Mijn geschiedenis met sigaretten kan ik samenvatten in vier korte anekdotes.
Ik was van plan om nóóit te roken. Nooit roken was ooit een zekerheid voor mij. Maar misschien was ik er wel té zeker van en begon ik onbewust te twijfelen, want op een dag gaf ik me er, volledig onverwacht trouwens, aan over.
Dat was op een ochtend dat ik wakker werd in het appartement van E.. B.'s Belga's lagen op tafel, ze had er nog twee over, en ik stopte die in mijn zak zonder te weten wat ik er eigenlijk mee van plan was. Ik geloof dat ik oorspronkelijk van plan was om haar leven te redden door haar sigaretten weg te gooien, want dat ik er mijn eigen gezondheid mee zou schaden was zeker niet initieel de bedoeling.
Maar ik kwam in de verleiding - ik was alleen, ik zat eraan te friemelen in mijn broekzak - en ik haalde ze te voorschijn. Ik ging naar de badkamer, keek in de spiegel en stak er één tussen mijn lippen. Zo zag ik er dus uit met een sigaret in mijn mond. En hoe zou ik er uitzien als ik rookte? Ik moest het proberen.
Het appartement stonk er toch al naar, dus kon ik het wel voor de spiegel doen. En toen wist ik dus hoe dat eruit zag. Het deed me niks, geloof ik, ik herinner me geen gevoel of een andere sensatie. Ik had het gedaan en daarmee was alles gezegd, maar ik had er dus wel nóg één. Die rookte ik wat later buiten op en waar ik toen precies was weet ik niet meer, maar dat ik mezelf misschien wel een heel klein beetje cool vond, daar durf ik wel op wedden. Tot mijn schaamte.
De toon was gezet en ik viste nu wel vaker een sigaret uit B.'s pakjes. Voor de pose zo af en toe eens een sigaretje opsteken, dat bracht toch enige sensatie met zich mee. Ik voelde me een hele baas zal ik maar zeggen, zodanig blijkbaar dat mijn cool erbij inschoot. Want op een dag vroeg ik M. of hij het eens wilde proberen en zelfs al was hij totaal niet geïnteresseerd, ik drong aan. Hij deed het, gewoon om mij een plezier te doen, en sindsdien heeft hij het nooit meer gedaan, of toch niet waar ik bij was.
Toen ging ik naar de universiteit en was ik zoekende. Naar nieuwe vriendjes, naar perspectieven, naar de zin van dat alles misschien. Ik ontmoette B. - een andere B. - en zij rookte Camel. Het kon niet anders dan dat ze zou roken. Met haar verwarde haren, haar schelle lach, haar losse omgang en lange nachten. Ik was een beetje onder de indruk, denk ik, en deed mezelf daarom wat cooler voor dan ik was. En daar hoorde meeroken bij, zo bleek. Nonchalant om een sigaretje vragen, want zelf kocht ik ze niet natuurlijk - in mijn hoofd behield ik zo mijn waardigheid. Nee, gewoon tijdens de pauze even naar buiten en dan op de bank naast elkaar een beetje kletsen en een sigaret roken. Hebben we enkele keren gedaan, tot ik niet meer naar de universiteit ging.
Roken verdween naar het achterplan, ik vond het al een beetje saai geworden en het had me al die tijd geen enkele échte sensatie verleend, behalve dan die pose, maar die vond ik ook niet echt doorslaggevend om het occasioneel te blijven doen. En dat mijn vingertoppen ervan gingen stinken en dat de smaak in mijn mond er vies van werd, dat vond ik eigenlijk heel vervelend.
Maar toch was het niet helemaal afgelopen ermee. Soms ging ik met wat mensen op café en rookte ik wel eens mee. Op mijn achttiende verjaardag hield ik een feestje en toen ik ergens in de ochtend met E. overbleef, staken we beiden een afgetroggelde sigaret op, bij wijze van bezegeling van een geweldige nacht. Dat vonden we wel iets hebben, want ook al ridiculiseerden we het en zegden we dat we het belachelijk vonden, we déden het wel.
Maar sinds ik me niet langer 'post-middelbaar' voel, heb ik het niet meer gedaan. Onbewust zelfs, maar toch al een hele tijd nu ik erover nadenk. Sinds ik ook bijna niet meer op café ga, besef ik. Misschien zelfs sinds ik helemaal niks meer moet bezegelen. Of nee, dat klopt niet. Soms bezegel ik wél nog fantastische ditjes en datjes, maar niet meer met sigaretten. Nu doe ik dat met een uitgesproken blijk van immense waardering, met een kreet of enkele zinnen van opperste opwinding, met een kneepje in een knie, met een arm om een schouder, met een kus of met een omhelzing.
En zo is het beter, want daar gaan mijn vingertoppen niet van stinken
zaterdag 16 januari 2010
vrijdag 15 januari 2010
Zaterdag catechese
Kent u Marc De Bel nog? Ja, u daar, met uw ik-neem-mezelf-heel-serieus-want-ik-studeer-rechtenlook.
Marc De Bel dus, die schrijver die altijd op de achterflap beweerde dat hij op zijn elfde uit een boom op zijn hoofd was gevallen en daardoor geestelijk eeuwig elf jaar zou blijven. Wel, soms verricht ik zelf een beetje graafwerk in mijn recente tot verre verleden en dan zou ik, bijvoorbeeld, wel eens even willen terugflitsen naar die tijd waarin ik daadwerkelijk elf jaar was en al even daadwerkelijk Marc De Bel las. Ik herinner me er zó weinig van.
Maar over mezelf wil ik het hier nu even niet hebben, dat was toch niet het plan. Ik wil het hebben over de 'wittekop' die ik een uurtje geleden, wachtend op de trein, op het perron ontmoette. Hij stond wat verderop en hij gooide sneeuwballen naar god-weet-wat. Ik kreeg het koud, liep wat rond om mezelf warm te houden en besloot zijn richting uit te gaan. Ik was benieuwd, zeg maar, want hij zag er heel jong uit om zo alleen de trein te nemen.
Toen hij mij in de gaten kreeg dacht hij waarschijnlijk dat ik één of andere strenge meneer was, want hij hield abrupt op met het vormen zijner sneeuwbal. Maar ik 'stak er een muntje in' en zei: "Gooi!" en voegde daar twee seconden van vertwijfeling in zijn ogen later aan toe "maar niet op mij". Hij lachtte, ik had de sneeuw in de conversatie gebroken, en hij gooide, mikkend op een wittte lijn aan de andere kant van de spoorweg, zo bleek. Toen zei hij dat er een gat in zijn handschoen zat en dat zijn hand daardoor nat werd. En zelfs als je die handschoen op de verwarming legt wordt hij nog niet droog, zei hij.
Het was een "pienter baasje", geloof ik. Want wat hij me op de trein allemaal vertelde, op die nog vertederend onschuldige en eerlijke manier waarop kinderen dat plegen te doen. Dat hij hier drie keer per week volleybal kwam spelen en dat hij dan altijd met de trein terug naar huis ging. Dat deed hij nu al een paar maanden en hij had nog maar één keer zijn trein gemist, maar toen had iemand anders hem met de auto naar huis gebracht.
Hij wijdde mij verder in in tal van, mij volledig vreemde, volleybalweetjes, zoals kinderen dat dus doen: ervan uitgaand dat iedereen wel weet wat '2D' (bleek een afdeling in tweede provinciale te zijn), blocken en VWL (bleek een andere ploeg te zijn dan de zijne, maar dat zei hij nooit letterlijk) betekenen. Het net stond in zijn leeftijdscategorie trouwens niet op de normale 2.46m, maar op 2.05m en dat was hoog genoeg want hij was zelf nog maar 1.50m.
In het zesde leerjaar zat hij en hij had elke zaterdag catechese, - godallemachtig, bestaat dat nog?! - maar hij ging komende zaterdag niet kunnen gaan want hij had een volleybalmatch. Het was al de tweede keer van de vier keer dat hij niet kon gaan! Ik wilde een grapje maken en zeggen dat God daar wel niet om zou kunnen lachen, maar ik hield me in omdat ik geen idee had wat hij wel en niet zou begrijpen.
Hij had nog zo'n hoog en overslaand stemmetje, trouwens, zoals ik er ook ooit eentje moet gehad hebben. Hij was nog helemaal geen puber, echt.
Catechese dus. En sneeuwballen gooien, volleyballen, heel druk bezig zijn gewoon. Ik suggereerde dat hij dan wel niet veel tijd meer overhield waarschijnlijk, en inderdaad: als hij straks zou thuiskomen (rond kwart voor zeven), zou hij aan zijn huiswerk beginnen. Want zijn papa wilde dat hij meer dan negentig haalde voor wiskunde. Hij was trouwens beter in wiskunde dan in 'taal'. Hij had lak aan de persoonsvorm, het lijdend voorwerp en de bijvoeglijke bepaling.
En zonder twijfel het mooiste: toen we afstapten moest ik naar links en hij rechtdoor. Dat vertelde ik hem, ik stak mijn hand op en wenste hem nog veel succes met het volleyballen. En hij zei ook dag (zo'n lange "daa-aag") en hij zwááide met zijn hand zoals kinderen dat doen omdat ze zich nog niet van 'imago' bewust zijn en nog geen coole "jooooe" of 'stoere' handgebaren kennen.
Elf jaar was hij en ik hoop dat ik hem terugzie. Nu ik weet wanneer hij training heeft, moet dat ook wel eens lukken.
Marc De Bel dus, die schrijver die altijd op de achterflap beweerde dat hij op zijn elfde uit een boom op zijn hoofd was gevallen en daardoor geestelijk eeuwig elf jaar zou blijven. Wel, soms verricht ik zelf een beetje graafwerk in mijn recente tot verre verleden en dan zou ik, bijvoorbeeld, wel eens even willen terugflitsen naar die tijd waarin ik daadwerkelijk elf jaar was en al even daadwerkelijk Marc De Bel las. Ik herinner me er zó weinig van.
Maar over mezelf wil ik het hier nu even niet hebben, dat was toch niet het plan. Ik wil het hebben over de 'wittekop' die ik een uurtje geleden, wachtend op de trein, op het perron ontmoette. Hij stond wat verderop en hij gooide sneeuwballen naar god-weet-wat. Ik kreeg het koud, liep wat rond om mezelf warm te houden en besloot zijn richting uit te gaan. Ik was benieuwd, zeg maar, want hij zag er heel jong uit om zo alleen de trein te nemen.
Toen hij mij in de gaten kreeg dacht hij waarschijnlijk dat ik één of andere strenge meneer was, want hij hield abrupt op met het vormen zijner sneeuwbal. Maar ik 'stak er een muntje in' en zei: "Gooi!" en voegde daar twee seconden van vertwijfeling in zijn ogen later aan toe "maar niet op mij". Hij lachtte, ik had de sneeuw in de conversatie gebroken, en hij gooide, mikkend op een wittte lijn aan de andere kant van de spoorweg, zo bleek. Toen zei hij dat er een gat in zijn handschoen zat en dat zijn hand daardoor nat werd. En zelfs als je die handschoen op de verwarming legt wordt hij nog niet droog, zei hij.
Het was een "pienter baasje", geloof ik. Want wat hij me op de trein allemaal vertelde, op die nog vertederend onschuldige en eerlijke manier waarop kinderen dat plegen te doen. Dat hij hier drie keer per week volleybal kwam spelen en dat hij dan altijd met de trein terug naar huis ging. Dat deed hij nu al een paar maanden en hij had nog maar één keer zijn trein gemist, maar toen had iemand anders hem met de auto naar huis gebracht.
Hij wijdde mij verder in in tal van, mij volledig vreemde, volleybalweetjes, zoals kinderen dat dus doen: ervan uitgaand dat iedereen wel weet wat '2D' (bleek een afdeling in tweede provinciale te zijn), blocken en VWL (bleek een andere ploeg te zijn dan de zijne, maar dat zei hij nooit letterlijk) betekenen. Het net stond in zijn leeftijdscategorie trouwens niet op de normale 2.46m, maar op 2.05m en dat was hoog genoeg want hij was zelf nog maar 1.50m.
In het zesde leerjaar zat hij en hij had elke zaterdag catechese, - godallemachtig, bestaat dat nog?! - maar hij ging komende zaterdag niet kunnen gaan want hij had een volleybalmatch. Het was al de tweede keer van de vier keer dat hij niet kon gaan! Ik wilde een grapje maken en zeggen dat God daar wel niet om zou kunnen lachen, maar ik hield me in omdat ik geen idee had wat hij wel en niet zou begrijpen.
Hij had nog zo'n hoog en overslaand stemmetje, trouwens, zoals ik er ook ooit eentje moet gehad hebben. Hij was nog helemaal geen puber, echt.
Catechese dus. En sneeuwballen gooien, volleyballen, heel druk bezig zijn gewoon. Ik suggereerde dat hij dan wel niet veel tijd meer overhield waarschijnlijk, en inderdaad: als hij straks zou thuiskomen (rond kwart voor zeven), zou hij aan zijn huiswerk beginnen. Want zijn papa wilde dat hij meer dan negentig haalde voor wiskunde. Hij was trouwens beter in wiskunde dan in 'taal'. Hij had lak aan de persoonsvorm, het lijdend voorwerp en de bijvoeglijke bepaling.
En zonder twijfel het mooiste: toen we afstapten moest ik naar links en hij rechtdoor. Dat vertelde ik hem, ik stak mijn hand op en wenste hem nog veel succes met het volleyballen. En hij zei ook dag (zo'n lange "daa-aag") en hij zwááide met zijn hand zoals kinderen dat doen omdat ze zich nog niet van 'imago' bewust zijn en nog geen coole "jooooe" of 'stoere' handgebaren kennen.
Elf jaar was hij en ik hoop dat ik hem terugzie. Nu ik weet wanneer hij training heeft, moet dat ook wel eens lukken.
woensdag 13 januari 2010
Hier is het even aan mij
In alle bescheidenheid - dat maakt er deel van uit: ik ben een gentleman. Deuren openhouden, rechtstaan in de tram, mijn plaats aanbieden en "je vous en prie" zeggen, u moet het mij niet leren. Ik doe dat ook gráág, dat beleefd zijn, dat helpen, het andere mensen wat makkelijker maken, maar ik ben óók maar een mens - had ik u dat al verteld? - en soms verlies ik mijn geduld.
Om de stomste redenen dan wel. Maar waarom doet net die ene druppel soms een emmer overlopen? Ik heb de hele dag - en in dit soort context moet je dus echt zo'n diep snijdend accent aiguutje op de e zetten - op het gezicht en later de smoel van dat ene meisje moeten staren dat me al dagen de keel uithangt door die zonder enige gène gespeelde hulpeloosheid van haar. De héle dag op die van niks bewustzijnde, zelfs bijna zelfgenoegzame smoel dus, tot ik helemaal niét meer keek, omdat ik het letterlijk en figuurlijk niet langer kon aanzien.
Ik leg uit: ze is zo'n meisje dat doet alsof ze aandachtig naar een uitleg luistert, maar zich op het moment zelf al bedenkt dat ze het toch niet per sé hoeft te begrijpen omdat ze achteraf wel gewoon aan iemand anders zal vragen wat er precies werd uitgelegd. Het is het type dat de voldoening van zelfverworven kennis niet kent. Het type dat er niet eens bij stilstaat dat ze een ander wel eens zou kunnen storen met haar afhankelijkheid. En om met dát soort mensen een groepswerk te moeten maken, ik hoef het u kennelijk niet uit te leggen.
Compleet pissed off was ik op het eind van de namiddag. De remmen moesten dringend geolied worden of ik zou in een gracht gefietst zijn van colère. En wat misschien nog het frustrerendst was: zelf had ze het amper door. Iedereen kon aan mij zien wat er scheelde en waarom ik wanhopig mijn voorhoofd op B.'s schouder legde of waarom ik C. ironisch lachend een hand gaf als in "hey, wie ben jij? Leuk je te ontmoeten." Ik moest stoom aflaten, ik moést. En dat de anderen die noodzaak klaarblijkelijk minder of helemaal niet voelden was leuk voor hen, maar het maakte me er alleen maar nijdiger op. Mijn druppel, weet u wel.
En ben ik nijdig dan zindert dat even na. Wel blíj dat ik was toen ik wegkon, u wil het niet weten. Met C. op de trein, 'ouwehoeren', lachen om stomme en schattige dingetjes, stoom aflaten, afstappen, dag zeggen en naar de winkel gaan.
In de winkel de gewenste spulletjes uit de rekken vissen, naar de kassa lopen, achter een oudere vrouw in de rij terechtkomen, het soort vrouw dat kennelijk denkt - het kan ook nog die stoom zijn - dat ze zo'n beetje tussen de twee kassa's in kan gaan staan om dan "in het gat te duiken", wanneer ze de kans krijgt - (kies gewoon een rij, mens!) - en dat dan ook zonder scrupules doet wanneer het zover is, met dat gat.
Ik heb haar teruggefloten. Ik heb iets gezegd als "Ho excuseer, hier is het aan mij nu." Ze geloofde wellicht haar hoorapparaat niet, maar dat heb ik eigenlijk niet eens meer gezien. Boodschappen door de handjes van de caissière (die ik trouwens ook niet heb gezien), bankkaart in de - hoe heet zo'n ding? - en wegwezen. Ze moeten misschien gedacht hebben dat ik zo'n typische jonge generatie Y-crimineel ben die nul respect heeft voor wat dan ook en het feit dat ik een zwartleren jas en een muts droeg, zal er ook wel geen goed aan gedaan hebben, maar ik zweer u - en dat is nu, ruim een uur later nog steeds zo: - I couldn't care less really. Really.
Om de stomste redenen dan wel. Maar waarom doet net die ene druppel soms een emmer overlopen? Ik heb de hele dag - en in dit soort context moet je dus echt zo'n diep snijdend accent aiguutje op de e zetten - op het gezicht en later de smoel van dat ene meisje moeten staren dat me al dagen de keel uithangt door die zonder enige gène gespeelde hulpeloosheid van haar. De héle dag op die van niks bewustzijnde, zelfs bijna zelfgenoegzame smoel dus, tot ik helemaal niét meer keek, omdat ik het letterlijk en figuurlijk niet langer kon aanzien.
Ik leg uit: ze is zo'n meisje dat doet alsof ze aandachtig naar een uitleg luistert, maar zich op het moment zelf al bedenkt dat ze het toch niet per sé hoeft te begrijpen omdat ze achteraf wel gewoon aan iemand anders zal vragen wat er precies werd uitgelegd. Het is het type dat de voldoening van zelfverworven kennis niet kent. Het type dat er niet eens bij stilstaat dat ze een ander wel eens zou kunnen storen met haar afhankelijkheid. En om met dát soort mensen een groepswerk te moeten maken, ik hoef het u kennelijk niet uit te leggen.
Compleet pissed off was ik op het eind van de namiddag. De remmen moesten dringend geolied worden of ik zou in een gracht gefietst zijn van colère. En wat misschien nog het frustrerendst was: zelf had ze het amper door. Iedereen kon aan mij zien wat er scheelde en waarom ik wanhopig mijn voorhoofd op B.'s schouder legde of waarom ik C. ironisch lachend een hand gaf als in "hey, wie ben jij? Leuk je te ontmoeten." Ik moest stoom aflaten, ik moést. En dat de anderen die noodzaak klaarblijkelijk minder of helemaal niet voelden was leuk voor hen, maar het maakte me er alleen maar nijdiger op. Mijn druppel, weet u wel.
En ben ik nijdig dan zindert dat even na. Wel blíj dat ik was toen ik wegkon, u wil het niet weten. Met C. op de trein, 'ouwehoeren', lachen om stomme en schattige dingetjes, stoom aflaten, afstappen, dag zeggen en naar de winkel gaan.
In de winkel de gewenste spulletjes uit de rekken vissen, naar de kassa lopen, achter een oudere vrouw in de rij terechtkomen, het soort vrouw dat kennelijk denkt - het kan ook nog die stoom zijn - dat ze zo'n beetje tussen de twee kassa's in kan gaan staan om dan "in het gat te duiken", wanneer ze de kans krijgt - (kies gewoon een rij, mens!) - en dat dan ook zonder scrupules doet wanneer het zover is, met dat gat.
Ik heb haar teruggefloten. Ik heb iets gezegd als "Ho excuseer, hier is het aan mij nu." Ze geloofde wellicht haar hoorapparaat niet, maar dat heb ik eigenlijk niet eens meer gezien. Boodschappen door de handjes van de caissière (die ik trouwens ook niet heb gezien), bankkaart in de - hoe heet zo'n ding? - en wegwezen. Ze moeten misschien gedacht hebben dat ik zo'n typische jonge generatie Y-crimineel ben die nul respect heeft voor wat dan ook en het feit dat ik een zwartleren jas en een muts droeg, zal er ook wel geen goed aan gedaan hebben, maar ik zweer u - en dat is nu, ruim een uur later nog steeds zo: - I couldn't care less really. Really.
dinsdag 12 januari 2010
Dat ik denk
Wat ik echt wil zeggen als ik alle overbodige woorden weglaat?
Dat ik denk dat alles nooit anders zal zijn dan het nu is.
Dat ik denk dat 'ik' nooit anders zal zijn dan ik nu ben.
Dat ik van de twee vorige gedachten niet zeker ben.
Dat ik ze zelfs dikke zever vind.
Dat ze daarom weggelaten kunnen worden, mocht ik er deze en de vorige niet aan hebben opgehangen.
Dat denken eigenlijk impliceert dat je niet zeker bent.
Dat Descartes maar wat uit zijn nek kletste.
Dat ik zelfvertrouwen heb en dat dat het er zeker gemakkelijker op maakt.
Dat ik sta te popelen en te popelen en te popelen, en dat dat me gelukkig houdt.
Dat ik het wel jammer vind dat het allemaal niet wat sneller gaat.
Dat een mens geduld moet hebben en dat 2009 me dat heeft doen inzien.
Dat dit allemaal overbodige woorden zijn.
En dat het conflict tussen Israël en Palestina nog wel even kan duren.
Dat ik denk dat alles nooit anders zal zijn dan het nu is.
Dat ik denk dat 'ik' nooit anders zal zijn dan ik nu ben.
Dat ik van de twee vorige gedachten niet zeker ben.
Dat ik ze zelfs dikke zever vind.
Dat ze daarom weggelaten kunnen worden, mocht ik er deze en de vorige niet aan hebben opgehangen.
Dat denken eigenlijk impliceert dat je niet zeker bent.
Dat Descartes maar wat uit zijn nek kletste.
Dat ik zelfvertrouwen heb en dat dat het er zeker gemakkelijker op maakt.
Dat ik sta te popelen en te popelen en te popelen, en dat dat me gelukkig houdt.
Dat ik het wel jammer vind dat het allemaal niet wat sneller gaat.
Dat een mens geduld moet hebben en dat 2009 me dat heeft doen inzien.
Dat dit allemaal overbodige woorden zijn.
En dat het conflict tussen Israël en Palestina nog wel even kan duren.
maandag 11 januari 2010
VIII
Als een ramkraker was ik haastig over haar heengeraasd
vervaarlijk balancerend op de rand van m'n eigen verstand
gebrand, misschien pedant, achteraf gewoon misplaatst arrogant
had ik jengelend als een jongetje op haar complimentjes geaasd
De lijn naar beneden, een kring op het water, de vis had gebeten
verzilverde ze mijn wil, sprak ze de woorden die ik wilde horen
ik opgetogen over al haar waardering, jurering met 'n hoge score
want retteketet wat een pret, 'k had zonet m'n eerste sonnetje gesleten
Ik was in vervoering verliefd op mijn eigen gerijpte boreling
net vader geworden, een horde van 'n niet nader bepaalde maar 'n andere orde
en zij had 't gelezen, al bijna vergeten, mijn eerste verrukte verovering
't Gesprek dat verdorde in zwijgen ontaardde, de dichter die morde
't euforisch eureka, geen dagen geen weken, maar iets dat gauw overging
en zij die me porde, een hevige hoofdpijn was wat eraan schorde
vervaarlijk balancerend op de rand van m'n eigen verstand
gebrand, misschien pedant, achteraf gewoon misplaatst arrogant
had ik jengelend als een jongetje op haar complimentjes geaasd
De lijn naar beneden, een kring op het water, de vis had gebeten
verzilverde ze mijn wil, sprak ze de woorden die ik wilde horen
ik opgetogen over al haar waardering, jurering met 'n hoge score
want retteketet wat een pret, 'k had zonet m'n eerste sonnetje gesleten
Ik was in vervoering verliefd op mijn eigen gerijpte boreling
net vader geworden, een horde van 'n niet nader bepaalde maar 'n andere orde
en zij had 't gelezen, al bijna vergeten, mijn eerste verrukte verovering
't Gesprek dat verdorde in zwijgen ontaardde, de dichter die morde
't euforisch eureka, geen dagen geen weken, maar iets dat gauw overging
en zij die me porde, een hevige hoofdpijn was wat eraan schorde
zondag 10 januari 2010
VII
Als een torpedo knalde de jap door 'n Chinese metselmuur
doorheen de geschiedenis bekogelde de jood de intifada
op een steenworp van Mobutu lag Kabila lijkbleek na 'n armada
zo dood als een pier, maar als zwijgende zwarte zo puur
Lumumba's oppressie onschuldig maar lang geen lambada
Hamas en Fatah, Hezbollah, geen censuur op 'n spervuur
Met zijn honderden bloemen verhulde Mao Tsetung 'n dictatuur
en na winst in de Barbarossa kreeg de Rus geen Testarossa maar 'n Lada
De vorige eeuw dendert nog druk, ze zindert nog na
maar het wroetende volk verspreidt reeds haar vers kopij
iets over een pissige pipo en kusjes voor Kevin en Shana
Kortom 'n keer geen historisch of demagogisch gebakkelei
geen Muur, genocide, 'n natuurramp of andere trivia
rond de kerk van 't lokale Loksbergen, daar wenen wij
doorheen de geschiedenis bekogelde de jood de intifada
op een steenworp van Mobutu lag Kabila lijkbleek na 'n armada
zo dood als een pier, maar als zwijgende zwarte zo puur
Lumumba's oppressie onschuldig maar lang geen lambada
Hamas en Fatah, Hezbollah, geen censuur op 'n spervuur
Met zijn honderden bloemen verhulde Mao Tsetung 'n dictatuur
en na winst in de Barbarossa kreeg de Rus geen Testarossa maar 'n Lada
De vorige eeuw dendert nog druk, ze zindert nog na
maar het wroetende volk verspreidt reeds haar vers kopij
iets over een pissige pipo en kusjes voor Kevin en Shana
Kortom 'n keer geen historisch of demagogisch gebakkelei
geen Muur, genocide, 'n natuurramp of andere trivia
rond de kerk van 't lokale Loksbergen, daar wenen wij
Kamer I
Een lijst met vragen over wat ik deed en wie ik was in 2009 ga ik hier niet invullen. Dat vind ik te persoonlijk. Ik vind het minder persoonlijk om te beschrijven wat er in mijn kamer rondom mij ligt omdat het daar in 2009 grotendeels ook al zo lag.
Twee drankbonnetjes "goed voor één basisconsumptie in het STUK-café", een bandrecorder, vier stapels cd's waarvan bovenaan respectievelijk "OK Computer", "Regeneration" van The Divine Comedy, "De Machine" van De Jeugd en "Imperial War Solvent" van The Fall, een programmatieboekje van CinemaZED, een hoop to do-lijstjes, "Standards" van Tortoise, een leeg potje kersenyoghurt, een kommetje waaruit ik wel eens Crunchy met melk eet, een glas, twee oorsprays, "De media in Vlaanderen kritisch doorgelicht", een hoop kleingeld, druiven, een promo-exemplaar van de "For The Night Ahead" van The Twilight Sad, een markeerstift, een usb-stick, een potlood, een elastiekje, een supercoole zonnebril, een onafgewassen bord met een vork, een lege kop koffie, een PACE-vlag, een groot kussen met daarop een kleiner kussen, nog een viertal lege borden, rondslingerende (keuken)handdoeken, een muts, twee paar kousen, vier kaarsen, enkele Humo's, nog een groot kussen, een gsm-oplader, drie paar schoenen, twee aanstekers, een kussenovertrek, een laken, een tiental flyers en dat is het zo wat.
Dit soort overzichten moet ik vaker doen. Een reden om niet te vaak op te ruimen.
Twee drankbonnetjes "goed voor één basisconsumptie in het STUK-café", een bandrecorder, vier stapels cd's waarvan bovenaan respectievelijk "OK Computer", "Regeneration" van The Divine Comedy, "De Machine" van De Jeugd en "Imperial War Solvent" van The Fall, een programmatieboekje van CinemaZED, een hoop to do-lijstjes, "Standards" van Tortoise, een leeg potje kersenyoghurt, een kommetje waaruit ik wel eens Crunchy met melk eet, een glas, twee oorsprays, "De media in Vlaanderen kritisch doorgelicht", een hoop kleingeld, druiven, een promo-exemplaar van de "For The Night Ahead" van The Twilight Sad, een markeerstift, een usb-stick, een potlood, een elastiekje, een supercoole zonnebril, een onafgewassen bord met een vork, een lege kop koffie, een PACE-vlag, een groot kussen met daarop een kleiner kussen, nog een viertal lege borden, rondslingerende (keuken)handdoeken, een muts, twee paar kousen, vier kaarsen, enkele Humo's, nog een groot kussen, een gsm-oplader, drie paar schoenen, twee aanstekers, een kussenovertrek, een laken, een tiental flyers en dat is het zo wat.
Dit soort overzichten moet ik vaker doen. Een reden om niet te vaak op te ruimen.
zaterdag 9 januari 2010
Herman? Je hebt de president en dan heb je de Coninck
Nu ik afleiding gebruiken kan, ga ik opnieuw aan het dichten. Het was heel lang geleden en ik ridiculiseer het nog steeds, maar stiekem doe ik toch ook een beetje mijn best, net als vroeger. Ik wil best een dichter zijn en ik wil heel graag dat dagboek van Leonard Nolens lezen dat nu zo wordt bejubeld.
Ik neem "De mooiste gedichten van Herman de Coninck" uit de kast en sla het open op zomaar een bladzijde.
Het betreffende gedicht
leest als een prozatekst, maar
staat gewoon als een gedicht
op het blad geordend.
Zo kan ik het ook, denk ik, en dus doe ik het. Maar kan ik het wel écht? Zit er bij die de Coninck niet veel meer achter? Ja, het is een hele mooie, ritmische prozatekst, dat zeker, maar de assonanties, de alliteraties, de chiasmen en de andere stijlfiguren vallen me niet zo dadelijk op. Moet ik het met een ander gedicht proberen?
Zo gezegd, zo gedaan en toegegeven, wat ik zonet las was zonder meer 'knap' te noemen. Hij deed iets met haakjes (()) en dat iets was niet niets, om er zelf een wat lullige assonantie tegenaan te gooien. Wat een man, die Herman de Coninck. Iets wat niet van zijn weduwe gezegd kan worden, al was het maar omdat ze geen man is. Maar mocht ze er alsnog één genoemd worden, ze zou haar stomme klep als vanouds weer opentrekken tot er een trein of drie tegelijk door zouden kunnen rijden. Zonde dat ik ontspoor.
Herman dus. Leer het me, Herman. Ik lees je hele 'best of', Herman, en daarna ga ik er eens rustig over slapen. Morgen sta ik op en kan ik het, of nee, ik kan het niet want ik moet studeren. Maar morgen heb ik het wel al in me en na de studies kan ik het dan ook probleemloos aanwenden.
Nee, dat gaat niet gebeuren, Ali.
Als u het volgende leest, gaat u misschien lachen, maar iets soortgelijks ervaar ik met de muziek van Radiohead. Die doe je ook niet zomaar na, heb ik het gevoel. En ik wordt in dat gevoel gesterkt doordat er zovele groepjes geprobeerd hebben Radiohead na te doen maar er allemaal - sommigen hebben enigszins een eigen smoeltje verworven - jammerlijk in gefaald zijn.
Als er u in deze tekst overigens assonanties, alliteraties, chiasmen, epiteton ornantes of dt-fouten zijn opgevallen, gelieve het mij te melden. Zo'n opkikker - leuk woordje hé! - kan ik nu wel gebruiken.
En nu ga ik mij echt waar verdiepen in de poëzie van Herman de Coninck, waarna ik een schoonheidsslaapje zal plegen om morgen wakker te worden met het talent om één van de grootste dichters van de eenentwintigste eeuw te kunnen worden.
Ik neem "De mooiste gedichten van Herman de Coninck" uit de kast en sla het open op zomaar een bladzijde.
Het betreffende gedicht
leest als een prozatekst, maar
staat gewoon als een gedicht
op het blad geordend.
Zo kan ik het ook, denk ik, en dus doe ik het. Maar kan ik het wel écht? Zit er bij die de Coninck niet veel meer achter? Ja, het is een hele mooie, ritmische prozatekst, dat zeker, maar de assonanties, de alliteraties, de chiasmen en de andere stijlfiguren vallen me niet zo dadelijk op. Moet ik het met een ander gedicht proberen?Zo gezegd, zo gedaan en toegegeven, wat ik zonet las was zonder meer 'knap' te noemen. Hij deed iets met haakjes (()) en dat iets was niet niets, om er zelf een wat lullige assonantie tegenaan te gooien. Wat een man, die Herman de Coninck. Iets wat niet van zijn weduwe gezegd kan worden, al was het maar omdat ze geen man is. Maar mocht ze er alsnog één genoemd worden, ze zou haar stomme klep als vanouds weer opentrekken tot er een trein of drie tegelijk door zouden kunnen rijden. Zonde dat ik ontspoor.
Herman dus. Leer het me, Herman. Ik lees je hele 'best of', Herman, en daarna ga ik er eens rustig over slapen. Morgen sta ik op en kan ik het, of nee, ik kan het niet want ik moet studeren. Maar morgen heb ik het wel al in me en na de studies kan ik het dan ook probleemloos aanwenden.
Nee, dat gaat niet gebeuren, Ali.
Als u het volgende leest, gaat u misschien lachen, maar iets soortgelijks ervaar ik met de muziek van Radiohead. Die doe je ook niet zomaar na, heb ik het gevoel. En ik wordt in dat gevoel gesterkt doordat er zovele groepjes geprobeerd hebben Radiohead na te doen maar er allemaal - sommigen hebben enigszins een eigen smoeltje verworven - jammerlijk in gefaald zijn.
Als er u in deze tekst overigens assonanties, alliteraties, chiasmen, epiteton ornantes of dt-fouten zijn opgevallen, gelieve het mij te melden. Zo'n opkikker - leuk woordje hé! - kan ik nu wel gebruiken.
En nu ga ik mij echt waar verdiepen in de poëzie van Herman de Coninck, waarna ik een schoonheidsslaapje zal plegen om morgen wakker te worden met het talent om één van de grootste dichters van de eenentwintigste eeuw te kunnen worden.
VI
Verloren de strijd
om het drieste geloof in
een mooie avond
***
Honger en ijver
nemen beiden een strafschop;
mijn aandacht als doel
***
Ijver op de paal;
honger is een boterham
met veel hagelslag
om het drieste geloof in
een mooie avond
***
Honger en ijver
nemen beiden een strafschop;
mijn aandacht als doel
***
Ijver op de paal;
honger is een boterham
met veel hagelslag
Uitscheuren en bijhouden
Dergelijke mooie interviews lees je niet vaak in Humo, maar Josse De Pauw is, toegegeven, een bijzonder dankbare interviewee. Hoe die mens kan vertellen en hoe prachtig hij 'denkt' en vooral 'kijkt'. Mooier dan jij of ik. Intenser, geobsedeerder, passioneler.
Eerst zijn we op een terras in Parijs, maar niet zomaar natuurlijk. Die Josse De Pauw lijkt niets (en dus tegelijk alles, zeker?) zomaar te doen. Hij observeert vanop de mooiste plek de mooiste dingen en vertelt er dan verhaaltjes over. Wie zijn boek "Werk" gelezen heeft, kan dat enkel maar beamen.
We blijven in Parijs als De Pauw mij meeneemt naar Brussel en daarna naar Antwerpen. Waarom ik nog meer blij ben met dit interview, is omdat ook de interviewer, Mark Schaevers, moet opgemerkt hebben dat hij nog het best De Pauw zelf de lijnen van het verhaal kan laten uitzetten. De Pauw aan het stuur en Schaevers een dankbare notulist.
Ik wil heel graag ook het volledige oeuvre van Josse De Pauw ontdekken nu. Natuurlijk ben ik daar onvermijdelijk veel te laat mee en dat is doodzonde. Nog steeds ken ik geen bal van theater, ook al had ik me dit schooljaar voorgenomen om me er een beetje in onder te dompelen, en ik zou dus niet weten hoe ik zo'n stuk van Josse De Pauw zou moeten catalogiseren. Catalogiseren hoeft toch niet, hoor ik ergens roepen, maar jawel, vind ik: ik moet toch een context hebben om er iets van te begrijpen, zoals ik het ook moeilijk heb met jazz of met klassieke muziek omdat ik amper een context heb. Alsof een mens naar Limp Bizkit luistert, niet weet dat er andere (en betere) gitaarmuziek bestaat en dus maar bij Limp Bizkit blijft plakken. Zo kan ik het toch niet maken om naar een stuk van Josse De Pauw te gaan kijken, er buiten te komen, weinig te voelen en het onmiddellijk te vergeten?
Het mooist aan dit interview vind ik misschien trouwens (die beschreven roadtrip vanuit Parijs even buiten beschouwing gelaten) het feit dat uit alles blijkt dat Josse De Pauw geweldig vrede heeft met wie en wat hij is en met zijn underground-status, want kom, die heeft hij toch onherroepelijk. Dat hij met "Werk" eventjes echt op het voorplan kwam, lijkt iedereen vergeten, en gelukkig maar hoor je De Pauw bijna denken, maar hij heeft geen enkele drang zo'n woorden ook uit te spreken. Wat hem uiteraard nog mooier en waardiger maakt.
Ergens in het interview heeft hij het wel op een eerder schampere toon over een "Woestijnvisgehalte", - het soort gehalte dat duidelijk niet aan hem besteed is - maar hij lijkt op geen enkel moment de noodzaak te voelen daar ook echt diep op in te gaan. Geen frustratie over 1,5 miljoen kijk versus zijn bescheiden bekendheid binnen een niche, geen frustratie over wat in sé vrij populistisch en snel scoren is tegenover zijn aangehouden integriteit, al meer dan dertig jaar lang. Deze man doet zo verdomd graag wat hij doet dat elke 'concurrentie' hem gewoon niet erg deert.
Ja, ik ben blij met dit interview, met wat het met mij doet en waarheen het mij voert - hoe veel 'goesting ' ik ervan krijg. De juiste plaatsen in Antwerpen, de brede straten van Parijs, de voor het oppervlakkige oog verborgen schoonheid van een grijze Brusselse gemeente, theatervoorstellingen natuurlijk ook en zomaar bankjes in het ijle om je ogen de kost te geven.
Uitscheuren en bijhouden dus.
Eerst zijn we op een terras in Parijs, maar niet zomaar natuurlijk. Die Josse De Pauw lijkt niets (en dus tegelijk alles, zeker?) zomaar te doen. Hij observeert vanop de mooiste plek de mooiste dingen en vertelt er dan verhaaltjes over. Wie zijn boek "Werk" gelezen heeft, kan dat enkel maar beamen.
We blijven in Parijs als De Pauw mij meeneemt naar Brussel en daarna naar Antwerpen. Waarom ik nog meer blij ben met dit interview, is omdat ook de interviewer, Mark Schaevers, moet opgemerkt hebben dat hij nog het best De Pauw zelf de lijnen van het verhaal kan laten uitzetten. De Pauw aan het stuur en Schaevers een dankbare notulist.Ik wil heel graag ook het volledige oeuvre van Josse De Pauw ontdekken nu. Natuurlijk ben ik daar onvermijdelijk veel te laat mee en dat is doodzonde. Nog steeds ken ik geen bal van theater, ook al had ik me dit schooljaar voorgenomen om me er een beetje in onder te dompelen, en ik zou dus niet weten hoe ik zo'n stuk van Josse De Pauw zou moeten catalogiseren. Catalogiseren hoeft toch niet, hoor ik ergens roepen, maar jawel, vind ik: ik moet toch een context hebben om er iets van te begrijpen, zoals ik het ook moeilijk heb met jazz of met klassieke muziek omdat ik amper een context heb. Alsof een mens naar Limp Bizkit luistert, niet weet dat er andere (en betere) gitaarmuziek bestaat en dus maar bij Limp Bizkit blijft plakken. Zo kan ik het toch niet maken om naar een stuk van Josse De Pauw te gaan kijken, er buiten te komen, weinig te voelen en het onmiddellijk te vergeten?
Het mooist aan dit interview vind ik misschien trouwens (die beschreven roadtrip vanuit Parijs even buiten beschouwing gelaten) het feit dat uit alles blijkt dat Josse De Pauw geweldig vrede heeft met wie en wat hij is en met zijn underground-status, want kom, die heeft hij toch onherroepelijk. Dat hij met "Werk" eventjes echt op het voorplan kwam, lijkt iedereen vergeten, en gelukkig maar hoor je De Pauw bijna denken, maar hij heeft geen enkele drang zo'n woorden ook uit te spreken. Wat hem uiteraard nog mooier en waardiger maakt.
Ergens in het interview heeft hij het wel op een eerder schampere toon over een "Woestijnvisgehalte", - het soort gehalte dat duidelijk niet aan hem besteed is - maar hij lijkt op geen enkel moment de noodzaak te voelen daar ook echt diep op in te gaan. Geen frustratie over 1,5 miljoen kijk versus zijn bescheiden bekendheid binnen een niche, geen frustratie over wat in sé vrij populistisch en snel scoren is tegenover zijn aangehouden integriteit, al meer dan dertig jaar lang. Deze man doet zo verdomd graag wat hij doet dat elke 'concurrentie' hem gewoon niet erg deert.Ja, ik ben blij met dit interview, met wat het met mij doet en waarheen het mij voert - hoe veel 'goesting ' ik ervan krijg. De juiste plaatsen in Antwerpen, de brede straten van Parijs, de voor het oppervlakkige oog verborgen schoonheid van een grijze Brusselse gemeente, theatervoorstellingen natuurlijk ook en zomaar bankjes in het ijle om je ogen de kost te geven.
Uitscheuren en bijhouden dus.
vrijdag 8 januari 2010
Zes minuten
Vandaag kan ik geen gedichtje plgen, want ik heb haast. Daarom schrijf ik oook met zo veel fouiten. ik heb gewoon geen tijd om ze te verbeteren.
Waarom ik dan toch blog, nu zo? Geen idee eigenlijk, gewoon om aan te tonen dat als je snel typt je echt niet zonder fouten kan schrijven. Behalve dan de vorige zin blijkbaar?
Maar hey, er is toch iets onderwerpsgerelateerd aan deze post. hebt u het filpje van Michel Daerden gisteren in de Kamer gezien? Die man moest in zijn functie als minister van Pensieoenen antwoorden op een vraag van Geert lambert. En wat dus gerelateerd is: die man leekk zzeën van tijd te hebben. Ik overdrijf iet, sla het er maar op na. Die man zei in zes minutes wat een ander in één minuut hadkunnen zeggen. Echt waar.
Als die man alles zes jeer trager doet dan een ander dan wekrt hij 32 uur in een dag. Of nee 48. Als die man alles zes keer trager doet dan, bijvoorbeeld, ik, dan kan die man het nu al wel vergeten om vooor zijn examens te slagen. ik mag mez elf ook wel een beetje haasten als ik het zelf wel nog wil halen.
Daarom nog eens: soory voor de schrijffouten, maar ik heb haast. Ik moet gaan studeren.
Waarom ik dan toch blog, nu zo? Geen idee eigenlijk, gewoon om aan te tonen dat als je snel typt je echt niet zonder fouten kan schrijven. Behalve dan de vorige zin blijkbaar?
Maar hey, er is toch iets onderwerpsgerelateerd aan deze post. hebt u het filpje van Michel Daerden gisteren in de Kamer gezien? Die man moest in zijn functie als minister van Pensieoenen antwoorden op een vraag van Geert lambert. En wat dus gerelateerd is: die man leekk zzeën van tijd te hebben. Ik overdrijf iet, sla het er maar op na. Die man zei in zes minutes wat een ander in één minuut hadkunnen zeggen. Echt waar.
Als die man alles zes jeer trager doet dan een ander dan wekrt hij 32 uur in een dag. Of nee 48. Als die man alles zes keer trager doet dan, bijvoorbeeld, ik, dan kan die man het nu al wel vergeten om vooor zijn examens te slagen. ik mag mez elf ook wel een beetje haasten als ik het zelf wel nog wil halen.
Daarom nog eens: soory voor de schrijffouten, maar ik heb haast. Ik moet gaan studeren.
donderdag 7 januari 2010
V
Haar uurwerk zegt 20:54, haar laptop 20:57
Ze zapt op een driftige draf naar één want
op één wil ze twee televisieshows zien
de eerste van negen tot iets voor tien
de tweede van tien tot ze indommeld.
Ze is 53, in ziekenverlof en
ze mag het er van de dokter van nemen
ja, van Nele krijgt ze vrij spel, zegt ze
en de boodschappen, wel, die brengt Daniëlle.
Mijn uurwerk geeft 21:09
ik draag haar al lang en ze spreekt me nooit tegen
ik ken haar zo goed dat ik glimlachen moet
ze zat nog maar pas of ze viel al in slaap.
't Is twintig na negen als haar ogen weer open
gaan gapend naar een onplezierige plot
de rechter veroordeelt de dealer voor feiten
en zij heeft geoordeeld luidop te gaan snurken.
Die film op Canvas wilde ze ook nog zien
maar dat is mislukt en het is nog geen tien.
Ze zapt op een driftige draf naar één want
op één wil ze twee televisieshows zien
de eerste van negen tot iets voor tien
de tweede van tien tot ze indommeld.
Ze is 53, in ziekenverlof en
ze mag het er van de dokter van nemen
ja, van Nele krijgt ze vrij spel, zegt ze
en de boodschappen, wel, die brengt Daniëlle.
Mijn uurwerk geeft 21:09
ik draag haar al lang en ze spreekt me nooit tegen
ik ken haar zo goed dat ik glimlachen moet
ze zat nog maar pas of ze viel al in slaap.
't Is twintig na negen als haar ogen weer open
gaan gapend naar een onplezierige plot
de rechter veroordeelt de dealer voor feiten
en zij heeft geoordeeld luidop te gaan snurken.
Die film op Canvas wilde ze ook nog zien
maar dat is mislukt en het is nog geen tien.
Vraagtekens zijn uitgevonden voor mensen die het niet weten
Hipsters. Dat woordje, die connotaties. New York. Parijs. Berlijn.
Wat zijn dat, hipsters? Hoe gedragen ze zich? Wie is er één en wie niet? Het lijkt een totaal onafgebakend iets.
Trashy. Edgy. Erover. Erop. Erop en erover. Of juist helemaal niet?
Ongecompliceerd en onbeschaamd homo? Of net heel gewoontjes en heel beslist hetero? Veel geëxperimenteerd, nog steeds experimenterend of zijn ze er nu voor zichzelf wel uit?
Retro. Extravagant. Héél, héél gewoon. Integer. Arty. Nooit farty! Altijd progressief. Gewoon arrogant of gespeeld verlegen?
Voor Obama. Tegen Bush. Of toch iets meer nuance?
Vraagtekens zijn uitgevonden om uitdrukking te geven aan nieuwsgierigheid, maar als ik mezelf aan een gokje mag wagen dan denk ik dat hip zijn op z'n New Yorks vandaag staat voor enigszins belezen overkomen terwijl je dat eigenlijk niet echt bent - dat dan ook in alle bescheidenheid - belangrijk! - toegeven; nuchter zijn en zeggen dat je finaal gekapt bent met drank en drugs en dat je je demonen nu op een positievere manier probeert te bezweren - positief zijn is héél belangrijk; zeggen dat je overal hipsters ziet lopen en dat je er niks meer van begrijpt - je integriteit en eenvoud bewijzen - dat besef is uiteraard ook maar met de jaren gekomen; iets te maken hebben met een mensen- of dierenrechtenorganisatie - heel betrókken zijn.
Wat nog meer? "Dat ik een rolmodel voor de jeugd word genoemd, vind ik een hele eer, maar het is zeker geen opzichzelfstaande ambitie van me. Ik wil de mensen vooral vrijlaten in wat ze doen en denken. Iedereen moet zijn eigen pad kunnen bewandelen. Dat heb ik me gerealiseerd nu mijn vriendin" - iedereen die van dichtbij of van ver met hipheid geassocieerd wordt, heeft natuurlijk altijd wel een vriend(in) - "zwanger is van ons eerste kindje."
Natuurlijk ook heel erg bezig zijn met dat (nakende eerste kindje en het) ouderschap. Heel veel respect hebben voor ouders in het algemeen - je moet het toch maar doen! Het woord 'respect' ook weer niet té veel in de mond nemen - voor je het weet heeft het geen betekenis meer! Je ouders en grootouders de hemel in prijzen voor wat zij gepresteerd hebben - niet zelden waren ze van heel eenvoudige komaf en hebben ze in hun jeugd amper kansen gekregen.
Of dat alles net helemaal niet?
Wat zijn dat, hipsters? Hoe gedragen ze zich? Wie is er één en wie niet? Het lijkt een totaal onafgebakend iets.
Trashy. Edgy. Erover. Erop. Erop en erover. Of juist helemaal niet?
Ongecompliceerd en onbeschaamd homo? Of net heel gewoontjes en heel beslist hetero? Veel geëxperimenteerd, nog steeds experimenterend of zijn ze er nu voor zichzelf wel uit?
Retro. Extravagant. Héél, héél gewoon. Integer. Arty. Nooit farty! Altijd progressief. Gewoon arrogant of gespeeld verlegen?
Voor Obama. Tegen Bush. Of toch iets meer nuance?
Vraagtekens zijn uitgevonden om uitdrukking te geven aan nieuwsgierigheid, maar als ik mezelf aan een gokje mag wagen dan denk ik dat hip zijn op z'n New Yorks vandaag staat voor enigszins belezen overkomen terwijl je dat eigenlijk niet echt bent - dat dan ook in alle bescheidenheid - belangrijk! - toegeven; nuchter zijn en zeggen dat je finaal gekapt bent met drank en drugs en dat je je demonen nu op een positievere manier probeert te bezweren - positief zijn is héél belangrijk; zeggen dat je overal hipsters ziet lopen en dat je er niks meer van begrijpt - je integriteit en eenvoud bewijzen - dat besef is uiteraard ook maar met de jaren gekomen; iets te maken hebben met een mensen- of dierenrechtenorganisatie - heel betrókken zijn.
Wat nog meer? "Dat ik een rolmodel voor de jeugd word genoemd, vind ik een hele eer, maar het is zeker geen opzichzelfstaande ambitie van me. Ik wil de mensen vooral vrijlaten in wat ze doen en denken. Iedereen moet zijn eigen pad kunnen bewandelen. Dat heb ik me gerealiseerd nu mijn vriendin" - iedereen die van dichtbij of van ver met hipheid geassocieerd wordt, heeft natuurlijk altijd wel een vriend(in) - "zwanger is van ons eerste kindje."
Natuurlijk ook heel erg bezig zijn met dat (nakende eerste kindje en het) ouderschap. Heel veel respect hebben voor ouders in het algemeen - je moet het toch maar doen! Het woord 'respect' ook weer niet té veel in de mond nemen - voor je het weet heeft het geen betekenis meer! Je ouders en grootouders de hemel in prijzen voor wat zij gepresteerd hebben - niet zelden waren ze van heel eenvoudige komaf en hebben ze in hun jeugd amper kansen gekregen.
Of dat alles net helemaal niet?
Abonneren op:
Posts (Atom)