens lijkt te denen dat hij wel het logische sluitstuk moet zijn binnen de grote evolutie van de soort.

Harari haalt dat beeld onderuit en stelt dat wij als homo sapiens maar een schakel zijn in een proces dat nog lang niet afgelopen hoeft te zijn. Wij, homo sapiens, met al onze kleine en grote zorgen, met al onze ziektes en politieke twisten, wij hoeven helemaal niet het eindpunt van de menselijke evolutie te zijn. We zijn trouwens al volop aan het bewijzen dat we maar een tussenschakel zijn, een nieuwe mensensoort is al op komst.

De homo sapiens is veel te gebrekkig, zowel lichamelijk als geestelijk, om een eindpunt te kunnen zijn. Wij ervaren nog veel te veel kwesties als ‘problemen’, kwesties die voor toekomstige mensen helemaal niet problematisch hoeven te zijn. Hoezo kapitalisme, hoezo christendom? Wat een gedoe! De mens van de toekomst rekent naar alle waarschijnlijkheid af met die fabeltjes.

(In dat opzicht is het trouwens lollig dat Barack “God bless you” Obama lovend is over dit boek.)

Ik zal ook uit ‘Sapiens’ onthouden dat mensenrechten niet bestaan.

Natuurlijk hoefde ik ‘Sapiens’ niet te lezen om dat te beseffen (want op welke basis zou de mens zichzelf rechten mogen toekennen?), maar toch weer eens handig om het geschreven te zien staan in een Zeer Interessant Boek.

Ik begin de indruk te krijgen dat dit boek (nu al) mijn kijk op de mensheid veranderd heeft.

Te weten dat wij, homo sapiens, slechts een tussenschakel zijn binnen de evolutie, het voelt haast aan als een bevrijding.

Oh, en ook nog dit. Ons streven naar geluk is ridicuul. Middeleeuwse boeren waren niet noodzakelijk ongelukkiger dan wij, zegt Harari. Ze waren er alleszins niet door geobsedeerd (wat natuurlijk ook helpt).

Het is biologisch (of biochemisch) bepaald in welke mate iemand gelukkig kan zijn en aan ieders geluk zijn grenzen. Harari spreekt van mensen wier geluk tussen 10/10 en 6/10 schommelt, met 8/10 als gemiddelde. Evengoed zijn er mensen wier geluk fluctueert tussen een maximum van 8/10 en een minimum van 3/10. Deze laatste groep kan onmogelijk een geluksstaat van 10/10 bereiken, hoezeer ze daar ook zijn best voor doet. Het kan gewoon niet.

En dat kan je jammer vinden, maar daar schiet je niks mee op. Kan je je lot toch niet aanvaarden? Verdiep je dan in het boeddhisme. Want het boeddhisme, ja, dát houdt steek - serieus.

*

Ondertussen in ‘Homo Deus’ begonnen. Wat een waanzinnig goed boek! Ik ga er mee slapen en sta er mee op.

Mogelijks later meer daarover.

dinsdag 25 december 2018

Opvoeder

 Ik heb mij vorige week serieus opgewonden tijdens een gesprek met iemand die ik heel goed ken. Deze twintiger met veel meer intellectuele bagage dan zijn gemiddelde leeftijdsgenoot volgt momenteel een opleiding tot opvoeder en in dat kader moet hij stage lopen bij een kinder- en jongerenwerking. Toen hij begin oktober aan die stage begon, was hij enthousiast. Hij vond het fijn om de leefwereld van de kinderen te leren kennen en beschouwde zijn engagement zelfs als een constructieve bijdrage aan de opbouw van de samenleving. Hij was er sterk van overtuigd, zei hij, dat een maatschappij alle nodige middelen moet inzetten om kinderen de kansen te geven die ze nodig hebben om zich te kunnen ontplooien, zodat ze later op hun beurt een constructieve bijdrage aan de maatschappij kunnen leveren.

Helaas, twee maanden later heeft het idealisme van deze twintiger plaatsgemaakt voor een soort doffe ontgoocheling en hij denkt er nu over na om met zijn stage te kappen. Anders dan hij had verwacht, worden de kinderen in deze jongerenwerking door hun begeleiders nauwelijks gestimuleerd om iets productiefs te ondernemen. Men knijpt een oogje toe voor baldadig gedrag en slaat een twaalfjarige zomaar een badmintonracket stuk, welja, ach, dan koopt men toch wel een nieuwe.
De anarchie heerst, zegt de twintiger. Jongeren komen overal mee weg en dat hebben ze zelf maar al te goed in de gaten. Ngenjarigen kopiëren dan ook zorgeloos het gedrag van wat oudere jongeren en zien er op hun beurt geen graten in om het kot op stelten te zetten wanneer zij dat willen. Intussen laten begeleiders betijen, of toch zo goed als.
Wat is hier aan de hand? Er stellen zich verschillende problemen.
- De jongerenwerking is onderbemand, er zijn chronisch onvoldoende begeleiders aanwezig om alles te kunnen overzien. De begeleiders zijn de eersten om dit te beamen, maar ja, “zo is het nu eenmaal, de middelen zijn er niet om meer opvoeders aan te werven”. Dat is natuurlijk niet de schuld van de kinderbegeleiders zelf, nee, dat is een probleem dat door bevoegde instanties moet worden aangepakt.
- De overheid maakt veel te weinig geld vrij om in degelijke kinderwerkingen te voorzien. Dit verzuim kan nare gevolgen hebben omdat slecht begeleide kinderen zich niet naar behoren kunnen ontwikkelen. Vaak zijn het kinderen uit een kansarm milieu die naar een kinderwerking komen. Deze kinderen, een hoog percentage van hen heeft een migratieachtergrond, krijgen meestal al niet erg veel ‘mee’ van thuis en de meesten onder hen hebben een taalachterstand, wat hun kansen voor de toekomst nog verkleint.
- De opleiding tot opvoeder is niet bijzonder ambitieus. De twintiger spreekt van klasgenoten die er de kantjes van aflopen en tijdens de les computerspelletjes spelen. Als intellectueel, als iemand met een uitgebreide feitenkennis, word je binnen deze omgeving beschouwd als een buitenbeentje, een curiosum. Dit is bij uitstek problematisch omdat het precies hoogopgeleiden zijn die het verschil kunnen maken in een kinderwerking. Het zijn universitairen die jongeren kunnen stimuleren en hen ideeën kunnen aanreiken die ze anders misschien nooit te horen zouden krijgen. Ik heb de twintiger uitdrukkelijk gezegd dat het enorm belangrijk is dat hij als opvoeder aan de slag gaat of het toch op z’n minst probeert. Elke kansarme jongere die hij kan prikkelen met nieuwe ideeën kan winst opleveren voor de maatschappij. Het is hij die van een kansarme jongere een kansrijke jongere kan maken. Maar dan moet onze twintiger natuurlijk wel het gevoel krijgen dat hij voor zijn inbreng wordt geapprecieerd.
- Jongerenwerkingen kennen een gigantisch verloop van stagiairs wat ervoor zorgt dat kinderen geen band kunnen opbouwen met begeleiders. Dit is een heel groot probleem, een probleem dat zich ook stelt in het onderwijs en in de pleegzorg. Dat lijkt me verder wel duidelijk.
En over dat alles heb ik me vorige week dus boos gemaakt.
Over de geëngageerde twintiger die ontmoedigd raakt als hij vaststelt dat de overheid onvoldoende investeert in het welzijn van kinderen (zij het in kinderopvang, school of pleegzorg - allemaal hyperbelangrijk voor de ontwikkeling van een kind).
Als we dit als maatschappij niet snel serieus gaan nemen - en ik maak mij daarover geen illusies - zullen we zeer binnenkort waarschijnlijk op de blaren moeten zitten. En we zullen er niet mee wegkomen om de jongeren met de vinger te wijzen.
Wie was trouwens weer die minister die de kinderarmoede ging halveren?
Die lijkt wel van de aardbol verdwenen.
Roen Hetzwoen en Hilde Van Wijnsberghe

donderdag 20 december 2018

Grof

 Iedereen weet dit, maar toch.

Om van hem af te geraken is het zaak om gewoon niets meer van je te laten horen.
Niet via sms, niet via Facebook en neem ook zeker nooit op als hij belt.
Je bent hem geen verklaring verschuldigd (als hij je vraagt waarom je niet meer antwoordt).
Deze regels pas je toe op zowel mannen die gevoelens voor jou hebben maar evengoed op mannen met wie je ‘gewoon bevriend’ bent (geweest).
Jij dumpt hen wanneer jij dat wil.
Net zoals jij weer contact met hen opneemt wanneer jij dat wil.
Want een man is als een hond. Je kan hem tien keer straal negeren maar de elfde keer zit hij nog steeds te kwispelen met zijn tong uit zijn bek.
Jij bent de baas.
*
Zelfs ik ben al enkele keren het ‘slachtoffer’ geweest van dit mechanisme.
Jazeker, #MeToo.
En het heeft mij gedegouteerd.
Maar verder geen klachten.
(En trouwens, ik wil niet alle vrouwen over één kam scheren. Er zijn uitzonderingen.)
(Ik begrijp ook perfect waarom vrouwen dit mechanisme toepassen. Als je de deur op slot doet, kan hij er zijn voet niet tussen steken, ‘met alle gevolgen vandien’. Het voordeel van de duidelijkheid. Maar het blijft natuurlijk grof om een man niet uit te leggen waarom je hem dumpt. Het blijft natuurlijk grof.)

zaterdag 8 december 2018

Het grote dictee

 Rare avond gisteren.

Ik nam deel aan ‘Het grote dictee heruitgevonden’, een initiatief van de bibliotheek van Mechelen dat nu in allerlei bibliotheken te lande navolging krijgt en zo ook dus in Bibliotheek Tweebronnen in Leuven. Het dictee bestond uit twee oefeningen: eerst was er een klassiek gedeelte waarin men zinnen foutloos moest proberen te schrijven en daarna was er een deel waarin men letters kon verzamelen door gedicteerde woorden foutloos te schrijven, en met deze letters, twintig in totaal (tenminste als je alle letters of het grootste deel ervan wist te verzamelen), was het mogelijk om een woord van twintig letters te vormen.
We waren daar met een man of vijftig, schat ik, en heel wat mensen - vooral vrouwen van tussen de 50 en 65, duh - waren met vriend(inn)en gekomen. Zelf was ik daar (uiteraard) in mijn eentje en ik had zelfs met niemand over dit evenement gepraat (ik had er geen aanleiding toe gezien en had ook niet het gevoel gehad dat ik dit zo nodig wilde ‘delen’). Er waren ambitieloze toeristen, zoals ikzelf, onder de deelnemers, maar evengoed zaten er strevers tussen die weten dat het ‘johnlennonbrilletje’ is en niet ‘John Lennonbrilletje’.
Lang verhaal heel kort: ik was daar de winnaar van dat spel.
‘t Is te zeggen: ik won het onderdeel om het langste woord te vormen. Tot mijn grote verbazing sloeg ik er als enige deelnemer in om ‘bibliotheekbezoekers’ te leggen. Er bleken nog verschillende mensen te zijn die de twintig letters hadden weten te verzamelen, maar geen van hen had alle twintig letters op hun juiste plaats gezet. Hoe was dat in godsnaam mogelijk? Het lag zo voor de hand. Drie b’s... En we waren ín een bibliotheek.
Als winnaar van dit onderdeel (voor het andere onderdeel zat ik niet in de top vijf) werd ik op het podium geroepen en ik kreeg behalve drie kussen van Phara de Aguirre (die de avond in goede banen leidde) ook een boekenpakket* cadeau.
Vanuit de zaal weerklonk een beleefd applaus. Niemand kende mij, dus kon er ook niet gejoeld worden, ofzo. Phara de Aguirre vroeg mij naar mijn job. Ik antwoordde dat ik werkloos ben, om er (voor het gênant zou worden) snel aan toe te voegen dat ik van opleiding journalist ben. “Een journalist die goed kan schrijven, die kunnen we wel gebruiken”, sprak Phara de Aguirre in de microfoon.
Ik haastte me het podium af en hier en daar feliciteerde iemand me met mijn blijkbaar opmerkelijke prestatie. De avond was voorbij en mensen begonnen met hun gezelschap na te kaarten over de moeilijkheidsgraad van het dictee (relatief gemakkelijk, waren de meesten het erover eens). Omdat ik daar alleen was, kon ik in principe maar beter meteen naar huis gaan, maar ik merkte dat ik me daar toch niet helemaal goed bij zou voelen. Ik had net een onderdeel van dit spel gewonnen, op het podium gestaan, applaus en een boekenpakket in ontvangst mogen nemen - ik wilde nu toch, al was het maar heel even, met iemand hier over spreken. Het was allemaal zo totaal onverwachts gebeurd. Ik stond bij wijze van spreken nog wat na te trillen op mijn benen (ik word zéér nerveus als ik voor een groep mensen moet spreken, zelfs al zijn het maar drie zinnen).
Gelukkig was de uitbater van het bibliotheekcafé aanwezig om de mensen van drankjes te voorzien. Omdat ik die man een beetje ken, kon ik nog wat met hem kletsen alvorens naar huis terug te gaan met mijn boeken. Phara de Aguirre kwam mij vragen waar ik had gewerkt als journalist en waarom ik nu werkloos ben. Ik sprak over een ‘hobbelig parcours’ en dat ik in 2012 op de VRT had gewerkt in het kader van een project rond de gemeenteraadsverkiezingen. “Er komen binnenkort weer verkiezingen aan”, lachte Phara de Aguirre veelbetekend, waarna ze vertrok.
Het was echter al op het podium dat ik de ‘ernst van de situatie’ had ingezien. Daar stond ik op een verhoog en redelijk eenzaam als beste van een vijftigtal deelnemers. Ik had dat twintigletterwoord onmiddellijk gevonden. Onmiddellijk. Omdat ik me weleens met het vormen van anagrammen vermaak misschien, maar toch. Niemand anders had dat woord gevonden en mij had het zo eenvoudig geleken. Wat wilde dat nu zeggen over mij? Dat ik een 'goed taalgevoel' heb? Ik vrees van wel. En al op het podium had ik beseft dat het toch triestig is dat ik daar niet echt iets mee doe in mijn dagelijks leven (een professioneel leven heb ik überhaupt niet).
Maar ik zette die gedachte van me af toen ik op de bus naar huis stapte en als ik dit nu opschrijf dan doe ik dat in alle rust. Welja, ik houd wel wat zogenaamde ‘mixed feelings’ aan deze avond over, maar het plezierige haalt het toch makkelijk van het treurige. Niettemin stemt het gisterenavond gebeurde tot nadenken.
* Het boekenpakket, dat heel mooi was ingepakt, bevat ‘Trouweloos’ van Karen Slaughter en ‘Ter voorbereiding op het volgende leven’ van Atticus Lish.

woensdag 5 december 2018

Je telefoneert me niet meer

 Je telefoneert me niet meer

Je telefoneert me niet meer
Was het dan laatst de laatste keer dat je de moeite nam om me te zeggen dat ik zo interessant ben
Dat ik je amuseer en een plezante man ben
Dat ik een gast met een verhaal en met een hoop talent ben
Vond je dan niet écht dat ik de mooiste woorden ken en originele ideeën weet te ontlokken aan mijn pen
Dat ik een goeie minnaar zou zijn die niet zomaar naar de juiste plaatsen gaat
Die niet op de hoogte wenst te zijn van andermans interessant doenerige doen en laten
Die galant de precieze maten van jouw outfits kent en minder in stemhokjes dan in pashokjes denkt
Die niet zwenkt in zijn oordeel daar waar jij bijna zijn spiegelbeeld bent
Alsof ik een trein ben, zo zei je, die je bereid zou zijn te nemen, naar waar hij ook rijdt
Dat ik, welaan dan, iemand ben op wie ik zelf verliefd zou kunnen worden, grapte je
Als ik niet was wie ik was, een ander smaakvol iemand was, die uit mijn lichaam kon ontsnappen
Dat ik dan bijvoorbeeld als ik mij zou zien een beetje zoals jij zou kunnen zijn
Want jij en niemand anders zegt precies te weten wie ik ben en jouw oordeel, ja, dat houdt me bezig
Maar toch, waarom daarover het nadeel en niet het voordeel vrezen
Wie is die gast, zou ik dan kunnen denken, die tast zonder te vinden, die kwast die niet kan verven
Die door de straten zwerft, niet in staat is om te werken, niet in staat om op te merken
Dat zijn wezenloze blik de wereld rond hem heen verbrijzelt
Alsnog een onwijze blok is aan jouw been
En jou daarom niet durft te bellen om eerlijk te vertellen dat hij net zo veel houdt van jou
Wanneer jij me telefoneert en mij bezweert dat je gelukkig bent
Met mij, een vent - zo noem je mij - die jou begeert, bijna vereert of dat althans beweert
Maar nu bel je niet meer en schrijf ik dit gedicht want ik wil zo veel meer van jouw aandacht op mij gericht

zaterdag 10 november 2018

Tijd voor mezelf

Ik krijg nu tijd voor mezelf
Eindelijk
Ik krijg nu tijd voor mezelf
Onvermijdelijk

Ik was oneindig vele jaren bang om door de mand te vallen
Flexibel maar verlamd van angst om kansen te verknallen
Alleen maar als ik terugdenk aan hoe moeilijk dat wel was
Ik was een profiteur van politieke caritas
Van zevenhonderd euro om mijn mondje dicht te houden
Een som die je verplicht om in te trekken bij je ouders
Vernederend om in mijn stad geen kot te kunnen huren
Tenzij misschien een krot met kakkerlakken op de muren
En dat je voor je coach maar een profiel bent in een map
Is voor je psychisch welzijn misschien wel de zwaarste klap

Klap
Je zet dan toch die stap
Een keuze die een mens kan maken maar die jij snapt
Tot iemand je een inzicht aanreikt dat je nog niet kende
Een nieuwe koffer dropt met nog een ander soort ellende
En hoe je daar mee omgaat is natuurlijk jouw beslissing
Maar wat ik deed op dat moment leek mij toen geen vergissing
En dat ik niet gewacht heb op wat zou kunnen gebeuren
Dat opent nu plots zomaar alle mogelijke deuren

Want ik krijg tijd voor mezelf
Uiteindelijk
Ik krijg nu tijd voor mezelf
Onvermijdelijk

En heel geleidelijk
Raak ik daar nu aan gewend
Een situatie die ik eigenlijk nooit eerder heb gekend
Ik praat over mijn schaamte met een neuropsycholoog
Dat vind ik niet gemakkelijk en soms houd ik het niet droog
Maar het moet wel gebeuren om de draad weer op te pikken
Nu is het echt hoog tijd om al mijn leugens te doorprikken
Dus als ik jou eens tegenkom en jij vraagt hoe het gaat
Ik sta nu op de ziekenkas en ben daarbij gebaat

vrijdag 9 november 2018

Control-S

Ik sloeg mijn lange gedichtje niet op
Kop op man je kan toch opnieuw beginnen
Bezin je en zwoeg kom ermee voor de pinnen
Maar balen niet lichtjes ik zat er boenk op

Een loempe stomkop doet zoiets zelfs beter
Gereed met zijn teksten hij heeft ze gesaved
Herleest ze is zeker hij zit in een zetel
Vermetel gebeten hij keek ze nog na

Dus roept hij hoera want hij was wel zo clever
Om never zijn teksten te laten verrekken
Verrukt en niet krukkig klinkt zijn hallelujah
En mij grijnst hij toe amehoela dat suckt

Nu kan ik hier kniezen kop tussen mijn knieën
Verliezen verdorie doe ik ook bij wiezen
Zo miezert het treiterig door mijn memorie
Jandorie jandorie jandorie

Schiet ik niks mee op
In alles een kans
Het is geen avance
Kan zelfs in het Frans
Mais oui pourquoi pas
Un flirt avec toi
Et à ton minou
Je dirais coucou

De boeken gaan toe
Mijn gedicht is gaan lopen
Te hopen valt nu dat dit klotebestand
Zich openstelt voor mijn kloek timmerend handje
Met mijn control S-je leer ik het een lesje

donderdag 8 november 2018

Begrijp mij

Begrijp mij
Want ik begrijp mij niet
Hoewel ik wel wil en welwillend expliciet
Aan jou vraag hoe jij mijn dagen ziet
Of de maan voor mij schijnt of het dondert
Of het wonder de zon mij bevrijdt
Hoe ik loens tussen tinder en dons
Wat ik woens voor mezelf op de derde dag van de week
Een versperde gewestweg, een kabbelend beekje
Een babbelend cakeje misschien wel
Weet ik veel
Ik ben een leek
En ook al lijkt mijn toestand rechtopstaand oké
Ik lig hier k.o. in een staat die stevig mijn eigen verstand te boven gaat

woensdag 1 augustus 2018

Online mensen recenseren

De nieuwe ‘mensenrecensies’ van Google zijn wel cool en innovatief, maar toch vooral ook heel confronterend (en - uiteraard - weer een stapje verder richting het einde van de privacy). Als je plots een foto van jezelf op Google Reviews ziet staan met daarnaast allerlei, in een aantal sterren uitgedrukte, beoordelingen van vrienden, dan hou je immers toch best even je hart vast.
Voor wie nog van niks weet: Google heeft een nieuwe functie, Google Reviews, waar elke Googlegebruiker automatisch een profiel krijgt en waar mensen die met hem of haar via sociale media verbonden zijn hem of haar over verschillende categorieën kunnen beoordelen, uitgedrukt in een aantal sterren en eventueel met wat uitleg erbij. (Wat het sterrensysteem betreft: één ster = vermijd deze persoon ten allen tijde; twee sterren = niet echt interessant gezelschap; drie sterren = aangenaam gezelschap; vier sterren = goeie vrienden; vijf sterren = super de max fantastisch love you x!)
Google Reviews is een soort Tripadvisor maar dan voor mensen in plaats van bestemmingen. Een Humanadvisor, zo zou je het ook kunnen noemen. Als mens word je door je eigen vrienden publiek beoordeeld. Nooit eerder kon men op deze schaal publiekelijk geschreven zien staan wat vriend x zoal op vriend y aan te merken heeft.
Inmiddels hebben (nog maar) zes Facebookvrienden mij beoordeeld op Google Reviews en mijn gemiddelde score is 3 op 5 (drie sterren dus). Eén iemand heeft mij één ster gegeven, iemand anders vond mij twee sterren waard, nog een andere vriend gaf mij drie sterren en er zijn ook drie vrienden die mij vier sterren gegeven hebben (waarvoor dank). Dat alles zorgt samen voor een gemiddelde score van 3 op 5, wat in vergelijking met héél veel andere mensen op Google Reviews een eerder lage score is. De meeste mensen (ongeveer 85%) zitten met hun score rond of zelfs boven de 4 of 5, omdat hun vrienden hen (wellicht) zonder al te lang na te denken de maximumscore geven. Dat is hun goed recht natuurlijk, maar niet zo leerrijk, want met bijschriften als “ge zijt mn bff 4-ever” en dat soort nietszeggendheden, kom ik niet te weten wát er precies zo leuk is aan die persoon en heb ik er dus ook geen idee van of ik die persoon zelf beter wil leren kennen. Met mijn gemiddelde van drie sterren op vijf word ik (voorlopig?) natuurlijk totaal met rust gelaten door mensen die ik niet ken, maar van mensen die met een gemiddelde van rond de 4,5 zitten hoor ik dat ze voortdurend aanvragen krijgen van mensedie hen graag beter willen leren kennen omdat er in een commentaar bijvoorbeeld staat dat hij of zij een echt feestbeest is of dat hij of zij super veel over dinosaurussen weet, ofzo.
De commentaren die ik tot nu toe zelf heb gekregen, heb ik nog niet allemaal even goed verteerd. Daar moet ik eerlijk in zijn. De ‘vriend’ die mij met één ster heeft bedacht schrijft dat ik in gezelschap - en ik citeer - “de sfeer bedruk[t] door soms minutenlang niks te zeggen en een gezicht te trekken alsof hij liever naar huis zou gaan dan nog wat langer te blijven bij ons, oninteressante lapzwansen”. Hij noemt mij ook ‘onvoorspelbaar’ (en dat is duidelijk bedoeld als een verwijt). Door mij maar één ster te geven windt hij er geen doekjes om en ik respecteer hem vooor zijn eerlijkheid, maar naar de buitenwereld communiceert hij op deze manier dat ik, Axel Craenendort, totaal niet de moeite waard ben om beter te leren kennen (ah ja: één ster = te mijden). Beetje streng toch, vind ik. (Ik zou mezelf een 3 op 5 geven.)
In de andere minder positieve recensies over mij wordt ook nog opgemerkt dat ik pessimistisch, cynisch en veel te veel op mezelf gefocust ben, en de een ligt daar blijkbaar al meer van wakker dan de ander. Bij de viersterrenrecensies kun je over mij wel lezen dat ik goed kan kussen en dancen [sic], dat ik een redelijk goede algemene kennis heb en dat ik vooral veel van voetbal weet. Ik weet niet of ik over dat laatste zo content ben, want ik zit niet per se op toenaderingspogingen van mij onbekende voetbalfans te wachten, maar het is des te fijner om over mezelf te lezen dat ik goed kan kussen en dansen (het gekke is dat ik nooit gekust of gedanst heb met de vriendin die dat geschreven heeft - zij zal het van horen zeggen hebben, neem ik aan).
Facebook schijnt inmiddels trouwens hetzelfde van plan te zijn en zou ook met een sterrensysteem gaan werken om mensen te beoordelen. Het zou er precies zo uitzien zoals het er uitziet op de Facebookpagina van horecazaken e.a. Elke Facebookgebruiker zou op zijn profielpagina in de linkerkolom een ‘recensievak’ krijgen dat enkel maar de instelling ‘openbaar’ kan hebben (dit in tegenstelling tot bijna al je andere Facebookgegevens die je zo kan instellen dat enkel je Facebookvrienden ze kunnen zien). Werkgeversorganisaties zouden bij Facebook hebben aangedrongen op het openbaar houden/maken van de recensiesectie om zo toekomstig personeel te kunnen recruteren.
En zo zijn we bij de ‘mensenrecensies’ aanbeland. Uiteindelijk de logische opvolger van de afgezaagde like-knop. Bedrijven als Google en Facebook moeten met nieuwe dingen blijven komen, want als techbedrijven zijn ze ondertussen beiden bejaard tot hoogbejaard. De dino’s van de 21ste eeuw.
Als je mij nog niet gerecenseerd hebt op Google, voel je dan vrij daar verandering in te brengen. Ik heb zelf nog niemand gerecenseerd, ik moet nog wennen aan het idee dat ik mijn vrienden in de volledige openbaarheid een in sterren uitgedrukte score moet geven op hun persoonlijkheid. Maar ach, het zal wel weer wennen, zoals we ook aan al die andere ingrijpende privacyschendingen gewend geraakt zijn.

dinsdag 31 juli 2018

Lijden

Hoewel hij daaronder lijdt, is er weinig zo aantrekkelijk voor een mens als het koesteren van een negatief wereld- en mensbeeld. Voorspellen dat alles naar de kloten kost hem geen inspanning (want kijk alleen al maar eens naar hoe wij (niet) reageren op de nochtans extreem zorgwekkende klimaatverandering), maar behalve eenvoudig is het ook nogal gratuit om te beweren dat ‘het’ misgaat. Want niet alles gaat mis.
Niet alles, maar wel vanalles. Althans, dat zegt de nogal dominante pessimist in mij. En de nogal dominante pessimist in mij haalt elke dag minstens tien keer triomfantelijk zijn weinig opbeurende gelijk, hij hoeft maar naar het radionieuws te luisteren om zijn negatieve wereld- of mensbeeld veelvuldig bevestigd te zien. ‘Zie je wel’, wordt de pessimist in zijn negatieve mensbeeld bevestigd wanneer meneer x en meneer y elkaar in hun lompheid voor de zoveelste keer het leven zuur maken (en aldoende, als hen dat toevallig zo uitkomt, duizenden, miljoenen andere mensen in de ellende storten). Denk aan hoe Israël en Palestina hun situatie niet willen oplossen (terwijl dat mits wat ‘politieke moed’ toch echt zou moeten lukken (want óóit moet het er toch eens van komen, of niet?)) of denk aan hoe de gemiddelde Europeaan een vluchteling liever laat creperen dan hem te helpen (dat is de vreselijke waarheid - ja, echt waar! - die wij - nog erger! - al lang niet meer vreselijk vinden). Denk ook maar aan een fenomeen zoals Not In My Backyard (NIMBY): een mens zal, zo zegt toch de pessimist, tot het uiterste gaan om zijn persoonlijk belang boven het maatschappelijke belang te stellen. Dat laatste is nu eenmaal een dagelijks in het nieuws terugkerend fenomeen dat zich voordoet in oneindig veel varianten. Jammer genoeg zijn het met name ook politici die een patent lijken te hebben - of gewoon: hebben - op het eigen belang eerst-fenomeen. Zo weet de cynicus. Het kan echt heel eenvoudig worden aangetoond dat politici wereldwijd veel vaker hun eigen belangen verdedigen dan die van de mensen door wie zij (in een aantal gevallen) zijn verkozen. (In dat opzicht heb ik trouwens oprechte bewondering voor rechtschapen politici (en die bestaan - we moeten hen beschermen zoals we de bijen en de witte neushoorn moeten beschermen).)
Hoe dan ook, al lijdt hij er dan zelf onder, er is weinig zo gemakkelijk voor een mens als het koesteren van een negatief wereld- en mensbeeld. Het is wel belangrijk om hierbij op te merken dat de mens waarvan sprake wel degelijk lijdt, dat hij wel degelijk gebukt gaat onder al datgene dat hij om zich heen ziet gebeuren, al datgene dat hij ziet ‘misgaan’. Deze lijdende mens weet, al dan niet, dat zijn lijden op geen enkele manier constructief is, dat het zijn leven uitsluitend compliceert, maar helaas ondervindt hij de grootste moeilijkheden om zijn leed van zich af te schudden. Als hij dat al probeert, tenminste. Want in feite - en hij kan daar hevig van schrikken - moet hij in sommige gevallen vaststellen dat hij eigenlijk, als hij heel eerlijk is, zelfs niet bereid is om zijn lijden op te geven. De lijdende mens is in vele gevallen immers verslaafd aan die vele kleine momentjes waarop hij zijn grote gelijk haalt en waarop hij kan zeggen “zie je wel, ik had het voorspeld, het loopt slecht af”. Als deze lijdende mens heel eerlijk is, zal hij moeten toegeven dat hij zijn leed zelfs niet zou kunnen missen, dat hij zijn leed niet - nooit! - zou willen inruilen voor een onnozel ‘joie de vivre’ dat hem banaal of zelfs volslagen idioot lijkt (want kijk toch eens even met een nuchtere blik naar de staat van de wereld, alstublieft! Trump! Francken! Zuckerberg! Need I say more?).
Zelf koester ik mijn leed ook. Zonder mijn leed zou ik waarschijnlijk niet kunnen schrijven, ik zou waarschijnlijk niet kunnen creëren, niet kunnen scheppen; ik zou geen smoel, geen identiteit, geen eigenheid hebben. Zonder mijn leed zou ik oninteressanter zijn dan ik nu ben. Gesteld dat ik hield van het leven dan zou ik er ook aan deelnemen (en zelfs nu verlang ik daar soms naar), dan zou ik niet spotten met YOLO en FOMO en dan zou ik de blogger die ik nu ben een schouderklopje geven, zo van “stil maar, Alexandertje, hou het nog wat vol, jongen, met wat geluk duurt jouw leventje, waar je zo weinig van houdt, nog slechts een jaar of vijftig, bijt nog even op je tandjes”.
En ook nog dit over leed: volgens mij wil de lijdende mens zijn leed (of hij zich daar nu bewust van is of niet) in zijn omgeving weerspiegeld zien. Of het is omgekeerd: hij wil het liefst zo weinig mogelijk ‘gelukkige’ mensen zien. De gelukkige mens vormt voor de lijdende mens namelijk een rechtstreekse bedreiging. Het wereldbeeld van de lijdende mens wordt niet bevestigd door de gelukkige mens, want deze lijkt immers zonder veel boe of bah aan te geven dat het ‘ook anders kan’, dat het wereld- en mensbeeld van de lijdende mens slechts één mogelijk wereld- en mensbeeld is en dat er daarnaast andere wereld- en mensbeelden kunnen bestaan die even legitiem zijn - en precies dát, de idee van een alternatief wereld- en mensbeeld dat even legitiem is als het zijne, kan vreselijke ergernis opwekken bij de lijdende mens. Want daarmee weet de lijdende mens zich geen raad, daar loopt hij de muren van op en raakt hij mateloos door gefrustreerd. Hoe kan zo’n ‘gelukkige’ persoon nu in alle ernst een dergelijk positief wereldbeeld hebben of zelfs propageren? Is hij dom, naïef of maakt hij zichzelf iets wijs? Probeert hij mij, de verfoeilijke zwartkijker, op de zenuwen te werken of mij belachelijk te maken? Denkt hij bij zichzelf (of wéét hij) dat ik er niks van begrijp? Begrijp ik er misschien inderdaad niks van? Lijd ik omdat ik te dom ben om in te zien dat het leven een fantastische concept is en dat mensen de meest prachtige wezens zijn? Is de manier waarop wij met vluchtelingen omgaan misschien iets dat de negatieveling veel te veel dramatiseert? Is het leed dat voortkomt uit de confrontatie met de ‘gelukkige mens’ nog hetzelfde leed als het wereldleed waar ik me zo graag in wentel of is dit een ander leed, een échter leed? Is dit het leed van de strijd die ik als individu met een slap karakter oneervol verlies tegen de gelukkige mens? Ben ik een onmens omdat ik de gelukkige mens zijn geluk niet gun, omdat ik zijn enthousiasme en levensvreugde nauwelijks kan verdragen? Ga ik werkelijk een mens bestrijden die ‘gewoon’ tevreden, gelukkig, content is?
Oh, wat een confronterende gedachten heb ik plots. Ik kan er maar beter meteen over ophouden. Ik lijk wel Raskolnikow.