Met een minimum aan nieuwsberichten de dag doorkomen is voor mij niet evident. Ze doen de tijd vooruitgaan, ze houden me bezig zonder dat ik bezig hoef te zijn. Maar toch vind ik het belangrijk om op nieuwsdieet te gaan want nieuwsberichten brengen me niks wezenlijks bij. Ik verneem weliswaar vanalles maar vergeet het even snel weer. En zelden is zo'n bericht voor mij persoonlijk van enig belang. De vrijgekomen tijd kan anders worden ingevuld. En zonder twijfel nuttiger.
Posts tonen met het label boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boek. Alle posts tonen
woensdag 12 april 2023
Rolf Dobelli: 'Het nieuwsdieet'
Ik heb 'Het nieuwsdieet' van de Zwitserse auteur Rolf Dobelli gelezen. In dat boek raadt de auteur de lezer aan om resoluut te kappen met elke vorm van nieuwsconsumptie. Hij argumenteert omstandig dat het lezen van nieuwsberichten op geen enkele manier iets bijdraagt aan je persoonlijk welbevinden, wel integendeel. Nieuwsconsumptie bezorgt de mens al gauw een machteloos gevoel en in weze steek je niks op van de doorlopende stroom aan berichten, omdat ze doorgaans slecht uitgewerkt want aan de korte kant zijn.
Ik heb een hele tijd geleden voor mezelf al eens de oefening gemaakt en kan Dobelli vrijwel over de hele lijn gelijk geven. Met het lezen van korte nieuwsberichten schiet je als mens niks op. De informatie die in het overgrote deel van alle nieuwsberichten staat is zelden 'must know' en het maakt niet uit of het dan gaat over een nieuw wereldrecord kogelstoten of over Oekraïne dat in de oorlog een nieuw tegenoffensief plant. Bij dat laatste denken we misschien dat we dat horen te weten omdat we anders niet geëngageerd zijn, maar dat is ook maar een gedachte. Als je je bijvoorbeeld één keer per maand door een goed journalistiek medium over die oorlog laat informeren in plaats van bijna elke dag door een nieuwssite, weet je ook perfect wat er aan de hand is.
In mijn geval is nieuwsconsumptie niet meer dan bezigheidstherapie, ik ga daar niet over liegen. Nu ik op Facebook de pagina's van Knack, De Standaard, De Tijd en andere media heb ontliket, word ik niet meer overspoeld door nieuwsberichten als ik op Facebook kom en dat is even wennen. Waar ik voorheen minutenlang zoet was met onbenullige krantenkoppen lezen, krijg ik nu een soort Groot Niets in de plaats. Mijn overzicht staat nu vol met memes, advertenties en aanbevelingen voor pagina's die ik zou kunnen volgen. Wat nieuws betreft heb ik wel de satirische pagina's overgehouden, zoals De Speld, Clickhole, en vele anderen. Zo blijf ik alsnog op de hoogte maar zie ik nieuwsberichten zoals ze zijn: vooral een hoop flauwekul.
Een illustratie van een nieuwsbericht waarvan je je kan afvragen waarom journalisten er hun tijd aan verdoen: dat Charles Michel blijkbaar geen goede beurt maakt als president van Europa. Serieuze media als Politico maken daar al weken spel rond en ook de Vlaamse pers is mee. Maar wat is hiervan de werkelijke nieuwswaarde? Is het voor u of voor mij belangrijk of interessant om te weten dat Charles Michel niet populair is bij Europese diplomaten en dat zijn leiderschap in vraag wordt gesteld? Totaal niet. Maar het is natuurlijk sappig nieuws en dat doet het goed in de media, daar halen ze hun inkomsten uit. Nieuwsconsumenten lezen graag over de mislukkingen van bekende mensen en de media spelen daarop in. Werkelijke nieuwswaarde: nul. Clicks en likes: veel.
woensdag 1 mei 2019
Pynchon & Wallace
Op zich vind ik het niet zo relevant om me uitgebreid af te vragen waarom ik een welbepaald boek lees. Ik lees een welbepaald boek omdat het me op een of andere manier aanspreekt, niet meer of niet minder. Maar als ik me dan toch de vraag stel waarom ik boek x lees dan doe ik dat kennelijk omdat ik er niet zeker van ben dat het rendement dat ik haal uit het lezen van het betreffende boek zijn tijdsinvestering wel waard is. Ja, inderdaad, ik kan er maar beter meteen begrippen als ‘rendement’ en tijdsinvestering’ bijsleuren. Die passen we tegenwoordig immers op vrijwel alles toe en dus ook zeker op het lezen van een roman (want ik heb het hier over fictie, niet over (in het algemeen sneller concreet renderende) non-fictie).
Wat levert dit mij op? Ik heb me herhaaldelijk deze vraag gesteld tijdens het lezen van ‘Infinite Jest’ van David Foster Wallace en nu ook bij ‘Gravity’s Rainbow’ van Thomas Pynchon - twee boeken die heel veel tijd en aandacht van een lezer vragen.
Verrassend genoeg bleek het echter steeds om een retorische vraag te gaan, een vraag die geen antwoord behoefde. En als er al een antwoord op de vraag was dan zou het er op neerkomen dat ik met het lezen van deze boeken een ‘ervaring’ heb opgedaan, een ervaring die niet noodzakelijk voor rendement zorgde, maar die ik wel voor nog een hele lange tijd zal kunnen koesteren. En nu ik erover nadenk heeft het wel degelijk concreet gerendeerd om deze boeken te lezen: ze hebben mij allebei uitgebreid doen stilstaan bij het godgeklaagde fenomeen dát tegenwoordig zowat alles moet renderen. En ik heb tijdens het lezen van deze boeken vastgesteld dat ik met plezier tegen deze tendens wil ingaan.
‘Infinite Jest’ en ‘Gravity’s Rainbow’ vragen heel veel van een gemiddelde lezer. Heel veel althans in vergelijking met - ik noem het eerste boek dat in mij opkomt - ‘De helaasheid der dingen’. Om te beginnen zijn beide boeken drie à vier keer zo dik als ‘De helaasheid der dingen’, maar je moet er om alles te kunnen begrijpen ook drie à vier keer beter je kop bijhouden tijdens het lezen. Beide vuistdikke boeken zijn geschreven in het soort taalregister dat je misschien wel nergens anders aantreft in de moderne literatuur. In ‘Infinite Jest’ - 1000 kleinbedrukte pagina’s + 200 nog kleiner bedrukte pagina’s met eindnoten - kom je ellenlange passages tegen die zo lijken weggeplukt uit een vakblad voor academici die opereren in een verre uithoek van de wetenschap, en Thomas Pynchon toont zich in ‘Gravity’s Rainbow’ een kampioen in pagina’s lange quasi nutteloze, zij het vaak prachtige, uitweidingen over, bijvoorbeeld, de natuur, waardoor je als in je gedachten afdwalende lezer steeds opnieuw van de sporen sukkelt die in feite het werkelijke verhaal vormen. Het zijn dit soort zaken waarop een lezer met een overvolle agenda heel snel zal afknappen wanneer hij er al in het eerste hoofdstuk mee te maken krijgt. Waar gaat dit in godsnaam over, kan hij zich dan afvragen. En: heb ik misschien niks beters te doen? Wat héb ik hieraan - hoe zal dit renderen? Wel, als ik die vraag dan toch beantwoord: je krijgt hier te maken met een doorlopende stroom van verrassingen, met een bombardement van rariteiten en andere gekkigheden waarvan je nooit had gedacht dat een mens ze kon bedenken en waarvan je vermoedt dat geen andere schrijver in staat is om deze te produceren - waarom anders zijn Pynchon en Wallace absolute cultschrijvers? Je breekt je al lezend het hoofd over de drijfveren van Wallace en Pynchon - en in één ruk ook over de drijfveren van de mens als zodanig - en gaat op internet alles lezen wat er over hen te vinden is. Je hebt als lezer ook het gevoel dat je in een select gezelschap terechtkomt van mensen die ‘het’ ook hebben klaargespeeld, die kunnen weten welke inspanning je hebt geleverd door Wallace of Pynchon te lezen. Het lezen van deze boeken vormt misschien het equivalent van wat men in de sport een ‘strijd tegen de elementen’ zou noemen. Je trotseert onaangenaam lange, extreem gedetailleerde, niets concreet toevoegende omschrijvingen van onbenulligheden, moet soms tot het uiterste gaan om er je geduld niet bij te verliezen en verlegt je grens telkens wanneer je weer zo’n godgeklaagde passage doospartelt en in een meer toegankelijk deel van het verhaal terechtkomt, waar je weer even op adem kan komen vooraleer je opnieuw aan het zwoegen moet. En hoewel dat alles dan niet rendeert in de gangbare betekenis van het woord gaat die geleverde inspanning dikwijls samen met een gevoel van diepe tevredenheid. Te weten dat je zo’n boeken aankan, geeft je een boost. Je bent een man van de lange adem en hebt bewezen dat je aandachtsspanne die van een goudvis overstijgt.
Sinds ik ‘Infinite Jest’ (en ‘Gravity’s Rainbow’) gelezen heb, ben ik iemand die zich kan toeleggen op dingen die in de ogen van vele anderen in niets concreets zullen resulteren. En daar ben ik blij om.
vrijdag 27 juli 2018
Misdaad en straf
‘Misdaad en straf’ is tijdloos. Dat wil zeggen: het verhaal is universeel en het herhaalt zich ook 150 jaar nadat het geschreven is nog elke dag in allerlei varianten in alle uithoeken van de wereld.
De jongeman die quasi in een verloren positie thuis (in dit geval een studentenamer) het spoor bijster raakt en begint te redeneren dat hij niks meer te verliezen heeft, Rodion Romanytsj Raskolnikow is er zo een, maar hij zal niet de eerste zijn geweest en hij is ook niet de laatste gebleken.
Raskolnikow komt uit ‘de provincie’ en zijn arme, oude moedertje (het menske zal hooguit een jaar of 50 zijn) heeft al haar hoop op hem gevestigd. Raskolnikow, haar eerstgeborene, zal carrière maken in Petersburg en hij zal er voor zorgen dat zijn moedertje en zijn jongere zus, Doenja, Doenjetsjka, een voorspoedige toekomst tegemoet kunnen zien.
Maar weet zijn moedertje veel dat ‘voormalig student’ Raskolnikow, ‘haar Rodja’, volledig de pedalen kwijt is, zoals hij daar tot grote ongerustheid van de conciërge dag in dag uit in zijn kruipkot ligt te stinken. Het is alom bekend dat een mens thuis wat ruimte nodig heeft om zich goed te kunnen voelen en wie heel klein woont moet op z’n minst elke dag even naar buiten gaan (je merkt dat tegenwoordig met de vluchtelingen die veel op straat rondhangen). Raskolnikow, helaas, woont, blijkbaar uit noodzaak, in een kamer ter grootte van een kast (al kan er toch nog opvallend veel volk binnen, zo blijkt wanneer de geweldige Razoemichin, de dokter Zosimow én zijn toekomstige zwager Pjotr Petrovitsj Loezjin gezamelijk bij hem op bezoek komen). En het gaat niet goed met Raskolnikow precies omdat hij zijn kamer niet meer verlaat en nog nauwelijks met iemand contact heeft. Doelloos dwaalt hij door de straten van Petersburg en vaak kan hij zich na thuiskomst van een wandeling zelfs niet herinneren waar hij zoal heeft rondgehangen, zo ver zijn zijn gedachten dan afgedwaald. Hij heeft zijn studie stopgezet, al dan niet omdat hij er niet meer voor kon betalen. Zijn cursussen liggen stof te vergaren op zijn werktafel.
Op basis van de gegeven feiten kan nauwelijks worden vastgesteld welk soort karakter Raskolnikow had vooraleer hij naar de grote stad verhuisde (bij aanvang van het verhaal heeft hij zijn moeder en zus al drieënhalf jaar niet gezien - zij corresponderen per brief met elkaar en stellen elk van hun kant de zaken beter voor dan ze zijn). Nu, alleszins, wisselt de voormalige student heel makkelijk van gemoedstoestand, weze het dat hij nooit zonder meer gelukkig is. Hoogstens heeft hij af en toe een ‘wat betere dag’, als was het een plotse aanval van koorts. Maar meestal is Raskolnikow apathisch, hopeloos en soms heeft hij zelfs ronduit ‘boosaardige’ gedachten (waar hij dan meestal zelf van schrikt). Als cynisch wordt Raskolnikow nooit omschreven, maar op zijn manier is hij het wel. Hij is zijn geloof in een goede afloop kwijt en hij zal uiteindelijk niet te beroerd blijken om ‘alleen te handelen’, al gaat er dan wel een heel proces van angst en twijfel aan zijn uiteindelijke handeling vooraf. Raskolnikow lijkt dus daadwerkelijk niks meer te verliezen te hebben en psychisch labiel als hij is, wordt hij stilaan onberekenbaar, inderdaad boosaardig en uiteindelijk zelfs gevaarlijk. Hij of zij die hem op dit punt nog in de weg loopt, in dit geval de gierige en inhalige ‘beleenster’ Aljona Iwanowna, rijdt maat beter niet te vaak meer tegen zijn kar.
In een vlaag van zinsverbijstering (of is hij wel degelijk volledig bij zijn verstand?) gaat Raskolnikow tot actie over. Het valt op dat Dostojewski zijn hoofdpersonage nadrukkelijk ‘helpt’ om zijn plan ten uitvoer te brengen. Geheel toevallig kan Raskolnikow een cruciaal gesprek afluisteren; zomaar pardoes loopt Raskolnikow tegen een bijl aan (die hij absoluut nodig heeft om zijn plan ten uitvoer te brengen); alsof het zo gepland was kan Raskolnikow zich na zijn misdaad in een kamertje onder de ‘plaats van delict’ verschuilen en hij heeft ook nog eens het geluk dat er niemand op de binnenplaats is wanneer hij het pand verlaat. Dostojewski weet het weliswaar bijzonder spannend te houden - de scène vlak na de misdaad is zo goed - maar hij gunt Raskolnikow wel bijzonder veel meeval. Wanneer Raskolnikow in de dagen daarop ook gesprekken tussen Razoemichin en Zosimow kan afluisteren en zo te weten komt wie er (niet) wordt verdacht, hoeft hij zelfs geen krant meer te lezen om op de hoogte te blijven.
‘Misdaad en straf’ zal voor nogal wat mensen herkenbare elementen bevatten. Persoonlijk kan ik mij enigszins vinden in Raskolnikows idee dat het weinig uitmaakt wat hij al dan niet doet. Ook Raskolnikows cynisme en de weerzin die hij voelt voor mensen die hem willen helpen, zijn niet zo moeilijk te begrijpen. Soms weet je nu eenmaal zeker dat je er helemaal alleen voor staat en dan zijn andermans ‘goede bedoelingen’ gewoon vreselijk ergerlijk (want ze voelen niet wat jij voelt).
Raskolnikows verhaal is er ook een van (kans)armen tegen (kans)rijken. Hij krijgt als student nauwelijks de kans om aan het leven deel te nemen, hij moet zien te overleven. Ook dat zal voor veel mensen herkenbaar zijn. Arme mensen overleven meer dan ze leven. Leven is iets voor de rijken en dat wordt ook vandaag nog vaak (of graag) vergeten. ‘Ze moeten hun leven maar eens in handen nemen, dan komen ze er wel, die kansarmen, die werklozen, die amokmakers.’ Wel, zo simpel is het dus niet. Als je moet overleven zit je voortdurend in de stress en kom je er nauwelijks aan toe om te ‘ontstressen’ en al dat soort dingen die de rijken (kunnen) doen. Een gestresseerde mens kan niet zomaar alles even omkeren. Je moet voor die mens een situatie creëren waarin hij niet langer zo gestresseerd hoeft te zijn. Ten tijde van Dostojewski deed men dat niet en vandaag doet men dat nog steeds niet. De situatie van Raskolnikow is voor mensen in armoede nog zeer actueel.
‘Misdaad en straf’, ik lees het nu voor de derde keer en ben er voor de derde keer helemaal weg van. En er zijn daarvoor nog zoveel redenen die ik hier niet eens aangehaald heb. Het vaak komische taalgebruik, de heerlijke dialogen, de manier waarop personages beschreven worden, de sfeer van het Rusland van de 19e eeuw. Ik begrijp wel dat mensen vandaag de dag niet gemakkelijk meer naar een boek van ruim 700 pagina’s zullen grijpen - alhoewel, ik begrijp dat eigenlijk helemaal niet (daarover heb ik het later nog wel eens) -, maar mocht je eens om god weet welke reden een Netflixserie willen skippen, gebruik dan die tijd om deze klassieker te lezen. Al was het maar omdat dit waarschijnlijk straffer is dan eender wat je op Netflix te zien zal krijgen. Want ik wil het trouwens nog weleens zien, of ze in 2170 nog over ‘Game of Thrones’ zullen praten. ‘Misdaad en straf’ dateert uit 1866 en 152 jaar na publicatie heeft het nog helemaal niks van zijn actualiteitswaarde verloren. Dit is universeel, dit is tijdloos en heel belangrijk. Dit is van het beste uit de Grote Bibliotheek. Doe uzelf een plezier en lees dit. Als ge dit jaar één ding wilt doen waarvoor ge uit uw comfortzone moet komen, wel, lees ‘Misdaad en straf’. Het taalgebruik is niet het meest toegankelijke, maar dat went al snel.
Dóén!
De jongeman die quasi in een verloren positie thuis (in dit geval een studentenamer) het spoor bijster raakt en begint te redeneren dat hij niks meer te verliezen heeft, Rodion Romanytsj Raskolnikow is er zo een, maar hij zal niet de eerste zijn geweest en hij is ook niet de laatste gebleken.
Raskolnikow komt uit ‘de provincie’ en zijn arme, oude moedertje (het menske zal hooguit een jaar of 50 zijn) heeft al haar hoop op hem gevestigd. Raskolnikow, haar eerstgeborene, zal carrière maken in Petersburg en hij zal er voor zorgen dat zijn moedertje en zijn jongere zus, Doenja, Doenjetsjka, een voorspoedige toekomst tegemoet kunnen zien.
Maar weet zijn moedertje veel dat ‘voormalig student’ Raskolnikow, ‘haar Rodja’, volledig de pedalen kwijt is, zoals hij daar tot grote ongerustheid van de conciërge dag in dag uit in zijn kruipkot ligt te stinken. Het is alom bekend dat een mens thuis wat ruimte nodig heeft om zich goed te kunnen voelen en wie heel klein woont moet op z’n minst elke dag even naar buiten gaan (je merkt dat tegenwoordig met de vluchtelingen die veel op straat rondhangen). Raskolnikow, helaas, woont, blijkbaar uit noodzaak, in een kamer ter grootte van een kast (al kan er toch nog opvallend veel volk binnen, zo blijkt wanneer de geweldige Razoemichin, de dokter Zosimow én zijn toekomstige zwager Pjotr Petrovitsj Loezjin gezamelijk bij hem op bezoek komen). En het gaat niet goed met Raskolnikow precies omdat hij zijn kamer niet meer verlaat en nog nauwelijks met iemand contact heeft. Doelloos dwaalt hij door de straten van Petersburg en vaak kan hij zich na thuiskomst van een wandeling zelfs niet herinneren waar hij zoal heeft rondgehangen, zo ver zijn zijn gedachten dan afgedwaald. Hij heeft zijn studie stopgezet, al dan niet omdat hij er niet meer voor kon betalen. Zijn cursussen liggen stof te vergaren op zijn werktafel.
Op basis van de gegeven feiten kan nauwelijks worden vastgesteld welk soort karakter Raskolnikow had vooraleer hij naar de grote stad verhuisde (bij aanvang van het verhaal heeft hij zijn moeder en zus al drieënhalf jaar niet gezien - zij corresponderen per brief met elkaar en stellen elk van hun kant de zaken beter voor dan ze zijn). Nu, alleszins, wisselt de voormalige student heel makkelijk van gemoedstoestand, weze het dat hij nooit zonder meer gelukkig is. Hoogstens heeft hij af en toe een ‘wat betere dag’, als was het een plotse aanval van koorts. Maar meestal is Raskolnikow apathisch, hopeloos en soms heeft hij zelfs ronduit ‘boosaardige’ gedachten (waar hij dan meestal zelf van schrikt). Als cynisch wordt Raskolnikow nooit omschreven, maar op zijn manier is hij het wel. Hij is zijn geloof in een goede afloop kwijt en hij zal uiteindelijk niet te beroerd blijken om ‘alleen te handelen’, al gaat er dan wel een heel proces van angst en twijfel aan zijn uiteindelijke handeling vooraf. Raskolnikow lijkt dus daadwerkelijk niks meer te verliezen te hebben en psychisch labiel als hij is, wordt hij stilaan onberekenbaar, inderdaad boosaardig en uiteindelijk zelfs gevaarlijk. Hij of zij die hem op dit punt nog in de weg loopt, in dit geval de gierige en inhalige ‘beleenster’ Aljona Iwanowna, rijdt maat beter niet te vaak meer tegen zijn kar.
In een vlaag van zinsverbijstering (of is hij wel degelijk volledig bij zijn verstand?) gaat Raskolnikow tot actie over. Het valt op dat Dostojewski zijn hoofdpersonage nadrukkelijk ‘helpt’ om zijn plan ten uitvoer te brengen. Geheel toevallig kan Raskolnikow een cruciaal gesprek afluisteren; zomaar pardoes loopt Raskolnikow tegen een bijl aan (die hij absoluut nodig heeft om zijn plan ten uitvoer te brengen); alsof het zo gepland was kan Raskolnikow zich na zijn misdaad in een kamertje onder de ‘plaats van delict’ verschuilen en hij heeft ook nog eens het geluk dat er niemand op de binnenplaats is wanneer hij het pand verlaat. Dostojewski weet het weliswaar bijzonder spannend te houden - de scène vlak na de misdaad is zo goed - maar hij gunt Raskolnikow wel bijzonder veel meeval. Wanneer Raskolnikow in de dagen daarop ook gesprekken tussen Razoemichin en Zosimow kan afluisteren en zo te weten komt wie er (niet) wordt verdacht, hoeft hij zelfs geen krant meer te lezen om op de hoogte te blijven.
‘Misdaad en straf’ zal voor nogal wat mensen herkenbare elementen bevatten. Persoonlijk kan ik mij enigszins vinden in Raskolnikows idee dat het weinig uitmaakt wat hij al dan niet doet. Ook Raskolnikows cynisme en de weerzin die hij voelt voor mensen die hem willen helpen, zijn niet zo moeilijk te begrijpen. Soms weet je nu eenmaal zeker dat je er helemaal alleen voor staat en dan zijn andermans ‘goede bedoelingen’ gewoon vreselijk ergerlijk (want ze voelen niet wat jij voelt).
Raskolnikows verhaal is er ook een van (kans)armen tegen (kans)rijken. Hij krijgt als student nauwelijks de kans om aan het leven deel te nemen, hij moet zien te overleven. Ook dat zal voor veel mensen herkenbaar zijn. Arme mensen overleven meer dan ze leven. Leven is iets voor de rijken en dat wordt ook vandaag nog vaak (of graag) vergeten. ‘Ze moeten hun leven maar eens in handen nemen, dan komen ze er wel, die kansarmen, die werklozen, die amokmakers.’ Wel, zo simpel is het dus niet. Als je moet overleven zit je voortdurend in de stress en kom je er nauwelijks aan toe om te ‘ontstressen’ en al dat soort dingen die de rijken (kunnen) doen. Een gestresseerde mens kan niet zomaar alles even omkeren. Je moet voor die mens een situatie creëren waarin hij niet langer zo gestresseerd hoeft te zijn. Ten tijde van Dostojewski deed men dat niet en vandaag doet men dat nog steeds niet. De situatie van Raskolnikow is voor mensen in armoede nog zeer actueel.
‘Misdaad en straf’, ik lees het nu voor de derde keer en ben er voor de derde keer helemaal weg van. En er zijn daarvoor nog zoveel redenen die ik hier niet eens aangehaald heb. Het vaak komische taalgebruik, de heerlijke dialogen, de manier waarop personages beschreven worden, de sfeer van het Rusland van de 19e eeuw. Ik begrijp wel dat mensen vandaag de dag niet gemakkelijk meer naar een boek van ruim 700 pagina’s zullen grijpen - alhoewel, ik begrijp dat eigenlijk helemaal niet (daarover heb ik het later nog wel eens) -, maar mocht je eens om god weet welke reden een Netflixserie willen skippen, gebruik dan die tijd om deze klassieker te lezen. Al was het maar omdat dit waarschijnlijk straffer is dan eender wat je op Netflix te zien zal krijgen. Want ik wil het trouwens nog weleens zien, of ze in 2170 nog over ‘Game of Thrones’ zullen praten. ‘Misdaad en straf’ dateert uit 1866 en 152 jaar na publicatie heeft het nog helemaal niks van zijn actualiteitswaarde verloren. Dit is universeel, dit is tijdloos en heel belangrijk. Dit is van het beste uit de Grote Bibliotheek. Doe uzelf een plezier en lees dit. Als ge dit jaar één ding wilt doen waarvoor ge uit uw comfortzone moet komen, wel, lees ‘Misdaad en straf’. Het taalgebruik is niet het meest toegankelijke, maar dat went al snel.
Dóén!
vrijdag 9 februari 2018
Byung-Chul Han: 'De vermoeide samenleving
In het vorig jaar verschenen Rekto:versonummer over Underground las ik een ‘mislukt gesprek’ met de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han (de link naar dat artikel postte ik hier een dag of tien geleden). Meneer Han had zich tijdens het interview-dat-geen-interview-werd zeer vervelend gedragen en had geen enkele vraag ernstig willen beantwoorden. ‘Underground’ vond hij een belachelijke term, en of de journaliste alstublieft haar opnameapparatuur kon opbergen, danku.
Wat een ambetanterik, was mijn logische conclusie, en dat ik eens iets van die vent moest lezen, dat ook.
Zijn bekendste werk zou ‘De transparante samenleving’ zijn, waarin hij o.a. schijnt te stellen dat undergroundcultuur niet meer kan bestaan in Googletijden. Alles is immers op te sporen mits enkele goedgekozen zoektermen. Ik heb ‘De transparante samenleving’ uit de bib ontleend, net als zijn ‘De vermoeide samenleving’, en dat laatste boekje (het telt 61 pagina’s, eindnoten inbegrepen) heb ik inmiddels uit. Ik neem even de tekst van de achterflap over:
“Ieder tijdperk heeft zijn ziekten. De 21ste eeuw staat in het teken van neuro-aandoeningen: depressie, ADHD, borderline en burn-out. Voor infecties hoeven we dankzij de medische wetenschap niet meer bang te zijn. Het pathologische landschap van onze tijd wordt bepaald door infarcten, die niet door negativiteit (het afweren van het vreemde) ontstaan, maar juist door een overmaat aan positiviteit. De 21ste eeuwse persoonlijkheid bezwijkt aan oververhitting, ontstaan door een teveel aan het gelijke.” (..) “Deze cultuurkritische en filosofische stelling legt de vinger op de zere plek en laat zien hoe we disciplinering van Foucault ontgroeid zijn, en te maken krijgen met de keerzijden van de prestatiemaatschappij. We hebben een overmaat aan prikkels, informatie en impulsen: we weten alleen niet altijd hoe we daarmee om moeten gaan.”
(Wat nu volgt is een zéér gebrekkige en onvolledige interpretatie van wat ik uit het boekje onthoud (ik vond het niet altijd even gemakkelijk om alles volledig te begrijpen, ik ben geen erg knappe kop). Ga er dus niet van uit dat wat volgt allemaal even juist is.)
Een term die in dit boekje vaak ter sprake komt is ‘prestatiemaatschappij’. Deze prestatiemaatschappij heeft de ‘commandomaatschappij’ opgevolgd. Naar men kan aannemen leven we inmiddels al enkele tientallen jaren in een prestatiemaatschappij, maar deze ‘versnelt’ enorm sinds het begin van de, digitale, 21ste eeuw, waarin richtinggevende elementen op losse schroeven komen te staan.
Wat wordt er trouwens bedoeld met ‘prestatie’? Misschien eerst de vraag beantwoorden wat er met ‘commando’ bedoeld wordt. De commandomaatschappij was er een waarin richtlijnen golden en waarin men moest opereren binnen door gezaghebbers afgebakende krijtlijnen. Dit zorgde voor duidelijkheid bij ‘het volk’, maar ook voor frustratie en agressie. In de commandosamenleving heerste er strijd, er was iets om je tegen te verzetten. Dissidenten werden opgesloten, ze kwamen terecht in de gevangenis of in het gekkenhuis. Ziektes in de commandosamenleving waren van virale aard. Intussen, echter, zijn deze ziektes te genezen en hebben wij een zeker immuunsysteem opgebouwd tegen het negatieve, tegen datgene waarmee wij ‘strijden’.
Enter: de prestatiemaatschappij. Waren wij in de commandosamenleving nog ondergeschikte subjecten (van onze overste of van God), dan zijn we nu de ‘ondernemer van ons eigen ik’. Dit lijkt heel erg ‘positief’; veel té positief zelfs, oordeelt Byung-Chul Han. Waartegen kunnen wij ons immers nog écht verzetten in een wereld waarin we onze identiteit helemaal zelf vorm kunnen geven, los van God (want die is weg) of commanderende oversten? In deze maatschappij van gelijken gaan we ervan uit dat niets onmogelijk is, zegt Han, en mensen die in die wetenschap moeten vaststellen dat voor hen iets ‘niet mogelijk’ is, vooral dan gevoelsmatig, kunnen in een depressie of een burn-out terechtkomen. Als ondernemer van hun eigen ik hebben zij gefaald en hoe kunnen ze dat aan zichzelf uitleggen? Dat je het gevoel hebt dat je tekort schiet, dat je ‘het niet aankan’, dat je minderwaardig bent (uiteraard allemaal in vergelijking met ‘de ander’)?
Omdat we de ondernemer van ons ik zijn, zijn we ‘hyper’ geworden. We kunnen niet meer tot stilstand komen, kunnen niet stoppen met ‘werken aan onszelf’. Wie ‘botst’ is ‘niet normaal’ en lijdt aan ADHD, aan borderline, aan een depressie, een burn-out of is bipolair.
Omdat we voortdurend (aan onszelf) moeten werken (‘presteren’) en nooit (mogen) stilstaan, kunnen we ook nauwelijks nog helder denken (‘contempleren’). We verliezen het overzicht. We doen alles half en half, niets grondig. We multitasken. Han noemt dit onvermogen tot concentratie en stilstand een achteruitgang in de menselijke evolutie. “De waarneming wordt gefragmenteerd en versnipperd. Ook de groeiende werkdruk maakt een speciale techniek van tijds- en aandachtsbesteding noodzakelijk, en die werkt op zijn beurt weer door in de structuur van de aandacht. Multitasking als techniek van tijds- en aandachtsbesteding is echter geen stap vooruit in de beschaving. Het is geen vermogen dat alleen zou zijn weggelegd voor de mens in de laatmoderne samenleving van informatiewerkers. Het gaat hier veeleer om een regressie: multitasking is nu juist het specifieke vermogen van wilde dieren in het open veld. Het is een aandachtstechniek die onmisbaar is voor het overleven in de wildernis.“
Ik geloof dat dit klopt. We overleven, meer dan we leven. Van multitasking gaat een soort wanhoop uit. ‘Ik krijg het niet rond, het lukt mij niet, ik vind geen tijd.’ En het gekke is: we zijn daar nog trots op ook. Multitasken, het druk hebben in het algemeen is in onze samenleving iets om mee uit te pakken. Het zou erop wijzen dat je een interessant leven hebt met non-stop activiteit. Lijkt mij vooral vermoeiend. Ik maak er net een punt van om veel vrije tijd te hebben.
Aansluitend en ook interessant: “De culturele prestaties van de mensheid, waaronder ook de filosofie, hebben wij te danken aan een intensieve, contemplatieve aandacht. Cultuur heeft een omgeving nodig waarin zo’n intensieve aandacht mogelijk is. Maar dit type aandacht worst steeds verder teruggedrongen door een heel andere vorm van aandacht, de hyperaandacht. Een snelle focuswisseling tussen verschillende taken, informatiebronnen en processen kenmerkt deze versnipperde aandacht. Doordat ze ook nauwelijks enige tolerantie kan opbrengen voor verveling, staat ze al evenmin de intensieve verveling toe die van belang is voor het creatieve proces. (...) Als de ontspanning verdwijnt, verliezen we de ‘gave om te luisteren’ en verdwijnt ook de ‘gemeenschap van de luisteraars’. Diametraal daartegenover staat onze bedrijvige prestatiesamenleving. De ‘gave om te luisteren’ berust nu juist op de intensieve, contemplatieve aandacht waartoe het hyperactieve ego niet in staat is.”
De leidende hand van God mag trouwens zo goed als verdwenen zijn in de prestatiemaatschappij (we zijn nu immers zélf een beetje God), diegenen die denken dat er geen religie meer is, dwalen. Wij geloven immers heilig in het belang van gezondheid en zullen elk offer brengen om gezond te zijn en te blijven. Daar gaan we heel ver in en voor zij die niet maximaal naar gezondheid streven, zijn we hard. Deze mensen kunnen niet rekenen op onze sympathie.
Dit zijn enkele ideeën die in dit boekje naar voor komen, maar ik herhaal dat ik zeer onvolledig ben geweest. Ik denk trouwens niet dat dit boekje bedoeld is als een onbaatzuchtig ‘pleidooi’ voor wat dan ook (daarvoor lijkt meneer Han me al te zeer een zelfingenomen egotripper - hij maakt along the way op meewarige toon brandhout van bepaalde aannames van beroemde(re) collega-filosofen), maar dat er een aantal waarheden staan in ‘De vermoeide samenleving’ valt niet te ontkennen. Tot stilstand komen (om rustig na te denken) is inderdaad enorm belangrijk. Uit de ratrace stappen, niet ‘hyper’ worden om even later tegen je limieten aan te botsen met moderne ziektebeelden als burn-out en depressie tot gevolg - het is allemaal zeer juist. Stap niet mee in een prestatiesamenleving enkel en alleen omdat iedereen rond je dat lijkt te doen. Denk na, maak weloverwogen keuzes, ga na wat goed aanvoelt voor jou als individu en wat jou houvast kan bieden. Laat je niet leven en denk vooral niet dat multitasking en druk-druk-druk ‘interessant’ is. Kom tot rust en bezin. Ik wist dat natuurlijk al allemaal, maar het is oké dat meneer Han nog eens wijst op het grote belang van dit alles. (Dit boekje, uit 2010, wordt op de achterflap trouwens een ‘controversiële bestseller’ genoemd.)
En nu ‘De transparante samenleving’ lezen. Met zijn 94 pagina’s (inclusief eindnoten) wordt dat een taaie brok.
zondag 12 februari 2017
Monte Carlo
Een aantal maanden geleden sprak ik met een vriend af om hetzelfde boek te lezen en daarna gedachten daarover uit te wisselen. We kozen voor een dun boekje, dat zou wel het makkelijkst zijn. Ons oog viel op 'Monte Carlo' van Peter Terrin, een boek van om en bij de 150 bladzijden. Hieronder mijn notities over dat boek.
Peter Terrin: ‘Monte Carlo’
Algemene bedenking:
Ik ben weinig geïnteresseerd in de mogelijke achterliggende betekenissen van een boek, ik focus op wat er ín het boek geschreven staat.
Ik ben weinig geïnteresseerd in de mogelijke achterliggende betekenissen van een boek, ik focus op wat er ín het boek geschreven staat.
Dit zeer dunne boekje leent zich er, ook vanwege de zéér korte hoofdstukken, toe het uit te lezen in twee à drie dagen. Bijgevolg zijn de personages slechts vlugge passanten in je leven. Bij pakweg ‘Misdaad en straf’ is dat wel anders - Raskolnikov gaat verschillende weken mee, komt bijna tot leven. De personages uit ‘Monte Carlo’ dreigen hun naam al na twee weken te verliezen. Zeker als je meteen in een nieuw boek begint.
Aangezien dit boek geen wereldschokkende indruk op mij heeft gemaakt, zal ik de namen van de hoofdpersonages wellicht snel vergeten. Een naam als Jack Preston is sowieso niet bijster catchy.
Aangezien dit boek geen wereldschokkende indruk op mij heeft gemaakt, zal ik de namen van de hoofdpersonages wellicht snel vergeten. Een naam als Jack Preston is sowieso niet bijster catchy.
Enkele notities:
Terrin kan goed schrijven, daarover bestaat geen twijfel. Hij wéét dat hij mooi kan schrijven, daarover bestaat ook geen twijfel. Zijn voor het verhaal niet meteen terzakedoende uitweidingen zijn dikwijls mooi en geslaagd, maar nu en dan bezondigt hij zich wat mij betreft aan mooischrijverij en dan wordt het voor mij als lezer een beetje vervelend.
De hoofdstukken in dit boek zijn vaak niet langer dan 2 pagina’s. Als lezer krijg je hierdoor het gevoel dat je door het boek raast. Ik vond dit best een aangename sensatie, maar als het boek snel uit is heeft het minder tijd om onder je vel te kruipen.
In de eerste hoofdstukjes krijgen we verschillende settings gepresenteerd. Afwisselend is er een beschrijving van het F1-circuit van Monte Carlo en de beau monde aldaar en wordt hoofdpersonage Jack Preston voorgesteld. Details over zijn jeugd en achtergrond moeten duidelijk maken dat het leven van Preston zéér ver afstaat van dat van de prins van Monaco die in de eretribune zit.
De schrijver kondigt beetje bij beetje de komst van superstar Deedee aan. Op den duur wordt het voor mij als lezer nét iets te lang wachten op haar uiteindelijke verschijning. De hoofdstukken over Prestons achtergrond zijn noodzakelijk voor het verhaal, maar weten iets minder te boeien dan al het spannends dat gaande is op het circuit van Monte Carlo.
Het laatste hoofdstuk van het eerste deel van het boek is beduidend langer dan de andere hoofdstukken en ik vond het fijn om iets langer in één sfeer te kunnen blijven hangen.
Het laatste hoofdstuk van het eerste deel van het boek is beduidend langer dan de andere hoofdstukken en ik vond het fijn om iets langer in één sfeer te kunnen blijven hangen.
Het tweede, veruit het grootste, deel van het boek beschrijft het leven van Jack Preston ná zijn ‘heldendaad’. Het wordt echter al heel snel duidelijk dat Jacks hoge verwachtingen nooit zullen worden ingelost. Het is een beetje treurig. Soms ging ik me nét niet vervelen bij de beschrijvingen van Jacks bezigheden. Dan verlangde ik een beetje naar die ándere verhaallijn, met Deedee en de beau monde. Gelukkig maakt Deedee opnieuw haar opwachting in verdere hoofdstukken van deel twee. Deedee houdt dit boek licht.
Wanneer Deedee op tv te gast is in een talkshow verwacht Jack dat zij iets over hem zal vertellen. Je weet natuurlijk dat dit niet zal gebeuren en dat maakt een en ander een beetje voorspelbaar. Het is wel leuk dat Jack een dieperliggende betekenis in de woorden van Deedee ontwaart wanneer zij ‘I love YOU’ in de camera zegt. Daar lijkt het alsof Jack bezig is gek te worden en daar wordt dit verhaal alleen maar beter van. Een beetje ‘edge’, wat meer gekkigheid.
De pagina’s met Jack op zijn werkplaats, de rare jongen Ronny, Jacks vrouw die óók een beetje doordraait (maar wat voor het verhaal onbelangrijk lijkt) en Jacks relatie tot God lezen lekker weg - de hoofdstukken zijn nog steeds uiterst kort, maar ik word er niet per se wild van.
(Wat is dat eigenlijk met zijn vrouw? Opnieuw symboliek of ‘zomaar’? Opnieuw: symboliek is niet aan mij besteed. Noem mij een domoor.)
Het leukst blijven die momenten waarop Jack dingen van Deedee verwacht en dan hoop je dat hij ‘gek’ gaat doen, maar dat gebeurt nooit écht. Dat zijn verwachtingen sowieso nooit worden ingelost, weten we dan al lang. Op pagina 133 realiseert Jack zich dat hij zichzelf wat betreft al zijn verwachtingen bedot heeft. Toch is Jack er aan het eind van het tweede deel van het boek nog steeds van overtuigd dat Deedee aan hem denkt. Hij, haar weldoener, haar redder.
(Terloops: waarom stel ik me Jack van bij het begin als een man van in de 50 voor terwijl hij 35 blijkt te zijn? Ligt het aan mij of zit de schrijver er ook voor iets tussen? Ik vind Jack traag en nogal dom.)
Laatste deel van het boek.
Vraag stelt zich even of Jack Deedee’s auto misschien gesaboteerd heeft. Onterecht.
God speelt een rol in dit boek. Houd ik over het algemeen niet van: God, de kerk, e.a. in boeken. Dit soort symboliek gaat nogal aan mij voorbij. Jack dacht dat God hem Deedee zou ‘brengen’. Daarentegen is Deedee door God gestraft voor haar nalatigheid (door geen contact op te nemen met Jack).
In de laatste twee hoofdstukjes komen we terug bij eerst Blunt en daarna Norris, twee dorpsgenoten die eerder in het boek ook al kort aan bod kwamen. Nu zijn twee hoofdstukjes specifiek aan hen besteed. Bij Blunt maakt onze Jack nog een onduidelijke (symbolische?) passage, bij Norris - laatste hoofdstuk - is dat zelfs helemaal niet het geval. Geen Jack in het laatste hoofdstuk. Op die manier zit ik aan het einde van dit boek met vragen. Wat heeft de schrijver hiermee bedoeld? Ik vind die onduidelijkheid niet zo prettig, maar het kan me tegelijkertijd ook weinig schelen.
Dit was een aardig boekje, zonder meer. Het was bijzonder snel uit en wellicht zou ik snel vergeten waarover het ook weer precies ging, ware het niet dat ik er heel deze tekst over geschreven heb.
vrijdag 29 juli 2016
'Het lezen zoals het is'-vragenlijst
Humo vroeg mij om de vragen voor de rubriek ‘Het Lezen Zoals Het Is’ te beantwoorden. Dat heb ik gedaan.
In welk boek bent u tegenwoordig bezig?
”’Atonement’ van Ian McEwan.”
”’Atonement’ van Ian McEwan.”
Waar leest u het liefst?
"In de zon.”
"In de zon.”
Met welke auteur zou u een avondje uit willen?
”Serge Simonart.”
”Serge Simonart.”
Met welk romanpersonage ziet u een onenightstand wel zitten?
”Meredith Rand uit ‘De bleke koning’ van David Foster Wallace.”
”Meredith Rand uit ‘De bleke koning’ van David Foster Wallace.”
Wat is uw favoriete gedicht en waarom?
“Behalve enkele van mijn eigen gedichten schiet me niks te binnen. Ik zal morgen een gedicht op Facebook plaatsen dat ik schreef in 2008 en dat ik nog weleens herlees.
Voor de rest apprecieer ik het werk van Leonard Nolens, Andy Fierens en de veelzijdige underground-poëet Geert Simonis.”
“Behalve enkele van mijn eigen gedichten schiet me niks te binnen. Ik zal morgen een gedicht op Facebook plaatsen dat ik schreef in 2008 en dat ik nog weleens herlees.
Voor de rest apprecieer ik het werk van Leonard Nolens, Andy Fierens en de veelzijdige underground-poëet Geert Simonis.”
Welk boek hebt u het vaakst cadeau gedaan?
“Ik kan me niet herinneren dat ik een bepaald boek meer dan één keer cadeau heb gedaan. Het mooiste boek dat ik iemand cadeau heb gedaan, vind ik ‘In mijn ogen’ van Bastien Vivès.”
“Ik kan me niet herinneren dat ik een bepaald boek meer dan één keer cadeau heb gedaan. Het mooiste boek dat ik iemand cadeau heb gedaan, vind ik ‘In mijn ogen’ van Bastien Vivès.”
Wat is volgens u het ideale vakantieboek?
“Het volledige oeuvre van Houellebecq er doorjagen tijdens de vakantie, zodat u op uw werk weer kan meespreken over de stand van zaken in de wereld.”
“Het volledige oeuvre van Houellebecq er doorjagen tijdens de vakantie, zodat u op uw werk weer kan meespreken over de stand van zaken in de wereld.”
Hebt u een favoriete thriller?
“Is ‘Misdaad en straf’ van Dostojevski een thriller? Indien ja: dat boek.”
“Is ‘Misdaad en straf’ van Dostojevski een thriller? Indien ja: dat boek.”
Welk non-fictieboek zou iedereen gelezen moeten hebben?
“Ik denk aan ‘The Clash of Civilizations’ van Samuel Huntington. Moet ik alleszins dringend herlezen.”
“Ik denk aan ‘The Clash of Civilizations’ van Samuel Huntington. Moet ik alleszins dringend herlezen.”
Welk kunst- of kijkboek kampeert er op uw koffietafel?
“‘Lastnightsparty’ van Merlin Bronques.”
“‘Lastnightsparty’ van Merlin Bronques.”
Wat is het laatste boek dat u tranen van ontroering heeft bezorgd?
“‘De zang van de walvissen’ van Edmond Baudoin vond ik ontroerend, maar ik heb er nu ook weer geen tranen om gelaten.”
“‘De zang van de walvissen’ van Edmond Baudoin vond ik ontroerend, maar ik heb er nu ook weer geen tranen om gelaten.”
Wat is het laatste boek dat u tranen van het lachen bezorgd heeft?
“‘Superleuk maar voortaan zonder mij’ van David Foster Wallace. Ook hier geen tranen.”
“‘Superleuk maar voortaan zonder mij’ van David Foster Wallace. Ook hier geen tranen.”
Welk boek zou u meteen (her)lezen als u een week leestijd cadeau krijgt?
“Ik sta te popelen om ‘Platform’ van Houellebecq te herlezen.”
“Ik sta te popelen om ‘Platform’ van Houellebecq te herlezen.”
Van welk boek vindt u de film beter?
“‘We Need To Talk About Kevin’. De film is véél beter.”
“‘We Need To Talk About Kevin’. De film is véél beter.”
Welk boek of oeuvre vindt u zwaar overschat?
“Mogelijk komt Dimitri Verhulst meer in de media dan hij op basis van de kwaliteit van zijn boeken verdient.”
“Mogelijk komt Dimitri Verhulst meer in de media dan hij op basis van de kwaliteit van zijn boeken verdient.”
Welk boek of oeuvre vindt u zwaar onderschat?
“Het oeuvre van Michel Houellebecq + het werk van Gummbah. Maar voor beide geldt: ‘het moet uw ding zijn’.”
“Het oeuvre van Michel Houellebecq + het werk van Gummbah. Maar voor beide geldt: ‘het moet uw ding zijn’.”
Wie verdient volgens u de volgende Nobelprijs Literatuur?
“Michel Houellebecq.”
“Michel Houellebecq.”
Welk romaneinde had u liever anders gehad?
“‘De witte’ van Ernest Claes. Ik was totaal onthutst over de belachelijkheid van het einde van dat overigens voor de rest heel leuke boek.”
“‘De witte’ van Ernest Claes. Ik was totaal onthutst over de belachelijkheid van het einde van dat overigens voor de rest heel leuke boek.”
zaterdag 26 december 2015
Leeslijst 2015
* = extra van genoten
** = extra-extra van genoten
*** = omvergeblazen, meegesleept, overrompeld - een wekenlange trip die ik nooit zal vergeten
** = extra-extra van genoten
*** = omvergeblazen, meegesleept, overrompeld - een wekenlange trip die ik nooit zal vergeten
- Thomas Blondeau: ‘Het West-Vlaams versierhandboek’
- Fleur Boose: ‘De les’
- Carrie Borzillo: ‘Nirvana: In the words of the people who were there’ - **
- Ernest Claes: ‘De Witte’
- Paulien Cornelisse: ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’
- Joost De Vries: ‘Vechtmemoires’
- Fjodor Dostojevski: ’De gebroeders Karamazov’ - ***
- Dave Eggers: ‘De cirkel’ - **
- Mark Greif e.a.: ‘What was the Hipster’
- Arnon Grunberg: ‘Blauwe maandagen’
- Martin de Haan: ‘Aan de rand van de wereld: Michel Houellebecq’
- Thomas Heerma Van Voss: ‘De allestafel’
- Thomas Heerma Van Voss: ‘Stern’
- Ernest Hemingway: ‘De oude man en de zee’
- Michel Houellebecq: ‘De wereld als markt en strijd’
- Michel Houellebecq: ‘Mogelijkheid van een eiland’ - *
- Michel Houellebecq: ‘Onderworpen’ - *
- Herman Koch: ‘Denken aan Bruce Kennedy’
- Tom Lanoye: ‘Het goddelijke monster’
- Tom Lanoye: ‘Zwarte tranen’
- Tom Lanoye: ‘Boze tongen’
- Harry Mulisch: ‘De ontdekking van de hemel’ - *
- Yves Petry: ‘Liefde bij wijze van spreken’
- Antoine de Saint-Exupéry: ‘Le petit prince’
- Lionel Shriver: ‘We moeten het even over Kevin hebben’
- Serge Simonart: ‘Een medaille van vlees en bloed’
- Roderik Six: ‘Vloed’ - *
- Peter Terrin: ‘De bewaker’
- Peter Terrin: ‘Post mortem’
- Rik Van Cauwelaert: ‘Ils nous ont pris la Flandre’
- Joost Vandecasteele: ‘Massa’
- Joost Vandecasteele: ‘Vel’
- Christophe Vekeman: ‘Marie’
- Peter Verhelst: ‘De allerlaatste caracara ter wereld’
- Peter Verhelst: ‘Geschiedenis van een berg’ - *
- Jan Wolkers: ‘Turks fruit’
- Virginia Woolf: ‘Mrs. Dalloway’
GRAFISCHE NOVELLES E.A.
- Edmond Baudoin: ‘De zang van de walvissen’ - *
- Sanne Bijnens: ‘Babyblues’
- ‘Bruss. Brussels In Shorts 2’ (verschillende auteurs)
- Charles Burnes: ‘Big Baby’
- Ross Canpbell: ‘Wet Moon IV’
- Stephen Collins: ‘The Gigantic Beard That Was Evil’
- Yannick Dangre: ‘Met terugwerkende kracht’ (dichtbundel)
- Maarten De Saeger: ‘Mijn begrafenis’
- Jacques Ferrandez: ‘L’étranger’ - *
- Andy Fierens: ‘Wonderbra’s en pepperspray’ (dichtbundel)
- Ben Gijsemans: ‘Hubert’
- Inne Haine: ‘Het mirakel van Vierves’
- Jim: ‘Een nacht in Rome I en II’
- Lorenzo Mattotti: ‘De man aan het raam’ - **
- Michel Onfray & Maximilien Le Roy: ‘Nietzsche’
- Seth: ‘Clyde Fans’
- Maarten Vande Wiele: ‘Paris’
- Stephan Vanfleteren: ‘MMXIV’ (fotoboek) - **
- Joris Vermassen: ‘Het zotte geweld’
- Fleur Boose: ‘De les’
- Carrie Borzillo: ‘Nirvana: In the words of the people who were there’ - **
- Ernest Claes: ‘De Witte’
- Paulien Cornelisse: ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’
- Joost De Vries: ‘Vechtmemoires’
- Fjodor Dostojevski: ’De gebroeders Karamazov’ - ***
- Dave Eggers: ‘De cirkel’ - **
- Mark Greif e.a.: ‘What was the Hipster’
- Arnon Grunberg: ‘Blauwe maandagen’
- Martin de Haan: ‘Aan de rand van de wereld: Michel Houellebecq’
- Thomas Heerma Van Voss: ‘De allestafel’
- Thomas Heerma Van Voss: ‘Stern’
- Ernest Hemingway: ‘De oude man en de zee’
- Michel Houellebecq: ‘De wereld als markt en strijd’
- Michel Houellebecq: ‘Mogelijkheid van een eiland’ - *
- Michel Houellebecq: ‘Onderworpen’ - *
- Herman Koch: ‘Denken aan Bruce Kennedy’
- Tom Lanoye: ‘Het goddelijke monster’
- Tom Lanoye: ‘Zwarte tranen’
- Tom Lanoye: ‘Boze tongen’
- Harry Mulisch: ‘De ontdekking van de hemel’ - *
- Yves Petry: ‘Liefde bij wijze van spreken’
- Antoine de Saint-Exupéry: ‘Le petit prince’
- Lionel Shriver: ‘We moeten het even over Kevin hebben’
- Serge Simonart: ‘Een medaille van vlees en bloed’
- Roderik Six: ‘Vloed’ - *
- Peter Terrin: ‘De bewaker’
- Peter Terrin: ‘Post mortem’
- Rik Van Cauwelaert: ‘Ils nous ont pris la Flandre’
- Joost Vandecasteele: ‘Massa’
- Joost Vandecasteele: ‘Vel’
- Christophe Vekeman: ‘Marie’
- Peter Verhelst: ‘De allerlaatste caracara ter wereld’
- Peter Verhelst: ‘Geschiedenis van een berg’ - *
- Jan Wolkers: ‘Turks fruit’
- Virginia Woolf: ‘Mrs. Dalloway’
GRAFISCHE NOVELLES E.A.
- Edmond Baudoin: ‘De zang van de walvissen’ - *
- Sanne Bijnens: ‘Babyblues’
- ‘Bruss. Brussels In Shorts 2’ (verschillende auteurs)
- Charles Burnes: ‘Big Baby’
- Ross Canpbell: ‘Wet Moon IV’
- Stephen Collins: ‘The Gigantic Beard That Was Evil’
- Yannick Dangre: ‘Met terugwerkende kracht’ (dichtbundel)
- Maarten De Saeger: ‘Mijn begrafenis’
- Jacques Ferrandez: ‘L’étranger’ - *
- Andy Fierens: ‘Wonderbra’s en pepperspray’ (dichtbundel)
- Ben Gijsemans: ‘Hubert’
- Inne Haine: ‘Het mirakel van Vierves’
- Jim: ‘Een nacht in Rome I en II’
- Lorenzo Mattotti: ‘De man aan het raam’ - **
- Michel Onfray & Maximilien Le Roy: ‘Nietzsche’
- Seth: ‘Clyde Fans’
- Maarten Vande Wiele: ‘Paris’
- Stephan Vanfleteren: ‘MMXIV’ (fotoboek) - **
- Joris Vermassen: ‘Het zotte geweld’
dinsdag 23 december 2014
Leeslijst 2014
LEESLIJST 2014
- André Aciman: 'Noem me bij jouw naam'
- Paul Auster: 'Brooklyn dwaasheid'
- Serge Baeken: 'Sugar - leven als kat' (strip)...
- Julian Barnes: 'Alsof het voorbij is'
- Edmond Baudoin: 'De zang van de walvissen' (strip)
- 'Bruss. Brussels in shorts' (strip - verschillende auteurs)
- Herman Brusselmans: 'De man die werk vond'
- Charles Burns: 'X' en 'De korf' (strips)
- Peter Buwalda: 'Bonita Avenue'
- Ross Campbell: 'Natte maan', delen 1 - 2 en 3 (strip)
- Bavo Claes: 'Kraai'
- Conz: 'De tweede kus' (strip)
- Saskia De Coster: 'Vrije val'
- Yannick Dangre: 'Meisje dat ik nog moet' (dichtbundel)
- Y.M. Dangre: 'Vulkaanvrucht'
- Denis Demonpion: Michel Houellebecq: de ongeautoriseerde biografie'
- Fjodor Dostojevski: 'Misdaad en straf'
- Bret Easton Ellis: 'American Psycho'
- Willem Elsschot: 'Lijmen/Het been'
- Brecht Evens: 'Ergens waar je niet wil zijn' (strip)
- Brecht Evens: 'De liefhebbers' (strip)
- Mark Oliver Everett: 'Things The Grandchildren Should Know'
- Andy Fierens: 'Grote smerige vlinder' (dichtbundel)
- Gummbah: 'De avonturen van Wim Kut' (strip)
- W. F. Hermans: 'Nooit meer slapen'
- Michel Houellebecq: 'De wereld als markt en strijd'
- Michel Houellebecq: 'De koude revolutie'
- Michel Houellebecq: 'De kaart en het gebied'
- Pia de Jong: 'Lange dagen'
- Kamagurka & Herr Seele: 'Dikke Billie Walter' (strip)
- Tom Lanoye: 'Alles moet weg'
- Tom Lanoye: 'Kartonnen dozen'
- Harper Lee: 'To Kill A Mockingbird'
- Marc Legendre & Kristof Spaey: 'Misschien, 'Nooit' en 'Ooit' (strips)
- Marc Legendre: 'Verder' (strip)
- Marc Legendre & René Broens: 'Reynaert de vos' (strip)
- Geert Mak: 'Reizen zonder John'
- G. G. Marquez: 'Liefde in tijden van cholera'
- Erwin Mortier: 'Marcel'
- Vladimir Nabokov: 'Lolita'
- Jamal Ouariachi: 'Vertedering'
- Marnix Peeters: 'Natte dozen'
- W.G. Sebald: 'Austerlitz'
- Seth: 'Het leven is een geschenk, maar je krijgt het niet cadeau' (strip)
- Graeme Simsion: 'Het Rosie-project'
- Zadie Smith: 'Over schoonheid'
- Jiro Taniguchi: 'De tedere jaren' (strip)
- Jiro Taniguchi: 'Het dagboek van mijn vader' (strip)
- A. F. Th. Van der Heijden: 'De Movo-tapes'
- David Van Reybrouck: 'Pleidooi voor populisme'
- Annelies Verbeke: 'Slaap!'
- Annelies Verbeke: 'Reus'
- Timur Vermes: 'Daar is hij weer'
- Erik Vlaminck: 'Brandlucht'
- Kurt Vonnegut: 'Slachthuis vijf'
- Joost De Vries: 'De republiek'
- Robert Vuijsje: 'Alleen maar nette mensen'
- John Williams: 'Stoner'
- Walter Zinzen: 'Mens erger je!' (pamflet)
- alle albums van Kuifje
- André Aciman: 'Noem me bij jouw naam'
- Paul Auster: 'Brooklyn dwaasheid'
- Serge Baeken: 'Sugar - leven als kat' (strip)...
- Julian Barnes: 'Alsof het voorbij is'
- Edmond Baudoin: 'De zang van de walvissen' (strip)
- 'Bruss. Brussels in shorts' (strip - verschillende auteurs)
- Herman Brusselmans: 'De man die werk vond'
- Charles Burns: 'X' en 'De korf' (strips)
- Peter Buwalda: 'Bonita Avenue'
- Ross Campbell: 'Natte maan', delen 1 - 2 en 3 (strip)
- Bavo Claes: 'Kraai'
- Conz: 'De tweede kus' (strip)
- Saskia De Coster: 'Vrije val'
- Yannick Dangre: 'Meisje dat ik nog moet' (dichtbundel)
- Y.M. Dangre: 'Vulkaanvrucht'
- Denis Demonpion: Michel Houellebecq: de ongeautoriseerde biografie'
- Fjodor Dostojevski: 'Misdaad en straf'
- Bret Easton Ellis: 'American Psycho'
- Willem Elsschot: 'Lijmen/Het been'
- Brecht Evens: 'Ergens waar je niet wil zijn' (strip)
- Brecht Evens: 'De liefhebbers' (strip)
- Mark Oliver Everett: 'Things The Grandchildren Should Know'
- Andy Fierens: 'Grote smerige vlinder' (dichtbundel)
- Gummbah: 'De avonturen van Wim Kut' (strip)
- W. F. Hermans: 'Nooit meer slapen'
- Michel Houellebecq: 'De wereld als markt en strijd'
- Michel Houellebecq: 'De koude revolutie'
- Michel Houellebecq: 'De kaart en het gebied'
- Pia de Jong: 'Lange dagen'
- Kamagurka & Herr Seele: 'Dikke Billie Walter' (strip)
- Tom Lanoye: 'Alles moet weg'
- Tom Lanoye: 'Kartonnen dozen'
- Harper Lee: 'To Kill A Mockingbird'
- Marc Legendre & Kristof Spaey: 'Misschien, 'Nooit' en 'Ooit' (strips)
- Marc Legendre: 'Verder' (strip)
- Marc Legendre & René Broens: 'Reynaert de vos' (strip)
- Geert Mak: 'Reizen zonder John'
- G. G. Marquez: 'Liefde in tijden van cholera'
- Erwin Mortier: 'Marcel'
- Vladimir Nabokov: 'Lolita'
- Jamal Ouariachi: 'Vertedering'
- Marnix Peeters: 'Natte dozen'
- W.G. Sebald: 'Austerlitz'
- Seth: 'Het leven is een geschenk, maar je krijgt het niet cadeau' (strip)
- Graeme Simsion: 'Het Rosie-project'
- Zadie Smith: 'Over schoonheid'
- Jiro Taniguchi: 'De tedere jaren' (strip)
- Jiro Taniguchi: 'Het dagboek van mijn vader' (strip)
- A. F. Th. Van der Heijden: 'De Movo-tapes'
- David Van Reybrouck: 'Pleidooi voor populisme'
- Annelies Verbeke: 'Slaap!'
- Annelies Verbeke: 'Reus'
- Timur Vermes: 'Daar is hij weer'
- Erik Vlaminck: 'Brandlucht'
- Kurt Vonnegut: 'Slachthuis vijf'
- Joost De Vries: 'De republiek'
- Robert Vuijsje: 'Alleen maar nette mensen'
- John Williams: 'Stoner'
- Walter Zinzen: 'Mens erger je!' (pamflet)
- alle albums van Kuifje
dinsdag 31 december 2013
10 boeken
Rules: In your status line, list 10 books that moved you. Don't take more than a few minutes; don't think too hard. The books that really touched you, not necessarily masterpies or ‘classic works’. Tag 10 friends, including me, so I'll see your list
Michel Houellebecq : 'Elementaire deeltjes'
Jirô Taniguchi: 'Een stralende hemel'
Joost Vandecasteele: 'Massa'
Stefan Vanfleteren: 'Belgicum'
Fjodor Dostojevski: 'Schuld en boete'
Gummbah: 'Op de camping'
Gabriel Garcia Marquez: 'Liefde in tijden van cholera'
Primo Levi: 'Is dit een mens'
Bastien Vivès: 'In mijn ogen'
Pascal Verbeken: 'Arm Wallonië'
Michel Houellebecq : 'Elementaire deeltjes'
Jirô Taniguchi: 'Een stralende hemel'
Joost Vandecasteele: 'Massa'
Stefan Vanfleteren: 'Belgicum'
Fjodor Dostojevski: 'Schuld en boete'
Gummbah: 'Op de camping'
Gabriel Garcia Marquez: 'Liefde in tijden van cholera'
Primo Levi: 'Is dit een mens'
Bastien Vivès: 'In mijn ogen'
Pascal Verbeken: 'Arm Wallonië'
vrijdag 4 november 2011
Dan liever zinnig zeilen
Ben ik blij dat ik nooit meer een boek van Herman Brusselmans moet lezen. Niet dat ik verplicht was om 'Het zinneloze zeilen' te lezen, maar ik deed het wel, en ferm tegen mijn goesting, al van bij de eerste bladzijden. Ik vroeg me dan ook af of ik niet beter kon stoppen, maar stoppen is niet van mijn gewoonte en dus las ik door. Het is tenslotte een vrij dun boek dat vlot leest. In 'De goede moordenaar' van Jef Geeraerts ben ik enkele weken geleden wél gestopt. Omdat ik het gehad had. Het werd wel heel eentonig en de letters stonden te dicht op elkaar. Eén blad lezen duurde een minuut of drie - te veel naar mijn goesting op den duur.
Nu is 'Het zinneloze zeilen' uit en het enige dat ik er interessant aan vind is dat Brusselmans even oud was als ik nu, toen hij al die zinneloze zeik schreef. Wat een rare jongen moet hij toen al geweest zijn. En maar paffen, waarschijnlijk, en zijn haar maar laten groeien. En eigenlijk ook wel interessant is dat hij zichzelf als schrijver in zijn verhalen betrekt. Zo schrijft hij over de non-belevenissen van zijn personages en stelt zich dan bijvoorbeeld de vraag waarom hij die dingen eigenlijk opschrijft. Dat vind ik interessant want ik doe dat ook weleens. Vooral in mijn eerder 'labiele' stukjes, als ik dat tenminste aan u zou willen verklappen. Dat ik ook weleens doe wat Brusselmans doet. Of liever: dat ik ook weleens labiel ben.
Maar goed, nu lees ik dus nooit meer Brusselmans, nu heb ik het gehad. Ik schreef onlangs dat ik benieuwd was naar 'Het zinnneloze zeilen' omdat dat zijn debuutroman is, waarvan ik had gehoord dat die nog leuk was, nog authentiek, maar waarover Geert Simonis in een reactie zei dat het niet zijn debuutroman was als wel een verhalenbundel. Wat er ook van zij: 'Het zinneloze zeilen' was misschien wel een klein beetje leuk, maar zeker niet om het mensen aan te raden of om er schuddebuikend om te moeten lachen, zoals een recensent van 'Het vrije volk' op de achterflap beweert te hebben gedaan.
Nee, voor de derde keer, nu lees ik echt nooit meer Brusselmans. Of het zou zijn dit jaar verschenen roman 'Van 3 tot 6' moeten zijn. (Ik kon niet op de titel komen en gaf op Google 'Brusselmans blue' in, omdat het hoofdpersonage in 'Van 3 tot 6' Blue heet, wat ik me nog wel herinnerde.) Omdat ik daarover gehoord heb dat het nog eens een goeie Brusselmans is, zoals er al in jaren geen goeie Brusselmans meer verschenen schijnt te zijn. 'Van 3 tot 6' zou, uiteraard omfloerst, over de breuk met zijn vriendin, Tania Demetsenaere, gaan - waardoor Blue geïnspireerd is - en dat wekt vanzelfsprekend de curiositeit, want zoals Brusselmans veel in de media geweest is om over die breuk te vertellen, ja, dat kon tellen.
Maar liever zou ik ook 'Van 3 tot 6' helemaal niet lezen. Want als ik al iets zal onthouden uit de lectuuur van 'Het zinneloze zeilen' is het wel dat er duizend andere schrijvers zijn die interessantere, 'zinnigere', verhalen vertellen. Brusselmans is tijdverlies, zo cru is het wel. Hij serveert de snelle opwarmmaaltijd die je eenzaam en alleen in je kamertje opeet, in plaats van de zelfgemaakte taart op het gezellige verjaardagsfeestje, die G.G. Marquez gebakken heeft, omzeggens.
Ja, ik schrijf soms ook maar wat.
Nu is 'Het zinneloze zeilen' uit en het enige dat ik er interessant aan vind is dat Brusselmans even oud was als ik nu, toen hij al die zinneloze zeik schreef. Wat een rare jongen moet hij toen al geweest zijn. En maar paffen, waarschijnlijk, en zijn haar maar laten groeien. En eigenlijk ook wel interessant is dat hij zichzelf als schrijver in zijn verhalen betrekt. Zo schrijft hij over de non-belevenissen van zijn personages en stelt zich dan bijvoorbeeld de vraag waarom hij die dingen eigenlijk opschrijft. Dat vind ik interessant want ik doe dat ook weleens. Vooral in mijn eerder 'labiele' stukjes, als ik dat tenminste aan u zou willen verklappen. Dat ik ook weleens doe wat Brusselmans doet. Of liever: dat ik ook weleens labiel ben.
Maar goed, nu lees ik dus nooit meer Brusselmans, nu heb ik het gehad. Ik schreef onlangs dat ik benieuwd was naar 'Het zinnneloze zeilen' omdat dat zijn debuutroman is, waarvan ik had gehoord dat die nog leuk was, nog authentiek, maar waarover Geert Simonis in een reactie zei dat het niet zijn debuutroman was als wel een verhalenbundel. Wat er ook van zij: 'Het zinneloze zeilen' was misschien wel een klein beetje leuk, maar zeker niet om het mensen aan te raden of om er schuddebuikend om te moeten lachen, zoals een recensent van 'Het vrije volk' op de achterflap beweert te hebben gedaan.
Nee, voor de derde keer, nu lees ik echt nooit meer Brusselmans. Of het zou zijn dit jaar verschenen roman 'Van 3 tot 6' moeten zijn. (Ik kon niet op de titel komen en gaf op Google 'Brusselmans blue' in, omdat het hoofdpersonage in 'Van 3 tot 6' Blue heet, wat ik me nog wel herinnerde.) Omdat ik daarover gehoord heb dat het nog eens een goeie Brusselmans is, zoals er al in jaren geen goeie Brusselmans meer verschenen schijnt te zijn. 'Van 3 tot 6' zou, uiteraard omfloerst, over de breuk met zijn vriendin, Tania Demetsenaere, gaan - waardoor Blue geïnspireerd is - en dat wekt vanzelfsprekend de curiositeit, want zoals Brusselmans veel in de media geweest is om over die breuk te vertellen, ja, dat kon tellen.
Maar liever zou ik ook 'Van 3 tot 6' helemaal niet lezen. Want als ik al iets zal onthouden uit de lectuuur van 'Het zinneloze zeilen' is het wel dat er duizend andere schrijvers zijn die interessantere, 'zinnigere', verhalen vertellen. Brusselmans is tijdverlies, zo cru is het wel. Hij serveert de snelle opwarmmaaltijd die je eenzaam en alleen in je kamertje opeet, in plaats van de zelfgemaakte taart op het gezellige verjaardagsfeestje, die G.G. Marquez gebakken heeft, omzeggens.
Ja, ik schrijf soms ook maar wat.
vrijdag 7 oktober 2011
Voze Jef
Schrijft die voze Jef Geeraerts op bladzijde 132 van zijn 'Black venus' nu dat hij seks heeft met de zus van een meisje van tien, terwijl dat meisje van tien erop staat te kijken? Wat een walgelijke vetzak. Dat hele 'Black venus' is trouwens een walgelijk boek. Wat een vieze vent, wat een macho. Hij schrijft zonder punten en hoofdletters omdat hij daar tussen al zijn gretig beschreven neukverhalen gewoon geen tijd voor heeft. Broek uit, beha uit, de een na de ander, zeker twintig ondertussen, van twintig verschillende 'wijfjes', zoals hij dat noemt. Hij praat over negers als over dieren. Hij praat dus over 'negers', maar in de context neem ik daar, toegegeven, geen aanstoot aan.
En ondermeer daarin - in die 'neger' - zit 'm een andere mogelijke interpretatie van dit boek en alle viezigheid die erin beschreven staat: Geeraerts is wel doodeerlijk. Hij zal zo eerlijk en expliciet geweest zijn om het politiek correcte establishment, de zelfgenoegzame post-kolonialen van 1967, de stuipen op het lijf te jagen en met een andere versie van de waarheid te confronteren. En dat is hem ook gelukt, want op de achterflap van deze uitgave, die ik bij de Humo kocht, staat geschreven hoe het boek 'verguisd' werd en hoe er zelfs 'interpellaties in Kamer en Senaat' aan te pas kwamen. Een beter argument voor het bestaansrecht van een boek bestaat wellicht niet.
Dus Geeraerts zit in Congo en is geen-idee-wat-precies. Hij lost bepaald weinig over zijn takenpakket. Hij schiet op olifanten en buffels en zit constant in kleine dorpen bij plaatselijke stammen die hij kennelijk de beschaving moest zien bij te brengen. In 1955 en de daaropvolgende jaren, that is. Hij beschrijft occasioneel ook administratief werk en wordt door de negers wel eens aangesproken als inspecteur.
Maar zijn hoofdbezigheid is neuken en alles wat past in de concentrische cirkels daarrond. 'Wijfjes' uitkleden, als ze al niet naakt zijn, geilen op de pronte borstjes van vijftienjarigen, de juiste welvingen van de slavinnen. Soms roept hij God erbij in zijn woordenstroom zonder punten en vraagt hij zich luidop af waarom Hij deze 'wezentjes' geschapen heeft, deze wezentjes waaraan het libido van de man toch onmogelijk kan weerstaan. Het libido van een losgeslagen koloniaal, moet ik daar dan wel bij denken, want dit is zeker niet waar de gemiddelde vent zich aan tegoed zou doen.
Op zijn best zou ik Geerarts' kloten er willen afsnijden. Want mensen, die voze bewoordingen en hoe hij hiërarchische patronen beschrijft. Hij maakt een slaaf wakker die hem dan 'als de wind' een spiegelei moet bakken. Hij roept een stamhoofd bij zich en verzoekt hem een wijfje te sturen om de avond, en meteen ook de nacht, mee door te brengen. Hij heeft meer orgasmes dan hij doucht. Hij neukt vaker dan hij pist.
Geen twijfel mogelijk dus dat dit verhaal doorspekt is met bewust provocerende symboliek. Ik kan me immers niet voorstellen dat een man een boek uitgeeft waarin hij ook zijn vrouw en twee kinderen - gedrieën in 'de Congo' aanwezig, weze het niet op de missiepost van man- en vaderlief - zo harteloos in hun hemd zet. Hij neukt in het rond dat het knalt en ondertussen geeft hij zijn gezin - die kille westerlingen, waar hij back home desalniettemin een intieme band mee heeft opgebouwd - al eens een tik. Want ja, soms ontsteekt Jef in een woede die hem tot een moord zou kunnen inspireren. Niet zelden zijn deze passages intriest en pathetisch. Wat een zielige vent, is dan de enige conclusie. En: waar waren zijn oversten, de mensen die hem daar weg hadden moeten halen en hem op de boot naar België hadden moeten zetten, de enige relevante vragen. Waar zaten de Belgen meer in het algemeen met hun gedachten daar in 'de Congo'?
Wellicht is dat een belangrijk thema in dit boek. Een onomfloerste aanklacht tegen een uit de hand gelopen systeem. En Geeraerts geeft zichzelf bloot, wat pleit voor hem, want ik kan zo meteen geen schrijver bedenken die minder als schietschijf zou kunnen dienen. Maar zie: decennia later lijkt hij ermee weggekomen te zijn.
En nu dus snel zijn kutboek uitlezen. De meet ligt nog 74 bladzijden ver, maar stoppen zal ik nu niet meer. En daarna begin ik vanzelfsprekend aan 'De goede moordenaar', het tweede deel in zijn Gangreenreeks. Omdat ik het met mijn eigen ogen wil gelezen hebben, al die troep. Toch hoop ik dat het echt niet op deze gore manier blijft voortdenderen. Want een man met zò'n pik heeft kennelijk geen besef van eentonigheid.
En ondermeer daarin - in die 'neger' - zit 'm een andere mogelijke interpretatie van dit boek en alle viezigheid die erin beschreven staat: Geeraerts is wel doodeerlijk. Hij zal zo eerlijk en expliciet geweest zijn om het politiek correcte establishment, de zelfgenoegzame post-kolonialen van 1967, de stuipen op het lijf te jagen en met een andere versie van de waarheid te confronteren. En dat is hem ook gelukt, want op de achterflap van deze uitgave, die ik bij de Humo kocht, staat geschreven hoe het boek 'verguisd' werd en hoe er zelfs 'interpellaties in Kamer en Senaat' aan te pas kwamen. Een beter argument voor het bestaansrecht van een boek bestaat wellicht niet.
Dus Geeraerts zit in Congo en is geen-idee-wat-precies. Hij lost bepaald weinig over zijn takenpakket. Hij schiet op olifanten en buffels en zit constant in kleine dorpen bij plaatselijke stammen die hij kennelijk de beschaving moest zien bij te brengen. In 1955 en de daaropvolgende jaren, that is. Hij beschrijft occasioneel ook administratief werk en wordt door de negers wel eens aangesproken als inspecteur.
Maar zijn hoofdbezigheid is neuken en alles wat past in de concentrische cirkels daarrond. 'Wijfjes' uitkleden, als ze al niet naakt zijn, geilen op de pronte borstjes van vijftienjarigen, de juiste welvingen van de slavinnen. Soms roept hij God erbij in zijn woordenstroom zonder punten en vraagt hij zich luidop af waarom Hij deze 'wezentjes' geschapen heeft, deze wezentjes waaraan het libido van de man toch onmogelijk kan weerstaan. Het libido van een losgeslagen koloniaal, moet ik daar dan wel bij denken, want dit is zeker niet waar de gemiddelde vent zich aan tegoed zou doen.
Op zijn best zou ik Geerarts' kloten er willen afsnijden. Want mensen, die voze bewoordingen en hoe hij hiërarchische patronen beschrijft. Hij maakt een slaaf wakker die hem dan 'als de wind' een spiegelei moet bakken. Hij roept een stamhoofd bij zich en verzoekt hem een wijfje te sturen om de avond, en meteen ook de nacht, mee door te brengen. Hij heeft meer orgasmes dan hij doucht. Hij neukt vaker dan hij pist.
Geen twijfel mogelijk dus dat dit verhaal doorspekt is met bewust provocerende symboliek. Ik kan me immers niet voorstellen dat een man een boek uitgeeft waarin hij ook zijn vrouw en twee kinderen - gedrieën in 'de Congo' aanwezig, weze het niet op de missiepost van man- en vaderlief - zo harteloos in hun hemd zet. Hij neukt in het rond dat het knalt en ondertussen geeft hij zijn gezin - die kille westerlingen, waar hij back home desalniettemin een intieme band mee heeft opgebouwd - al eens een tik. Want ja, soms ontsteekt Jef in een woede die hem tot een moord zou kunnen inspireren. Niet zelden zijn deze passages intriest en pathetisch. Wat een zielige vent, is dan de enige conclusie. En: waar waren zijn oversten, de mensen die hem daar weg hadden moeten halen en hem op de boot naar België hadden moeten zetten, de enige relevante vragen. Waar zaten de Belgen meer in het algemeen met hun gedachten daar in 'de Congo'?
Wellicht is dat een belangrijk thema in dit boek. Een onomfloerste aanklacht tegen een uit de hand gelopen systeem. En Geeraerts geeft zichzelf bloot, wat pleit voor hem, want ik kan zo meteen geen schrijver bedenken die minder als schietschijf zou kunnen dienen. Maar zie: decennia later lijkt hij ermee weggekomen te zijn.
En nu dus snel zijn kutboek uitlezen. De meet ligt nog 74 bladzijden ver, maar stoppen zal ik nu niet meer. En daarna begin ik vanzelfsprekend aan 'De goede moordenaar', het tweede deel in zijn Gangreenreeks. Omdat ik het met mijn eigen ogen wil gelezen hebben, al die troep. Toch hoop ik dat het echt niet op deze gore manier blijft voortdenderen. Want een man met zò'n pik heeft kennelijk geen besef van eentonigheid.
zondag 5 juni 2011
Borgerhout
Er is een plein met hier en daar een steen die halflos zit. Zo'n steen waar een kind op wil balanceren omdat dat spannend is, omdat dat afwijkt van het normale, wat hij later misschien het saaie zal noemen. En een plas omdat er een verzakking is die nooit zal worden opgevuld en iedereen die dat weet. Een plas omdat het er altijd regent, in de eerste plaats dan in de hoofden van de mensen. Het is gewoon weer zo'n plaats die had kunnen zijn maar nooit is geworden. Een plaats waar had kunnen komen maar nooit is geweest. Een trekpleister die afstootte, vanaf het begin. Misschien ook omdat 'zij' er meteen rondliepen, in de hoofden: beslag op legden.
Het basketbalveldje als een oorlogszone, een plaats om agressie te katalyseren. Geen vierkante meter waar plezier werd gemaakt, toch niet in de hoofden. Alleen dealers en lawaai. Agressie en onaangepast gedrag. Een versleten net, een afgesleten plank, een onbeduidende wit gekalkte lijn. Teloorgang en verlatenheid. Afval en afstoot. Een stort. Miezer.
Constructies met daken die huizen worden genoemd bij gebrek aan een beter woord. Mensen die uitsluitend in plat dialect kunnen kankeren dat de tijd had moeten blijven stilstaan in de jaren zeventig. Pas daarna zijn die plassen gekomen. Niemand die beducht was voor een stijgende zuurtegraad. Niemand die dat begrip überhaupt zou hebben kunnen plaatsen. Een toestand van zijn die nooit eerder had bestaan, ontsproten aan het postmodernisme zonder dat ze daar de vinger op konden leggen.
Een wegrottende container met een stroeve hendel die toedraagt aan het malcontentement. Om afgedankte kleren in te gooien. Afgedankte kleren die voor en naast die container belanden. Die nat worden. Vodden. Waar honden op pissen. En niemand die ze weghaalt. Net als die marsverpakking, dat lege colablikje, die wegwaaiende zak die altijd wegdrijft op de wind die alleen hier zo koud is, die hier altijd tegenwind is en de straten bar maakt, de mensen binnenhoudt. Kankerend en leeglopend.
Want de mensen, de mensen, de mensen zijn kapot vanbinnen. Hun stappen is slepen en praten is zagen. Omgevingsfactoren hebben hen pijn gedaan, ziek gemaakt en werkonbekwaam, chronisch. Tot ze afglijden en er vanaf zijn. Terwijl ze er ooit nog zo klaar voor waren, nog stonden te joelen en te dromen van wat hier zo schril mee contrasteert.
Wie heeft er ooit beslist dat het voor hen zo zwaar moest worden? Wie is de loos achter fut komen zetten en de in voor tolerant? Wie vond het nodig om een buurt op te geven en het leven zelf nog meer in haar blootje te zetten? Wie heeft de confrontatie met het zijn nog dat ietsje pijnlijker gemaakt?
Ik heb een boek gelezen dat antwoorden probeerde te geven op die vragen. Op een bank in de stad met de zon op mijn bol en een ice tea aan mijn lippen. En dat was goed.
Het basketbalveldje als een oorlogszone, een plaats om agressie te katalyseren. Geen vierkante meter waar plezier werd gemaakt, toch niet in de hoofden. Alleen dealers en lawaai. Agressie en onaangepast gedrag. Een versleten net, een afgesleten plank, een onbeduidende wit gekalkte lijn. Teloorgang en verlatenheid. Afval en afstoot. Een stort. Miezer.
Constructies met daken die huizen worden genoemd bij gebrek aan een beter woord. Mensen die uitsluitend in plat dialect kunnen kankeren dat de tijd had moeten blijven stilstaan in de jaren zeventig. Pas daarna zijn die plassen gekomen. Niemand die beducht was voor een stijgende zuurtegraad. Niemand die dat begrip überhaupt zou hebben kunnen plaatsen. Een toestand van zijn die nooit eerder had bestaan, ontsproten aan het postmodernisme zonder dat ze daar de vinger op konden leggen.
Een wegrottende container met een stroeve hendel die toedraagt aan het malcontentement. Om afgedankte kleren in te gooien. Afgedankte kleren die voor en naast die container belanden. Die nat worden. Vodden. Waar honden op pissen. En niemand die ze weghaalt. Net als die marsverpakking, dat lege colablikje, die wegwaaiende zak die altijd wegdrijft op de wind die alleen hier zo koud is, die hier altijd tegenwind is en de straten bar maakt, de mensen binnenhoudt. Kankerend en leeglopend.
Want de mensen, de mensen, de mensen zijn kapot vanbinnen. Hun stappen is slepen en praten is zagen. Omgevingsfactoren hebben hen pijn gedaan, ziek gemaakt en werkonbekwaam, chronisch. Tot ze afglijden en er vanaf zijn. Terwijl ze er ooit nog zo klaar voor waren, nog stonden te joelen en te dromen van wat hier zo schril mee contrasteert.
Wie heeft er ooit beslist dat het voor hen zo zwaar moest worden? Wie is de loos achter fut komen zetten en de in voor tolerant? Wie vond het nodig om een buurt op te geven en het leven zelf nog meer in haar blootje te zetten? Wie heeft de confrontatie met het zijn nog dat ietsje pijnlijker gemaakt?
Ik heb een boek gelezen dat antwoorden probeerde te geven op die vragen. Op een bank in de stad met de zon op mijn bol en een ice tea aan mijn lippen. En dat was goed.
woensdag 2 maart 2011
Een kutwoord van jewelste
Talrijk opgekomen vrienden, ik wil jullie vertellen over mijn lectuur van het boekwerk 'Congo, een geschiedenis' van de lovenswaardige David Van Reybrouck. Waarom zo'n statig taalgebruik, vraagt u zich af? Wel, ik vraag het me eveneens af. Dumpen dus, die pafferigheid.
'Congo' is meermaals in de prijzen gevallen. Mijn moeder sprong al vroeg mee op de bandwagon en las de turf in één trek uit. Mijn moeder leest zo snel dat ik vermoed dat ze diagonaal leest, temeer omdat ze me achteraf nauwelijks iets meer over het boek wist te vertellen dan een flauwe synopsis. Ik moest dat boek dus zelf lezen en omdat ik tijd heb begon ik er maar meteen aan. Tien pagina's per dag, net voor het slapengaan. Tien pagina's die zo zwaar wogen als twintig in een ander, luchtiger boek. 'Congo' is een zwaar boek, vanzelfsprekend letterlijk en figuurlijk.
Het is echt zo'n boek waarin je je moet vastbijten omdat je er anders mee blijft worstelen. Details, duizenden afkortingen, wendingen,.. Ik bijt me er niet genoeg in vast, dat is zeker, want als u mij nu in detail zou ondervragen waarover ik tot nog toe gelezen heb, zal ik weliswaar voldoen maar slechts met de hakken over de sloot. Al die politieke allianties en de afkortingen van hun namen, al die mensen en hun belangrijke titels. Al die tijdskaders. Tot zover ben ik probleemloos mee - het zou maar erg zijn: Congo Vrijstaat, Belgisch Congo, de onafhankelijkheid, Kasavubu met zijn hoge stemmetje, de lompe Lumumba, the one and only Mobutu Sese Seko en nu de Kabila's, senior en junior. Dat rijtje kende ik uiteraard nog van op school, daar heb ik dat boek niet eens voor nodig.
Nu zit ik achteraan in het boek, ik ben in het laatste decennium beland. Pagina 500 om precies te zijn. De laatste dagen ben ik meer beginnen lezen.
Maar voor elke hierboven vermelde naam zijn er tien, zoniet twintig randfiguren, wat het lezen bij wijlen slopend maakt. Congo is een boom met tientallen takken. Mobutu is zo'n knoert van een tak met makkelijk meer dan twintig twijgen - da's doordacht, die alliteratie -, en met nog eens twijgjes aan al die twintig twijgen. Het overzicht is onmogelijk te bewaren, of toch voor mij. Een universitair heeft hier wellicht wel de brains voor. Het weze hem gegund.
Het is jammer dat ik zo'n slechte verteller ben en amper anekdotes onthou - ik onthou enkel grote lijnen en wazige vlekken, - anders zou ik hier in ronkende zinnen kunnen neerpennen waarom 'Congo' zo'n gruwelijk boek is. Nu kan ik u enkele onvolledige en gebrekkig geschreven anekdotes meegeven, maar ik ga het niet doen. Twee redenen: ik ga uw leesplezier niet vergallen en ik ga mezelf niet belachelijk maken. Maar het is een gruwelijk boek, dat mag u gerust weten.
Edoch, wat het rare is met gruwel: je gaat er zo makkelijk overheen. Voeten die worden afgehakt. Genoteerd. Bloederige onthoofdingen. Genoteerd. Vrouwen die in één nacht verkracht worden door tien mannen. Genoteerd. Een kleuter die met zijn hoofd tegen een muur wordt doodgeslagen. Genoteerd. Kindsoldaten. Schattig.
Ik zet mij daar (te) snel over, want ik heb dat allemaal niet zien gebeuren. Op papier maakt dat (te) weinig indruk. Mijn hersenschimmen zijn wreder dan de gruwel in dat boek. Mijn hersenschimmen beleef ik en zijn concreet. Een bloedbad in Kisangani is een drieminuten-item in het tv-journaal. In het tv-journaal van 2006 dan nog.
En voor het volgende schaam ik mij diep - in deze ben ik politiek correct, ik heb geen keuze - maar wat mij aan dat boek tot nog toe het meest bezighoudt, is één woordje dat Van Reybrouck herhaaldelijk gebruikt: 'bevroeden'. De eerste keer dat ik het las schoot het me al in het verkeerde keelgat. Misschien daarom trouwens dat ik deze tekst zo plechtstatig begon, omdat ik 'bevroeden' om een onduidelijke reden een kutwoord van jewelste vind. Een woord voor pedante intellectuelen, een woord dat je nooit in je gesproken taal geramd krijgt. "Dat had ik werkelijk nooit kunnen bevroeden." Shit, wat een kutwoord. Als ik de vorige zin uitspreek, doe ik dat op een bekakte toon. Bevroeden. Proeft u dat, de manier waarop 'bevroeden' een kutwoord van jewelste is? Proeft u dat? Ik hoop voor u van wel.
Schrijf gewoon 'vermoeden', elitaire lul. Doe normaal en gebruik woorden die uw eigendunk wat meer camoufleren.
Twee keer stootte ik ook al op het woord 'rocambolesk', maar daar neem ik op een bepaalde manier minder aanstoot aan. Wellicht omdat ik, in tegenstelling tot bevroeden, tot voor kort echt geen benul had van wat het betekende. Weet u wat het betekent? Ik hang het lekker toch niet aan uw neusje, want ook dat woord is deel van het boek dat u nog moet ontdekken. Het is een adjectief, dat kan ik wel verklappen, maar dat vermoedde u al, vermoed ik zo. Toch?
'Congo' is meermaals in de prijzen gevallen. Mijn moeder sprong al vroeg mee op de bandwagon en las de turf in één trek uit. Mijn moeder leest zo snel dat ik vermoed dat ze diagonaal leest, temeer omdat ze me achteraf nauwelijks iets meer over het boek wist te vertellen dan een flauwe synopsis. Ik moest dat boek dus zelf lezen en omdat ik tijd heb begon ik er maar meteen aan. Tien pagina's per dag, net voor het slapengaan. Tien pagina's die zo zwaar wogen als twintig in een ander, luchtiger boek. 'Congo' is een zwaar boek, vanzelfsprekend letterlijk en figuurlijk.
Het is echt zo'n boek waarin je je moet vastbijten omdat je er anders mee blijft worstelen. Details, duizenden afkortingen, wendingen,.. Ik bijt me er niet genoeg in vast, dat is zeker, want als u mij nu in detail zou ondervragen waarover ik tot nog toe gelezen heb, zal ik weliswaar voldoen maar slechts met de hakken over de sloot. Al die politieke allianties en de afkortingen van hun namen, al die mensen en hun belangrijke titels. Al die tijdskaders. Tot zover ben ik probleemloos mee - het zou maar erg zijn: Congo Vrijstaat, Belgisch Congo, de onafhankelijkheid, Kasavubu met zijn hoge stemmetje, de lompe Lumumba, the one and only Mobutu Sese Seko en nu de Kabila's, senior en junior. Dat rijtje kende ik uiteraard nog van op school, daar heb ik dat boek niet eens voor nodig.
Nu zit ik achteraan in het boek, ik ben in het laatste decennium beland. Pagina 500 om precies te zijn. De laatste dagen ben ik meer beginnen lezen.
Maar voor elke hierboven vermelde naam zijn er tien, zoniet twintig randfiguren, wat het lezen bij wijlen slopend maakt. Congo is een boom met tientallen takken. Mobutu is zo'n knoert van een tak met makkelijk meer dan twintig twijgen - da's doordacht, die alliteratie -, en met nog eens twijgjes aan al die twintig twijgen. Het overzicht is onmogelijk te bewaren, of toch voor mij. Een universitair heeft hier wellicht wel de brains voor. Het weze hem gegund.
Het is jammer dat ik zo'n slechte verteller ben en amper anekdotes onthou - ik onthou enkel grote lijnen en wazige vlekken, - anders zou ik hier in ronkende zinnen kunnen neerpennen waarom 'Congo' zo'n gruwelijk boek is. Nu kan ik u enkele onvolledige en gebrekkig geschreven anekdotes meegeven, maar ik ga het niet doen. Twee redenen: ik ga uw leesplezier niet vergallen en ik ga mezelf niet belachelijk maken. Maar het is een gruwelijk boek, dat mag u gerust weten.
Edoch, wat het rare is met gruwel: je gaat er zo makkelijk overheen. Voeten die worden afgehakt. Genoteerd. Bloederige onthoofdingen. Genoteerd. Vrouwen die in één nacht verkracht worden door tien mannen. Genoteerd. Een kleuter die met zijn hoofd tegen een muur wordt doodgeslagen. Genoteerd. Kindsoldaten. Schattig.
Ik zet mij daar (te) snel over, want ik heb dat allemaal niet zien gebeuren. Op papier maakt dat (te) weinig indruk. Mijn hersenschimmen zijn wreder dan de gruwel in dat boek. Mijn hersenschimmen beleef ik en zijn concreet. Een bloedbad in Kisangani is een drieminuten-item in het tv-journaal. In het tv-journaal van 2006 dan nog.
En voor het volgende schaam ik mij diep - in deze ben ik politiek correct, ik heb geen keuze - maar wat mij aan dat boek tot nog toe het meest bezighoudt, is één woordje dat Van Reybrouck herhaaldelijk gebruikt: 'bevroeden'. De eerste keer dat ik het las schoot het me al in het verkeerde keelgat. Misschien daarom trouwens dat ik deze tekst zo plechtstatig begon, omdat ik 'bevroeden' om een onduidelijke reden een kutwoord van jewelste vind. Een woord voor pedante intellectuelen, een woord dat je nooit in je gesproken taal geramd krijgt. "Dat had ik werkelijk nooit kunnen bevroeden." Shit, wat een kutwoord. Als ik de vorige zin uitspreek, doe ik dat op een bekakte toon. Bevroeden. Proeft u dat, de manier waarop 'bevroeden' een kutwoord van jewelste is? Proeft u dat? Ik hoop voor u van wel.
Schrijf gewoon 'vermoeden', elitaire lul. Doe normaal en gebruik woorden die uw eigendunk wat meer camoufleren.
Twee keer stootte ik ook al op het woord 'rocambolesk', maar daar neem ik op een bepaalde manier minder aanstoot aan. Wellicht omdat ik, in tegenstelling tot bevroeden, tot voor kort echt geen benul had van wat het betekende. Weet u wat het betekent? Ik hang het lekker toch niet aan uw neusje, want ook dat woord is deel van het boek dat u nog moet ontdekken. Het is een adjectief, dat kan ik wel verklappen, maar dat vermoedde u al, vermoed ik zo. Toch?
dinsdag 14 december 2010
Baudoin
Enkele tekstflarden uit 'Het model' van Edmond Baudoin.
Achterflap: "Een oude schilder vertelt over zijn leven en zijn liefdes aan het jonge model dat hij schildert."
"De meisjes weten dat ze met hun buik de wereld in stand houden. Die zekerheid maakt hen sereen. De jongens weten het ook, maar bij hen werkt het omgekeerd. Ze weten onbewust dat ze - wat ze ook doen - het leven niet kunnen voortzetten. Vandaar die onophoudelijke strijd om de verovering van het nutteloze.. Zo wordt de geschiedenis geschreven."
"Onze jaloezie zette ons ertoe aan jullie te verbranden, te verkrachten, te stenigen, open te snijden. We sloten jullie op achter muren, tralies, sluiers. We ontzegden jullie het schrift, de architectuur, de beeldhouwkunst, de schilderkunst.. De lijst is te lang.."
"Ook al weet ik dat ik er niet slecht uitzie, toch kijkt m'n vriend me aan alsof ik een bord koude pasta ben zodra hij is klaargekomen."
"Het gevoel van onbehagen was sterker geworden. Julie had haar afspraak niet afgezegd voor mij. Ze bracht liever de avond door met haar vrienden.. Verdomme!.. Verdomme! (...) Ik besloot mezelf op een biertje te trakteren. (..) Er kwam een knap meisje binnen."
"Als je van dat meisje houdt, wil je dat ze gelukkig is, zelfs zonder jou.. Zelfs met een ander. Haha! Daar sta je van te kijken, hé?! Ja, denk daar eens aan, jongeman."
"Jullie hebben tegenwoordig alles. De pil, wasmachines,.. Laat ons dan nog een beetje het recht om naar jullie te fluiten op straat."
"Zou je me trouw zijn gebleven als ik in de liefde had geloofd?"
"Leven is net als schilderen, en net als een schilderij is het leven nooit echt geslaagd. Alleen heb je voor het leven slechts beschikking over één doek."
Achterflap: "Een oude schilder vertelt over zijn leven en zijn liefdes aan het jonge model dat hij schildert."
"De meisjes weten dat ze met hun buik de wereld in stand houden. Die zekerheid maakt hen sereen. De jongens weten het ook, maar bij hen werkt het omgekeerd. Ze weten onbewust dat ze - wat ze ook doen - het leven niet kunnen voortzetten. Vandaar die onophoudelijke strijd om de verovering van het nutteloze.. Zo wordt de geschiedenis geschreven."
"Onze jaloezie zette ons ertoe aan jullie te verbranden, te verkrachten, te stenigen, open te snijden. We sloten jullie op achter muren, tralies, sluiers. We ontzegden jullie het schrift, de architectuur, de beeldhouwkunst, de schilderkunst.. De lijst is te lang.."
"Ook al weet ik dat ik er niet slecht uitzie, toch kijkt m'n vriend me aan alsof ik een bord koude pasta ben zodra hij is klaargekomen."
"Het gevoel van onbehagen was sterker geworden. Julie had haar afspraak niet afgezegd voor mij. Ze bracht liever de avond door met haar vrienden.. Verdomme!.. Verdomme! (...) Ik besloot mezelf op een biertje te trakteren. (..) Er kwam een knap meisje binnen."
"Als je van dat meisje houdt, wil je dat ze gelukkig is, zelfs zonder jou.. Zelfs met een ander. Haha! Daar sta je van te kijken, hé?! Ja, denk daar eens aan, jongeman."
"Jullie hebben tegenwoordig alles. De pil, wasmachines,.. Laat ons dan nog een beetje het recht om naar jullie te fluiten op straat."
"Zou je me trouw zijn gebleven als ik in de liefde had geloofd?"
"Leven is net als schilderen, en net als een schilderij is het leven nooit echt geslaagd. Alleen heb je voor het leven slechts beschikking over één doek."
vrijdag 10 september 2010
In de marge van een boekvoorstelling
Dingen die me zijn opgevallen tijdens de boekvoorstelling van Yves Petry's nieuwe roman, 'De maagd Marino', in boekhandel Passa Porta te Brussel:
* hoe oud Rik Torfs (°1956), die de feestrede uitsprak, er 'in het echt' uitziet.
* wat een stijlvolle, zeker niet onknappe man, Yves Petry (°1967) daarentegen is.
* hoe gastvrouw Ruth Joos schijnbaar amper kon verbergen dat ze er vanavond geen zin in had.
* hoe Rik Torfs met zijn oratie behoorlijk veel indruk op mij maakte, omwille van de diepgang en de duur van de tekst, omwille van de manier waarop hij van welgemeend respect en welgemeende bewondering voor de schrijver Yves Petry getuigde - niet dat ironische toontje dit keer - en omwille van het feit dat hij die rede blijkbaar klakkeloos vanbuiten kende.
* hoe Yves Petry gedurende zijn hele gesprek met Ruth Joos blijk gaf van een enorm sérieux en hoe hij daar, wat mij betreft, probleemloos mee wegkwam.
* hoe ik er vrijwel zeker van was dat het 'Passa Porta-publiek' daar niet eens op let, op het enorme sérieux van een schrijver.
* hoe ik dus meende geen deel uit te maken van het 'Passa Porta-publiek'.
* hoe Ruth Joos thema's uit het boek in een 'hokje' leek te willen duwen en hoe Yves Petry het daar niet mee eens was.
* hoe een roman - in dit geval 'De maagd Marino' - op zo veel verschillende manieren geïnterpreteerd en ontleed blijkt te kunnen worden, of net niet.
* hoe ik de indruk kreeg dat ik boeken vaak veel te opppervlakkig lees en hoe ik me daarvoor schaamde, maar hoe ik me meteen bedacht dat ik gewoon de moeite niet kan opbrengen om een roman van naaldje tot draadje te ontleden, en hoe ik dat laatste meteen weer in twijfel trok.
* hoe een oud-leraar die ik tegen het lijf liep me vroeg of Petry in zijn boek 'De laatste woorden van Leo Wekeman' inderdaad zwaar naar de media uithaalt en hoe ik - die dat boek nochtans twee keer gelezen heb én het goed vind - hem het antwoord schuldig moest blijven.
* hoe ik me bedacht dat ik de inhoud van nogal wat boeken en films veel te snel vergeet en hoe ik de zoektocht naar een achterliggende boodschap vaak veel te snel staak of 'm zelfs niet aanvat.
* hoe ik verloren liep in uiteenzettingen over de psyche van personages en hoe ik me afvroeg of die uiteenzettingen nog wel ergens over gingen of of Petry en Joos zichzelf gewoon verloren in wollig taalgebruik.
* hoe ik me afvroeg waarom ik die sérieux van Petry zo fascinerend vind en hoe ik vervolgens onwillekeurig aan Stijn Meuris moest denken.
* hoe ik me voor de -tigste keer afvroeg waarom een mens zichzelf, in dit geval ruim twee jaar, 'opsluit' om aan een roman - een roman! - te werken en hoe me dat mateloos blijft fascineren, en hoe ik zo'n schrijver(s) ook eens ga vragen waarom hij/ze dat doet/doen.
* dat er mensen waren die hun baby mee naar de boekvoorstelling hadden genomen en hoe die mensen lang wachtten om naar buiten te gaan toen die baby begon te wenen.
* hoe Petry dat ostentatief storend vond en hoe Ruth Joos dat opmerkte en sussend de woorden sprak: "'t Is maar een baby, Yves."
En ik dacht vast nog veel meer, maar vanzelfsprekend kan ik de moeite niet opbrengen om hier en nu mijn hoofd om te ploegen om nog enkele asterixjes aan dit, nu ja, schematische epistel toe te voegen. Het belangwekkendste staat genoteerd en voorts ben ik ook wel een beetje liever lui dan moe, doch in dit gevoel ben ik eerder moe dan lui.
Mijn moeder zegt trouwens dat ik te veel 'in mijn hoofd zit' en te weinig voeling heb met mijn lichaam. Ik geef haar daarin geen ongelijk, maar kan ik het helpen dat ik ervan geniet om in dat hoofd van mij te zitten?
* hoe oud Rik Torfs (°1956), die de feestrede uitsprak, er 'in het echt' uitziet.
* wat een stijlvolle, zeker niet onknappe man, Yves Petry (°1967) daarentegen is.
* hoe gastvrouw Ruth Joos schijnbaar amper kon verbergen dat ze er vanavond geen zin in had.
* hoe Rik Torfs met zijn oratie behoorlijk veel indruk op mij maakte, omwille van de diepgang en de duur van de tekst, omwille van de manier waarop hij van welgemeend respect en welgemeende bewondering voor de schrijver Yves Petry getuigde - niet dat ironische toontje dit keer - en omwille van het feit dat hij die rede blijkbaar klakkeloos vanbuiten kende.
* hoe Yves Petry gedurende zijn hele gesprek met Ruth Joos blijk gaf van een enorm sérieux en hoe hij daar, wat mij betreft, probleemloos mee wegkwam.
* hoe ik er vrijwel zeker van was dat het 'Passa Porta-publiek' daar niet eens op let, op het enorme sérieux van een schrijver.
* hoe ik dus meende geen deel uit te maken van het 'Passa Porta-publiek'.
* hoe Ruth Joos thema's uit het boek in een 'hokje' leek te willen duwen en hoe Yves Petry het daar niet mee eens was.
* hoe een roman - in dit geval 'De maagd Marino' - op zo veel verschillende manieren geïnterpreteerd en ontleed blijkt te kunnen worden, of net niet.
* hoe ik de indruk kreeg dat ik boeken vaak veel te opppervlakkig lees en hoe ik me daarvoor schaamde, maar hoe ik me meteen bedacht dat ik gewoon de moeite niet kan opbrengen om een roman van naaldje tot draadje te ontleden, en hoe ik dat laatste meteen weer in twijfel trok.
* hoe een oud-leraar die ik tegen het lijf liep me vroeg of Petry in zijn boek 'De laatste woorden van Leo Wekeman' inderdaad zwaar naar de media uithaalt en hoe ik - die dat boek nochtans twee keer gelezen heb én het goed vind - hem het antwoord schuldig moest blijven.
* hoe ik me bedacht dat ik de inhoud van nogal wat boeken en films veel te snel vergeet en hoe ik de zoektocht naar een achterliggende boodschap vaak veel te snel staak of 'm zelfs niet aanvat.
* hoe ik verloren liep in uiteenzettingen over de psyche van personages en hoe ik me afvroeg of die uiteenzettingen nog wel ergens over gingen of of Petry en Joos zichzelf gewoon verloren in wollig taalgebruik.
* hoe ik me afvroeg waarom ik die sérieux van Petry zo fascinerend vind en hoe ik vervolgens onwillekeurig aan Stijn Meuris moest denken.
* hoe ik me voor de -tigste keer afvroeg waarom een mens zichzelf, in dit geval ruim twee jaar, 'opsluit' om aan een roman - een roman! - te werken en hoe me dat mateloos blijft fascineren, en hoe ik zo'n schrijver(s) ook eens ga vragen waarom hij/ze dat doet/doen.
* dat er mensen waren die hun baby mee naar de boekvoorstelling hadden genomen en hoe die mensen lang wachtten om naar buiten te gaan toen die baby begon te wenen.
* hoe Petry dat ostentatief storend vond en hoe Ruth Joos dat opmerkte en sussend de woorden sprak: "'t Is maar een baby, Yves."
En ik dacht vast nog veel meer, maar vanzelfsprekend kan ik de moeite niet opbrengen om hier en nu mijn hoofd om te ploegen om nog enkele asterixjes aan dit, nu ja, schematische epistel toe te voegen. Het belangwekkendste staat genoteerd en voorts ben ik ook wel een beetje liever lui dan moe, doch in dit gevoel ben ik eerder moe dan lui.
Mijn moeder zegt trouwens dat ik te veel 'in mijn hoofd zit' en te weinig voeling heb met mijn lichaam. Ik geef haar daarin geen ongelijk, maar kan ik het helpen dat ik ervan geniet om in dat hoofd van mij te zitten?
donderdag 5 februari 2009
Beter dan dit stuk te schrijven, had ik wat gelezen
Neen, dit vind ik nu toch wel niet zo flink van mezelf: ik lees te weinig, omdat ik te veel naar muziek luister. Er liggen boeken van Murakami op me te wachten, ik moet nog stééds "On the road" uitlezen en ik probeer een boek van Alain de Botton te lezen, maar het vlot niet omdat het me niet lukt om tegelijk te lezen en naar muziek te luisteren.
Want dat is wat ik probeer. Ik wil én de muziek én de woorden in me opnemen. Daarom lees ik oppervlakkig, en dáárom lees ik tegenwoordig geen "echte" boeken meer. Humo en de krant, maar meer dus niet.
En ik lees graag nochtans. Vorige zomer stond zelfs zowat in het teken van lezen. Ik had naar die zomer uitgekeken om te kunnen lezen. Maar wat dat lezen toen anders maakte dan het dat nu is, is dat ik het toen buiten kon doen, dat ik een boek mee naar buiten kon nemen en ermee kon rondlopen, onder mijn arm, door de stad.
En een ander gegeven dat ervoor zorgt dat ik nu niet lees, is de stilte, die ik nodig heb om te kunnen lezen, die ik niet verdraag. In een park is er geritsel van bladeren, rumoer van kinderen, maar in mijn kamertje is het muisstil als ik lees en dat "kan ik niet aan" (ik moet het echt zo stellen, ja). Heel stil muziek opzetten is misschien een optie, zodat er toch iets is, ik moet experimenteren.
Want dat is wat ik probeer. Ik wil én de muziek én de woorden in me opnemen. Daarom lees ik oppervlakkig, en dáárom lees ik tegenwoordig geen "echte" boeken meer. Humo en de krant, maar meer dus niet.
En ik lees graag nochtans. Vorige zomer stond zelfs zowat in het teken van lezen. Ik had naar die zomer uitgekeken om te kunnen lezen. Maar wat dat lezen toen anders maakte dan het dat nu is, is dat ik het toen buiten kon doen, dat ik een boek mee naar buiten kon nemen en ermee kon rondlopen, onder mijn arm, door de stad.
En een ander gegeven dat ervoor zorgt dat ik nu niet lees, is de stilte, die ik nodig heb om te kunnen lezen, die ik niet verdraag. In een park is er geritsel van bladeren, rumoer van kinderen, maar in mijn kamertje is het muisstil als ik lees en dat "kan ik niet aan" (ik moet het echt zo stellen, ja). Heel stil muziek opzetten is misschien een optie, zodat er toch iets is, ik moet experimenteren.
maandag 22 december 2008
Potje huilen?
Zonde, al zeg ik het zelf. De hele dag zoet geweest met een boek van Kenzaburo Oë (bedankt Boleuzia om mij aan die schrijver te herinneren) en er dan 's avonds niks meer aan toe te voegen. Ja, ik ging zeggen dat de personages in "Seventeen" en "Homo Sexualis" wel heel makkelijk huilen, maar wat houdt dat in godsnaam steek?Hoewel: van daaruit interesseert het me wel om te weten hoe een schrijver tegenover de door hem beschreven emoties staat. Te zeggen: kan Kenzaburo Oë zelf heel makkelijk huilen misschien, dat zijn personages dat ook zo makkelijk kunnen? Een personage maakt zich kwaad en begint daarbij te huilen, een ander personage voelt de spanning als een blok van zijn schouders vallen en laat daarbij zijn tranen de vrije loop. Ik voor mezelf, ik kan niet huilen.
Wil dat zeggen dat ik "vastzit", dat ik bepaalde emoties mentaal en/of fysiek blokkeer? Dat onderwerp zou ik in alle ernst wel eens aan mijn "behandelend arts" willen voorleggen. Niet dat ik vind dat ik vaker moet gaan huilen, daar niet van. Maar het hoeft niet onmogelijk te zijn, vind ik, en dat lijkt het nu wel.
zondag 21 december 2008
Kwartiertje drijfveer
Onder de douche bedacht ik me dat ik maar eens aan mijn debuutroman moest beginnen. Scenario's en verhaallijnen dwaalden door mijn hoofd, verdwenen even snel als ze gekomen waren. Tijdens het afdrogen was ik al niet meer zo zeker of ik die dag daadwerkelijk op mijn klavier zou beginnen tokkelen, Wordpagina na Wordpagina. Ik heb die dag geen letter op papier gezet, en de dagen erna ook niet.
Er zit geen boek in mij, wat zou het ook. Er zit zelfs geen romanschrijver in mij, niet eens een schrijver van kortverhalen. Schrijven is als sprinten: tien seconden voor honderd meter, als een kwartier voor zes alinea's. Langer moet dat niet duren, want dan ga ik me vragen stellen. Schrijven blijft verbonden met eenzaam zijn en ik wil niet eenzaam zijn, ik wil bij de mensen zijn.
Ik bedoel: ik wil te graag bij de mensen zijn om veel te kunnen schrijven. Laat Pieter Aspe maar zeggen dat je als schrijver veel tijd hebt voor allerlei geneugten. Het schrijven zelf doe je alleen, je moet er een wereld voor binnen, een zelfontworpen wereld waar je verdomme hard in moet geloven om 'm dagelijks staande te houden.
Drijfveer. Mijn drijfveer is uitgerafeld na dat kwartier waarover ik sprak. Dan heb ik het gehad, wordt het een opdracht, een olifantendracht. Hoe vaak lees ik toch boeken waarvan ik me afvraag waarom de auteur het nodig vond ze te schrijven. Niet dat die boeken slecht zijn, maar er echt bovenuitsteken doen ze ook niet altijd. Dat moet die schrijver toch geweten hebben. Waarom zette hij toch door? In eenzaamheid, in zijn eigen wereld. De drijfveer van die schrijver maakt mij soms wat bang.
Er zit geen boek in mij, wat zou het ook. Er zit zelfs geen romanschrijver in mij, niet eens een schrijver van kortverhalen. Schrijven is als sprinten: tien seconden voor honderd meter, als een kwartier voor zes alinea's. Langer moet dat niet duren, want dan ga ik me vragen stellen. Schrijven blijft verbonden met eenzaam zijn en ik wil niet eenzaam zijn, ik wil bij de mensen zijn.Ik bedoel: ik wil te graag bij de mensen zijn om veel te kunnen schrijven. Laat Pieter Aspe maar zeggen dat je als schrijver veel tijd hebt voor allerlei geneugten. Het schrijven zelf doe je alleen, je moet er een wereld voor binnen, een zelfontworpen wereld waar je verdomme hard in moet geloven om 'm dagelijks staande te houden.
Drijfveer. Mijn drijfveer is uitgerafeld na dat kwartier waarover ik sprak. Dan heb ik het gehad, wordt het een opdracht, een olifantendracht. Hoe vaak lees ik toch boeken waarvan ik me afvraag waarom de auteur het nodig vond ze te schrijven. Niet dat die boeken slecht zijn, maar er echt bovenuitsteken doen ze ook niet altijd. Dat moet die schrijver toch geweten hebben. Waarom zette hij toch door? In eenzaamheid, in zijn eigen wereld. De drijfveer van die schrijver maakt mij soms wat bang.
zaterdag 6 december 2008
Weggezogen leven
"Een paar pruimen waren naar het andere eind van de cocktailbar gerold en zwaar beschadigd. Ik bood aan de schade te betalen en Mica zei: "Wat ben je toch extreem fatsoenlijk.""
Vijfendertig pagina's ver in "De geschiedenis van mijn kaalheid" van Marek van der Jagt vind ik het niets te vroeg om even in te gaan op het hoofdpersonage uit dat boek, met name Marek zelf. Dat hij extreem fatsoenlijk is, staat er geschreven en ik vertel u er zelf bij dat het net lijkt alsof het leven zelve voor drie vierde uit zijn lijf is weggezogen. Maar dat laatste mag eigenlijk weinig verbazen als u weet dat Marek van der Jagt een "heteroniem" van Arnon Grunberg is, een schrijver wiens personages zelden het rijk der schimmen verlaten, schimmig als Grunberg zelf is.
"Uit interviews krijg ik het gevoel dat er iets met hem scheelt," merkte Sezaar enkele dagen geleden nog op in een reactie op een post over Grunberg die bij verwondering had moeten blijven en nergens naar een liefdesbrief had moeten neigen. Ikzelf vind ook dat er iets scheelt met Grunberg, door wat ik lees in interviews, door wat ik op internet over hem terugvind en nu door "De geschiedenis van mijn kaalheid", een boek waarvan ik me alleen nog maar heb afgevraagd waarom het bestaat en waarom het me zo ergert.
De naam "Marek", de moederfiguur in het boek, de vaderfiguur. Ik heb zijn broers uit het boek (Daniël en Pavel) gegoogled en all I got waren samenvattingen op scholieren.com (een hint van Grunberg waardoor je kan ontdekken dat van der Jagt niet echt bestaat?). Het karakter van Marek: een nieuwe levenloze sul. De manier waarop hij op café zit, zijn gedachten, de mensen die hij tegenkomt, het feit dat hij extreem fatsoenlijk is.
Mag het een beetje vuiler, Arnon? De Grunbergtoets is in dit hoofdpersonage wel heel nadrukkelijk aanwezig. Geen spat autentieke levenslust valt er te rapen en de conversaties in het boek lijken weggeknipt uit een gesprek tussen robots. Telkens zeggen ze hooguit drie zinnen, en telkens zijn dat er enigszins rare. "Otto wilde je graag ontmoeten," zei Mica. "Nu heeft hij je ontmoet." Grunberg toont zich hermetisch en clean. En niet dat dat zo anders is dan we het van hem gewend zijn, toch is er één probleem.
Dit boek bevat geen humor. Vertelt me nergens dat de auteur de deur naar de zon toch nog op een kier houdt. Dit boek is te fatsoenlijk, te clean, net als het hoofdpersonage dat tevens de auteur is, die dan weer een heteroniem van Arnon Grunberg is, een man die ook weer te fatsoenlijk is in interviews en dergelijke. Het lééft niet, dit, het heeft niet eens die ambitie. En toch lees ik door, want ik ben een fan, de reden ook waarom ik ontgoocheld ben.
Vijfendertig pagina's ver in "De geschiedenis van mijn kaalheid" van Marek van der Jagt vind ik het niets te vroeg om even in te gaan op het hoofdpersonage uit dat boek, met name Marek zelf. Dat hij extreem fatsoenlijk is, staat er geschreven en ik vertel u er zelf bij dat het net lijkt alsof het leven zelve voor drie vierde uit zijn lijf is weggezogen. Maar dat laatste mag eigenlijk weinig verbazen als u weet dat Marek van der Jagt een "heteroniem" van Arnon Grunberg is, een schrijver wiens personages zelden het rijk der schimmen verlaten, schimmig als Grunberg zelf is.
"Uit interviews krijg ik het gevoel dat er iets met hem scheelt," merkte Sezaar enkele dagen geleden nog op in een reactie op een post over Grunberg die bij verwondering had moeten blijven en nergens naar een liefdesbrief had moeten neigen. Ikzelf vind ook dat er iets scheelt met Grunberg, door wat ik lees in interviews, door wat ik op internet over hem terugvind en nu door "De geschiedenis van mijn kaalheid", een boek waarvan ik me alleen nog maar heb afgevraagd waarom het bestaat en waarom het me zo ergert.De naam "Marek", de moederfiguur in het boek, de vaderfiguur. Ik heb zijn broers uit het boek (Daniël en Pavel) gegoogled en all I got waren samenvattingen op scholieren.com (een hint van Grunberg waardoor je kan ontdekken dat van der Jagt niet echt bestaat?). Het karakter van Marek: een nieuwe levenloze sul. De manier waarop hij op café zit, zijn gedachten, de mensen die hij tegenkomt, het feit dat hij extreem fatsoenlijk is.
Mag het een beetje vuiler, Arnon? De Grunbergtoets is in dit hoofdpersonage wel heel nadrukkelijk aanwezig. Geen spat autentieke levenslust valt er te rapen en de conversaties in het boek lijken weggeknipt uit een gesprek tussen robots. Telkens zeggen ze hooguit drie zinnen, en telkens zijn dat er enigszins rare. "Otto wilde je graag ontmoeten," zei Mica. "Nu heeft hij je ontmoet." Grunberg toont zich hermetisch en clean. En niet dat dat zo anders is dan we het van hem gewend zijn, toch is er één probleem.
Dit boek bevat geen humor. Vertelt me nergens dat de auteur de deur naar de zon toch nog op een kier houdt. Dit boek is te fatsoenlijk, te clean, net als het hoofdpersonage dat tevens de auteur is, die dan weer een heteroniem van Arnon Grunberg is, een man die ook weer te fatsoenlijk is in interviews en dergelijke. Het lééft niet, dit, het heeft niet eens die ambitie. En toch lees ik door, want ik ben een fan, de reden ook waarom ik ontgoocheld ben.
woensdag 3 december 2008
Drieëntwintig en fascinerend
Ik heb erover nagedacht om Arnon Grunberg te worden. Enkele jaren geleden al en nu opnieuw. Als het even kan, en alles kan, zou ik ook graag een succesvolle debuutroman schrijven op mijn drieëntwintigste. 't Is dat ik "Blauwe Maandagen" herlees en van mening ben dat ik iets dergelijks ook nog wel zou kunnen.
Nu, dat boek is wel bekend, vertaald, bekroond, gewaardeerd,.. toch is de exacte reden daarvoor mij niet duidelijk. Het leest vlot, ja, en het is onderhoudend, maar welk element maakt van "Blauwe Maandagen" een beter boek dan eender welk ander debuut? Op "Slaap!" van Annelies Verbeke plakte destijds een sticker: "Beste debuut sinds "Blauwe Maandagen"". Grunbergs debuut is dus een referenetie, een ijkpunt.
De humor in "Blauwe Maandagen" wordt geprezen. Ook ik merk die op, maar ik onthou veeleer de tragiek die steeds nodig is om tot iets komisch te komen. En in plaats van dan te lachen, moet ik vaak enige moeite doen om mij over een zekere "pijn" te zetten. De levens die Grunberg in zijn boek schetst, zijn stuk voor stuk onleefbare levens, dat van hemzelf nog het meest. Er zit, mijns inziens, bijzonder weinig geluk in dat boek.
Door dat te besluiten stel ik echter weer een andere vraag: begrijp ik "Blauwe Maandagen" wel zoals ik het zou moeten begrijpen? En meteen daarna vraag ik me af of een drieëntwintigjarige Nederlander een boek zou kunnen schrijven dat ik niet begrijp. Ook weet ik niet waar het autobiografische begint en waar het stopt. Waarom schreef Grunberg zo'n autobiografisch boek, dan nog als zijn debuut? Wat was de verwachting, de bedoeling?
Ik lees over Grunberg op Wikipedia. Ik krijg nooit genoeg informatie om mijn honger te stillen. In interviews is de schrijver altijd koel en afstandelijk. Hij lijkt bezig met grote, overkoepelende thema's als oorlog, liefde, het lijden en dergelijke; thema's die in zijn boeken als rode draden door geconcretiseerde verhalen lopen.
Ontvang mij gewoon in Eupen, meneer Grunberg. Of in één van die vele hotels die u blijkbaar aandoet op die talloze trips van u. Dan spreken we over "Blauwe Maandagen" alsof het terug 1994 is en, dat spreken we af, dan geeft u op al mijn vragen de eerlijkste antwoorden die u kan bedenken.
Nu, dat boek is wel bekend, vertaald, bekroond, gewaardeerd,.. toch is de exacte reden daarvoor mij niet duidelijk. Het leest vlot, ja, en het is onderhoudend, maar welk element maakt van "Blauwe Maandagen" een beter boek dan eender welk ander debuut? Op "Slaap!" van Annelies Verbeke plakte destijds een sticker: "Beste debuut sinds "Blauwe Maandagen"". Grunbergs debuut is dus een referenetie, een ijkpunt.De humor in "Blauwe Maandagen" wordt geprezen. Ook ik merk die op, maar ik onthou veeleer de tragiek die steeds nodig is om tot iets komisch te komen. En in plaats van dan te lachen, moet ik vaak enige moeite doen om mij over een zekere "pijn" te zetten. De levens die Grunberg in zijn boek schetst, zijn stuk voor stuk onleefbare levens, dat van hemzelf nog het meest. Er zit, mijns inziens, bijzonder weinig geluk in dat boek.
Door dat te besluiten stel ik echter weer een andere vraag: begrijp ik "Blauwe Maandagen" wel zoals ik het zou moeten begrijpen? En meteen daarna vraag ik me af of een drieëntwintigjarige Nederlander een boek zou kunnen schrijven dat ik niet begrijp. Ook weet ik niet waar het autobiografische begint en waar het stopt. Waarom schreef Grunberg zo'n autobiografisch boek, dan nog als zijn debuut? Wat was de verwachting, de bedoeling?
Ik lees over Grunberg op Wikipedia. Ik krijg nooit genoeg informatie om mijn honger te stillen. In interviews is de schrijver altijd koel en afstandelijk. Hij lijkt bezig met grote, overkoepelende thema's als oorlog, liefde, het lijden en dergelijke; thema's die in zijn boeken als rode draden door geconcretiseerde verhalen lopen.
Ontvang mij gewoon in Eupen, meneer Grunberg. Of in één van die vele hotels die u blijkbaar aandoet op die talloze trips van u. Dan spreken we over "Blauwe Maandagen" alsof het terug 1994 is en, dat spreken we af, dan geeft u op al mijn vragen de eerlijkste antwoorden die u kan bedenken.
Abonneren op:
Posts (Atom)
