vrijdag 17 mei 2019

Ballerina's

 Het begon ermee dat de zool van mijn schoen was losgekomen. Dat leek S. en mij een prima aanleiding om naar een schoenenwinkel te gaan. Niet per se om een nieuw paar schoenen te kopen - de losgekomen zool kon worden hersteld, - maar, gewoon, omdat het altijd wel tof is om in een schoenenwinkel rond te neuzen.

Hoe ik bij de ballerina’s terechtkwam, weet ik niet meer precies. Waarschijnlijk stond S. aan dat rek en ging ik gewoon haar kant op. Nu heb ik altijd een zwak gehad voor (meisjes die) ballerina’s (dragen) en plots leek het me leuk om zelf een paar te passen. Want hé, why not? Wie maalt daar nog om in tijden van m/v/x?
Natuurlijk moest er wel een maat 44 gevonden worden, - je zou niet verwachten dat zulke lieflijke ballerinaatjes in die maat bestaan, maar we vonden warempel een 44 - kennelijk geschikt voor vrouwen van basketballengte - en ik ging aan het passen.
Ik was enthousiast. Mijn ballerina’s maat 44 waren zwart en waren vooraan voorzien van een leuk, eveneens zwart, strikje. Ze pasten perfect. Maar of ik ze daarom ook moest kopen? Goh, zou dat niet wat al te gek zijn? Enkel voor de lol dan, want echt functioneel dragen zou ik ze toch niet. Voor de prijs hoefde ik het alleszins niet te laten. 15 euro voor een paar, ge zoudt er, zoals dat heet, niet voor kunnen sukkelen.
Toch maar niet doen, besloot ik uiteindelijk. Waarom iets kopen waar ik dan verder niks mee kan? Welja, ik zou mijn ballerina’s weleens kunnen dragen als ik met vrienden afspreek (waarmee ik hen dan misschien aan het lachen krijg), maar om een paar schoenen te kopen om ze één of twee keer te dragen (en dan echt louter voor de fun), dat leek me toch wel een beetje idioot.
Toch dacht ik ‘s avonds nog terug aan mijn maatje 44 met zijn schattige zwarte strikjes en hoe goed ze mij pasten, wat een vrolijk gevoel ze mij gaven vooral. Ik zou ze toch maar gaan kopen, nam ik me vooor. En toen ik ‘s anderendaags wakker werd, was ik nog steeds van dat gedacht.
De zenuwen die ik voelde toen ik met de schoendoos naar de kassa liep. Ja, ik was nerveus en een beetje bang voor eventuele rare blikken. Een beetje? Zeg maar gerust héél bang. Ik was absoluut niet op mijn gemak daar tussen de rekken met vrouwenschoenen. Maar ik bleek mij nodeloos zorgen te maken. De verkoopster aan de kassa was heel vriendelijk en stelde geen enkele enge vraag. Ze keek niet eens een heel klein beetje raar, tot mijn grote, gróte opluchting. Ik liep naar buiten met de ballerina’s in mijn rugzak en met een gevoel van vrolijke opluchting.
Bleef wel nog steeds de vraag wat ik verder met dit paar schoenen moest beginnen. Dat ik ze niet in het openbaar kon dragen, had me al vierentwintig uur nogal vanzelfsprekend geleken en dat was na mijn aankoop niet veranderd. Je moet weten, ik wil niet opvallen in het straatbeeld, ik ben daar absoluut niet zelfzeker genoeg voor, ik sta daarvoor - haha - niet stevig genoeg in mijn schoenen. Ik wil liever niet al te hard in de kijker lopen en al helemaal niet door vrouwenschoenen te dragen, stel je voor. Maar nu ik ze gekocht had, kon ik mijn ballerina’s natuurlijk ook niet gewoon in een kast opbergen.
Thuisgekomen trok ik ze dus maar meteen aan en ik kon alleszins onmiddellijk vaststellen dat ‘het’ goed zat. De fijne sensatie die vrolijke ballerina’s te dragen, de zwarte strikjes die ik zo tof vind, qua gevoel was alles nog volledig intact. Puur gevoelsmatig was dit echt absoluut een topaankoop.
Op dit eigenste moment, thuis, draag ik de ballerina’s om mijn voeten een beetje warm te houden (ik heb bijna altijd ijskoude tenen). Ik kijk naar de strikjes en ben blij. Ik zal binnenkort ook wel buiten komen met deze schoenen in een poging om er vrienden mee aan het lachen te maken. Dan vertrek ik thuis met een ander paar schoenen aan mijn voeten, neem ik de ballerina’s mee in een rugzak en trek ik die aan net voor ik de betreffende vriend ontmoet.
En kom ik toch eens in een situatie terecht waarin iemand mij vervelende vragen stelt over mijn opmerkelijke schoeisel, dan antwoord ik gewoon dat ik dit voorjaar in Williamsburgh, New York, ben geweest en dat alle mannen daar ballerina’s dragen, dat de trend gewoon nog niet naar hier is overgewaaid maar dat het slechts een kwestie van weken is voor de hipsters ze ook hier en masse zullen beginnen te kopen.
Dat lijkt me een geloofwaardige uitleg. Begin tegen mensen over hippe modetrends uit Williamsburgh, New York en je kan ze eender wat wijsmaken.

woensdag 1 mei 2019

Pynchon & Wallace

 Op zich vind ik het niet zo relevant om me uitgebreid af te vragen waarom ik een welbepaald boek lees. Ik lees een welbepaald boek omdat het me op een of andere manier aanspreekt, niet meer of niet minder. Maar als ik me dan toch de vraag stel waarom ik boek x lees dan doe ik dat kennelijk omdat ik er niet zeker van ben dat het rendement dat ik haal uit het lezen van het betreffende boek zijn tijdsinvestering wel waard is. Ja, inderdaad, ik kan er maar beter meteen begrippen als ‘rendement’ en tijdsinvestering’ bijsleuren. Die passen we tegenwoordig immers op vrijwel alles toe en dus ook zeker op het lezen van een roman (want ik heb het hier over fictie, niet over (in het algemeen sneller concreet renderende) non-fictie).

Wat levert dit mij op? Ik heb me herhaaldelijk deze vraag gesteld tijdens het lezen van ‘Infinite Jest’ van David Foster Wallace en nu ook bij ‘Gravity’s Rainbow’ van Thomas Pynchon - twee boeken die heel veel tijd en aandacht van een lezer vragen.
Verrassend genoeg bleek het echter steeds om een retorische vraag te gaan, een vraag die geen antwoord behoefde. En als er al een antwoord op de vraag was dan zou het er op neerkomen dat ik met het lezen van deze boeken een ‘ervaring’ heb opgedaan, een ervaring die niet noodzakelijk voor rendement zorgde, maar die ik wel voor nog een hele lange tijd zal kunnen koesteren. En nu ik erover nadenk heeft het wel degelijk concreet gerendeerd om deze boeken te lezen: ze hebben mij allebei uitgebreid doen stilstaan bij het godgeklaagde fenomeen dát tegenwoordig zowat alles moet renderen. En ik heb tijdens het lezen van deze boeken vastgesteld dat ik met plezier tegen deze tendens wil ingaan.
‘Infinite Jest’ en ‘Gravity’s Rainbow’ vragen heel veel van een gemiddelde lezer. Heel veel althans in vergelijking met - ik noem het eerste boek dat in mij opkomt - ‘De helaasheid der dingen’. Om te beginnen zijn beide boeken drie à vier keer zo dik als ‘De helaasheid der dingen’, maar je moet er om alles te kunnen begrijpen ook drie à vier keer beter je kop bijhouden tijdens het lezen. Beide vuistdikke boeken zijn geschreven in het soort taalregister dat je misschien wel nergens anders aantreft in de moderne literatuur. In ‘Infinite Jest’ - 1000 kleinbedrukte pagina’s + 200 nog kleiner bedrukte pagina’s met eindnoten - kom je ellenlange passages tegen die zo lijken weggeplukt uit een vakblad voor academici die opereren in een verre uithoek van de wetenschap, en Thomas Pynchon toont zich in ‘Gravity’s Rainbow’ een kampioen in pagina’s lange quasi nutteloze, zij het vaak prachtige, uitweidingen over, bijvoorbeeld, de natuur, waardoor je als in je gedachten afdwalende lezer steeds opnieuw van de sporen sukkelt die in feite het werkelijke verhaal vormen. Het zijn dit soort zaken waarop een lezer met een overvolle agenda heel snel zal afknappen wanneer hij er al in het eerste hoofdstuk mee te maken krijgt. Waar gaat dit in godsnaam over, kan hij zich dan afvragen. En: heb ik misschien niks beters te doen? Wat héb ik hieraan - hoe zal dit renderen? Wel, als ik die vraag dan toch beantwoord: je krijgt hier te maken met een doorlopende stroom van verrassingen, met een bombardement van rariteiten en andere gekkigheden waarvan je nooit had gedacht dat een mens ze kon bedenken en waarvan je vermoedt dat geen andere schrijver in staat is om deze te produceren - waarom anders zijn Pynchon en Wallace absolute cultschrijvers? Je breekt je al lezend het hoofd over de drijfveren van Wallace en Pynchon - en in één ruk ook over de drijfveren van de mens als zodanig - en gaat op internet alles lezen wat er over hen te vinden is. Je hebt als lezer ook het gevoel dat je in een select gezelschap terechtkomt van mensen die ‘het’ ook hebben klaargespeeld, die kunnen weten welke inspanning je hebt geleverd door Wallace of Pynchon te lezen. Het lezen van deze boeken vormt misschien het equivalent van wat men in de sport een ‘strijd tegen de elementen’ zou noemen. Je trotseert onaangenaam lange, extreem gedetailleerde, niets concreet toevoegende omschrijvingen van onbenulligheden, moet soms tot het uiterste gaan om er je geduld niet bij te verliezen en verlegt je grens telkens wanneer je weer zo’n godgeklaagde passage doospartelt en in een meer toegankelijk deel van het verhaal terechtkomt, waar je weer even op adem kan komen vooraleer je opnieuw aan het zwoegen moet. En hoewel dat alles dan niet rendeert in de gangbare betekenis van het woord gaat die geleverde inspanning dikwijls samen met een gevoel van diepe tevredenheid. Te weten dat je zo’n boeken aankan, geeft je een boost. Je bent een man van de lange adem en hebt bewezen dat je aandachtsspanne die van een goudvis overstijgt.
Sinds ik ‘Infinite Jest’ (en ‘Gravity’s Rainbow’) gelezen heb, ben ik iemand die zich kan toeleggen op dingen die in de ogen van vele anderen in niets concreets zullen resulteren. En daar ben ik blij om.

vrijdag 19 april 2019

Dagje Brussel

 Dus ik zoals elke donderdag naar Brussel om te betogen voor een ambitieuzer klimaatbeleid. Ik rep me naar het Bolivarplein aan de achterkant - of is het de voorkant? - van station Brussel-Noord, maar er is daar vandaag geen betoger te bespeuren. Het is 10:40 nochtans en zouden we niet, net als vorige week, tegen 10:30 verzamelen? Maar er is dus niemand vandaag (gisteren), zelfs ook geen verdwaalde (of verdwaasde) PvdA’er die, joint tussen wijs- en middenvinger, roept dat hij weg wil met het kapitalisme.

(‘s Avonds zal ik op internet lezen dat de spijbelaars Brussel een week hebben overgeslagen en dat ze op het strand in Oostende zaten. Goed voor hen. Opwarming of niet, iedereen houdt wel van een dagje stralend weer. En dan zit je natuurlijk goed aan de zee.)
Ik sta dus aan Brussel-Noord en moet toegeven dat ik niet echt rouwig ben om het feit dat ik geen betogers aantref. Al dat betogen, er zijn echt wel plezieriger dingen in het leven. Wat mij er het meest aan tegenstaat is het aanhoudende kabaal, twee uur aan een stuk door. ‘What do we want? Climate justice! When do we want it? Now!’ Vorige week had ik mijn koptelefoon al bij en ook vandaag heb ik mijn voorzorgen genomen. Ik luister naar een podcast met Johannes Verschaeve van The Van Jets.
Het zou een beetje onnozel zijn om meteen weer de trein naar huis te nemen, dus ik stap zomaar tram 4 richting Stalle op. Benieuwd welk landschap ik onderweg zal passeren. Vorig jaar heb ik het Vijverspark in Anderlecht ontdekt door willekeurig op een tram te stappen en het Vijverspark in Anderlecht is sindsdien mijn favoriete plek binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ik plan er later vandaag opnieuw heen te gaan.
Tram 4 Stalle heeft zijn terminus in Ukkel, maar er valt weinig te zien langs het traject. In Ukkel stap ik op de tram naar Kasteel Drogenbos, maar ook daar ben ik snel rond. Dan maar tram 82 naar Sint-Agatha-Berchem. (Berchem-Saint-Agathe voor de Franstaligen - anders hebben die geen idéé waar je het over hebt. Hetzelfde geldt voor haltes met namen als Maalbeek of Mennekens. In de tram wordt dat Maalbéék en Mennekéns. Eigenlijk is het volslagen debiel om een Vlaamse naam op z’n Frans uit te spreken, maar bon, blijkbaar is het voor een Franstalige gewoon niet te doen om de klemtoon op een andere lettergreep dan de laatste te leggen. Ik bedenk me trouwens dat ik me nergens sterker bewust ben van mijn Vlaming-zijn dan in Brussel. In Brussel ben ik zó’n Vlaming dat het bijna pijn doet.)
De lijn naar Berchem-Saint-Agathe heeft zijn terminus aan het shoppingcentrer aldaar. Ik loop de Carrefour hypermarché in voor een cola. Het te lang noodgedwongen achterwaarts op de tram zitten heeft me een beetje misselijk gemaakt. Intussen zijn we rond het middaguur en het is waanzinnig mooi weer. Ik slenter langs de Steenweg op Gent en speur zo’n beetje naar toevallige eigenaardigheden. Industrial Cleaning Demir staat er op een plakaat aan een huis geschreven. Die is goed. Demir. Industrial cleaning. N-VA. Opkuisen. Industrieel opkuisen. De concentratiekampen.
Jeetje. Zuhal en kornuiten moesten het weten. Misschien hebben ze hier hun inspiratie gehaald?
(De Belgische politiek is te reduceren tot een strijd van de mot tegen de mier. Van Rudi tegen Zuhal. Van het ‘PS-model’ tegen het ‘N-VA-model’. Daarmee is alles gezegd. Schort maar op al die debatten. Bol het af, Ivan De Vadder.)
Voor een appartmentsblok in Saint-Agathe stoot ik op een bronskleurig ijzeren beeld van een neushoorn. Wat doet die daar? En dan dit, heel lollig: op een deurbel lees ik de naam Sögüt. ‘How are you today?’ ‘I ain’t feeling sögüt.’ Turks waarschijnlijk.
Even verderop weerklinkt vanuit een raam het gestuiter van pingpongballen. Ik loop snel door vooraleer mijn goesting om te pingpngen ondraaglijk wordt. Pingpongen! Wat is er leuker?
Het is toch uiterst bizar hoe het Nederlands de facto volledig uit Brussel verdwenen is. Ik voel mij hier een buitenstaander, een Vlaming, een absolute minderheid. Niet dat dat een probleem is, per se, maar tramhaltes met namen als Mennnekens en Karreveld (Karrevéld voor de Franstaligen) herinneren aan een verleden waar nu geen spoor meer van over is. Karreveld en Mennnekens (en zovele andere plaatsnamen binnen het hoofdstedelijk gewest) vertellen ons dat de voertaal hier ooit het Nederlands was. Edoch, die tijden zijn lang voorbij.
(‘t Is wel te hopen dat de soepjurken/baardapen Brussel niet volledig naar hun hand zetten binnen dit en een aantal decennia, en dat Karreveld niet wordt omgedoopt tot Al-Sjakkamakka ofzo. Dat zou ik minder leuk vinden.)
(Ken jij trouwens een stad waar je met de tram én in Zweden én in Monaco én in Betlehem kan passeren? Brussel heeft zelfs een tramhalte die Orban heet. Onze hoofdstad is één groot tranendecor.)
Aan tramhalte Joseph Baeck is een aagenaam park gelegen en ik besluit om daar eventjes op een bank te verpozen. Ik lees een artikel in DS Weekblad over Manfred Weber, de Duitse ‘Spitzenkandidaat’ voor de EVP bij de Europese verkiezingen. Weber behoort tot de christendemocraten en moet Viktor Orban in zijn fractie dulden. Welja, ‘moet’, hij moet dat natuurlijk niet, maar als hij Commissievoorzitter wil worden kan hij de stemmen voor Fidesz goed gebruiken. De opportunist.
Ik lees een deel van het artikel (geschreven door journalist Ruud Goossens - zoon ván maar goed bezig op zijn eigen) en besluit de rest in het Vijverspark te lezen. Want ik neem de tram terug richting Brussel-Zuid en stap daar op lijn 81 Marius Rénard, richting mijn geliefde Vijverspark.
(Tijdens de rit verbijstert het mij andermaal hoe fietsonvriendelijk Brussel is. Op héél veel plaatsen in het Gewest zijn géén voorzieningen voor fietsers. Géén. Dat houd je anno 2019 toch niet voor mogelijk? Ik ben geen fan van Brussel en dat heeft alles met het wanbeleid te maken dat in die stad (of in die 19 gemeentes) gevoerd is en nog steeds wordt. Het is gewoon hallucinant hoe die stad op zo veel vlakken mismeesterd is.)
Oh, mijn liefde voor het vlakbij het stadion van RSC Anderlecht gelegen Vijverspark is volledig intact gebleven sinds ik er ergens in de herfst voor het laatst kwam. Wat zo zalig is aan dit park zijn met name de vele eenden, ganzen en zwanen die er ronddobberen of langs de vijvers heen en weer hobbelen. Met ganzen en zeker met zwanen moet je wel uitkijken, die beesten kunnen gevaarlijk uit de hoek komen. Wanneer ik een man zie proberen om een zwaan te voederen, maak ik dan ook dat ik wegkom. Een zwaan uit je hand laten eten is echt een achterlijk idee. Een zwaan moet trouwens het enige dier zijn dat én sierlijk én eng is. Die lange nek (en die kop) geeft mij alleszins een beetje de krieps.
Bizar genoeg is ook het ruisen van de auto’s op de vlakbij gelegen autostrade een meerwaarde voor de Vijversparkbeleving. De snelweg ligt net ver genoeg van het park om niet te storen en het lichte geruis heeft een bepaald rustgevend effect. Heel gek.
Ik zoek mij een rustig plekje in de schaduw en ga voor het eerst in 2019 languit op mijn rug in het gras liggen. Mijn pet trek ik over mijn ogen en ik doezel een eindje weg. Vanochtend had ik een enorme kutdroom en ik werd pisnijdig wakker; zoiets had ik nooit eerder meegemaakt; ik werd wakker en ik was bóós. Ik droomde dat ik met mijn moeder aan een bushalte stond, dat ik teken deed naar de chauffeur dat hij moest stoppen, dat ik aangaf dat ik nog even iets in de vuilbak wilde gooien, dat de chauffeur mijn signaal negeerde en weer optrok, dat ik bijna gek werd van verontwaardiging en dat mijn moeder zei dat zo’n dingen nu eenmaal kunnen gebeuren. Zelfs als ik het nu, ruim 24 uur later, opschrijf, word ik er nog ambetant van. Omdat mijn moeder echt tot zoiets in staat zou zijn. En buschauffeurs natuurlijk al helemaal.
Maar ik lig dus te soezen in het Vijverspark en als ik daar na enige tijd genoeg van krijg loopt het ook al tegen zessen. Ik heb een hele namiddag in het Gewest rondgehangen, zonder zelfs maar in de buurt van, bijvoorbeeld, de Pêle-mêle te komen, of andere adresjes in het centrum die ik soms met mijn bezoek vereer. (Een tijd geleden was ik zeer gecharmeerd door L’atelier en ville in de Hoogstraat. Check zelf maar wat ze daar doen en hoe.)
Ik ga terug naar Brussel-Zuid, stap daar op de trein en ben nog op tijd om in de bibliotheek (die op donderdag tot 20u open is - waarvoor hulde) op internet te lezen dat er vandaag effectief geen klimaatbetoging in Brussel heeft plaatsgevonden.
Zo hoef ik me dus helemaal nergens schuldig over te voelen.
Volgende week weer klimaatbetogen. Als ik het combineer met een andere activiteit blijft het wel draaglijk.

donderdag 27 december 2018

Homo Deus

 ‘Sapiens’ is uit en dus ben ik maar meteen ‘Homo Deus’ gaan kopen. Yuval Noah Harari slaat spijkers met koppen en ontmaskert religie op overtuigende wijze als een verzinsel van de mens. Wij zijn neven van de chimpansees, zegt Harari. Zo simpel is dat. Hoogstens stellen religies - of het nu gaat om het christendom, het nationalisme, het kapitalisme,.. - grote groepen mensen in staat om aan hetzelfde zeel te trekken. Zonder zijn vermogen tot het bedenken van verzinsels zou de mens zich niet onderscheiden van andere dieren. Mochten mensen niet tot fantasie in staat zijn dan zouden ze elkaar op nog veel frequentere basis de kop inslaan.

Ik heb geweldig veel zin om nu aan ‘Homo deus’ te beginnen omdat de laatste hoofdstukken uit ‘Sapiens’ mij bijzonder hebben gefascineerd. Er wordt de lezer in die laatste hoofdstukken een beeld gepresenteerd van de huidige mens, de mens aan het begin van de eenentwintigste eeuw, en van hoe die mens lijkt te denen dat hij wel het logische sluitstuk moet zijn binnen de grote evolutie van de soort.

Harari haalt dat beeld onderuit en stelt dat wij als homo sapiens maar een schakel zijn in een proces dat nog lang niet afgelopen hoeft te zijn. Wij, homo sapiens, met al onze kleine en grote zorgen, met al onze ziektes en politieke twisten, wij hoeven helemaal niet het eindpunt van de menselijke evolutie te zijn. We zijn trouwens al volop aan het bewijzen dat we maar een tussenschakel zijn, een nieuwe mensensoort is al op komst.

De homo sapiens is veel te gebrekkig, zowel lichamelijk als geestelijk, om een eindpunt te kunnen zijn. Wij ervaren nog veel te veel kwesties als ‘problemen’, kwesties die voor toekomstige mensen helemaal niet problematisch hoeven te zijn. Hoezo kapitalisme, hoezo christendom? Wat een gedoe! De mens van de toekomst rekent naar alle waarschijnlijkheid af met die fabeltjes.

(In dat opzicht is het trouwens lollig dat Barack “God bless you” Obama lovend is over dit boek.)

Ik zal ook uit ‘Sapiens’ onthouden dat mensenrechten niet bestaan.

Natuurlijk hoefde ik ‘Sapiens’ niet te lezen om dat te beseffen (want op welke basis zou de mens zichzelf rechten mogen toekennen?), maar toch weer eens handig om het geschreven te zien staan in een Zeer Interessant Boek.

Ik begin de indruk te krijgen dat dit boek (nu al) mijn kijk op de mensheid veranderd heeft.

Te weten dat wij, homo sapiens, slechts een tussenschakel zijn binnen de evolutie, het voelt haast aan als een bevrijding.

Oh, en ook nog dit. Ons streven naar geluk is ridicuul. Middeleeuwse boeren waren niet noodzakelijk ongelukkiger dan wij, zegt Harari. Ze waren er alleszins niet door geobsedeerd (wat natuurlijk ook helpt).

Het is biologisch (of biochemisch) bepaald in welke mate iemand gelukkig kan zijn en aan ieders geluk zijn grenzen. Harari spreekt van mensen wier geluk tussen 10/10 en 6/10 schommelt, met 8/10 als gemiddelde. Evengoed zijn er mensen wier geluk fluctueert tussen een maximum van 8/10 en een minimum van 3/10. Deze laatste groep kan onmogelijk een geluksstaat van 10/10 bereiken, hoezeer ze daar ook zijn best voor doet. Het kan gewoon niet.

En dat kan je jammer vinden, maar daar schiet je niks mee op. Kan je je lot toch niet aanvaarden? Verdiep je dan in het boeddhisme. Want het boeddhisme, ja, dát houdt steek - serieus.

*

Ondertussen in ‘Homo Deus’ begonnen. Wat een waanzinnig goed boek! Ik ga er mee slapen en sta er mee op.

Mogelijks later meer daarover.

dinsdag 25 december 2018

Opvoeder

 Ik heb mij vorige week serieus opgewonden tijdens een gesprek met iemand die ik heel goed ken. Deze twintiger met veel meer intellectuele bagage dan zijn gemiddelde leeftijdsgenoot volgt momenteel een opleiding tot opvoeder en in dat kader moet hij stage lopen bij een kinder- en jongerenwerking. Toen hij begin oktober aan die stage begon, was hij enthousiast. Hij vond het fijn om de leefwereld van de kinderen te leren kennen en beschouwde zijn engagement zelfs als een constructieve bijdrage aan de opbouw van de samenleving. Hij was er sterk van overtuigd, zei hij, dat een maatschappij alle nodige middelen moet inzetten om kinderen de kansen te geven die ze nodig hebben om zich te kunnen ontplooien, zodat ze later op hun beurt een constructieve bijdrage aan de maatschappij kunnen leveren.

Helaas, twee maanden later heeft het idealisme van deze twintiger plaatsgemaakt voor een soort doffe ontgoocheling en hij denkt er nu over na om met zijn stage te kappen. Anders dan hij had verwacht, worden de kinderen in deze jongerenwerking door hun begeleiders nauwelijks gestimuleerd om iets productiefs te ondernemen. Men knijpt een oogje toe voor baldadig gedrag en slaat een twaalfjarige zomaar een badmintonracket stuk, welja, ach, dan koopt men toch wel een nieuwe.
De anarchie heerst, zegt de twintiger. Jongeren komen overal mee weg en dat hebben ze zelf maar al te goed in de gaten. Ngenjarigen kopiëren dan ook zorgeloos het gedrag van wat oudere jongeren en zien er op hun beurt geen graten in om het kot op stelten te zetten wanneer zij dat willen. Intussen laten begeleiders betijen, of toch zo goed als.
Wat is hier aan de hand? Er stellen zich verschillende problemen.
- De jongerenwerking is onderbemand, er zijn chronisch onvoldoende begeleiders aanwezig om alles te kunnen overzien. De begeleiders zijn de eersten om dit te beamen, maar ja, “zo is het nu eenmaal, de middelen zijn er niet om meer opvoeders aan te werven”. Dat is natuurlijk niet de schuld van de kinderbegeleiders zelf, nee, dat is een probleem dat door bevoegde instanties moet worden aangepakt.
- De overheid maakt veel te weinig geld vrij om in degelijke kinderwerkingen te voorzien. Dit verzuim kan nare gevolgen hebben omdat slecht begeleide kinderen zich niet naar behoren kunnen ontwikkelen. Vaak zijn het kinderen uit een kansarm milieu die naar een kinderwerking komen. Deze kinderen, een hoog percentage van hen heeft een migratieachtergrond, krijgen meestal al niet erg veel ‘mee’ van thuis en de meesten onder hen hebben een taalachterstand, wat hun kansen voor de toekomst nog verkleint.
- De opleiding tot opvoeder is niet bijzonder ambitieus. De twintiger spreekt van klasgenoten die er de kantjes van aflopen en tijdens de les computerspelletjes spelen. Als intellectueel, als iemand met een uitgebreide feitenkennis, word je binnen deze omgeving beschouwd als een buitenbeentje, een curiosum. Dit is bij uitstek problematisch omdat het precies hoogopgeleiden zijn die het verschil kunnen maken in een kinderwerking. Het zijn universitairen die jongeren kunnen stimuleren en hen ideeën kunnen aanreiken die ze anders misschien nooit te horen zouden krijgen. Ik heb de twintiger uitdrukkelijk gezegd dat het enorm belangrijk is dat hij als opvoeder aan de slag gaat of het toch op z’n minst probeert. Elke kansarme jongere die hij kan prikkelen met nieuwe ideeën kan winst opleveren voor de maatschappij. Het is hij die van een kansarme jongere een kansrijke jongere kan maken. Maar dan moet onze twintiger natuurlijk wel het gevoel krijgen dat hij voor zijn inbreng wordt geapprecieerd.
- Jongerenwerkingen kennen een gigantisch verloop van stagiairs wat ervoor zorgt dat kinderen geen band kunnen opbouwen met begeleiders. Dit is een heel groot probleem, een probleem dat zich ook stelt in het onderwijs en in de pleegzorg. Dat lijkt me verder wel duidelijk.
En over dat alles heb ik me vorige week dus boos gemaakt.
Over de geëngageerde twintiger die ontmoedigd raakt als hij vaststelt dat de overheid onvoldoende investeert in het welzijn van kinderen (zij het in kinderopvang, school of pleegzorg - allemaal hyperbelangrijk voor de ontwikkeling van een kind).
Als we dit als maatschappij niet snel serieus gaan nemen - en ik maak mij daarover geen illusies - zullen we zeer binnenkort waarschijnlijk op de blaren moeten zitten. En we zullen er niet mee wegkomen om de jongeren met de vinger te wijzen.
Wie was trouwens weer die minister die de kinderarmoede ging halveren?
Die lijkt wel van de aardbol verdwenen.
Roen Hetzwoen en Hilde Van Wijnsberghe

donderdag 20 december 2018

Grof

 Iedereen weet dit, maar toch.

Om van hem af te geraken is het zaak om gewoon niets meer van je te laten horen.
Niet via sms, niet via Facebook en neem ook zeker nooit op als hij belt.
Je bent hem geen verklaring verschuldigd (als hij je vraagt waarom je niet meer antwoordt).
Deze regels pas je toe op zowel mannen die gevoelens voor jou hebben maar evengoed op mannen met wie je ‘gewoon bevriend’ bent (geweest).
Jij dumpt hen wanneer jij dat wil.
Net zoals jij weer contact met hen opneemt wanneer jij dat wil.
Want een man is als een hond. Je kan hem tien keer straal negeren maar de elfde keer zit hij nog steeds te kwispelen met zijn tong uit zijn bek.
Jij bent de baas.
*
Zelfs ik ben al enkele keren het ‘slachtoffer’ geweest van dit mechanisme.
Jazeker, #MeToo.
En het heeft mij gedegouteerd.
Maar verder geen klachten.
(En trouwens, ik wil niet alle vrouwen over één kam scheren. Er zijn uitzonderingen.)
(Ik begrijp ook perfect waarom vrouwen dit mechanisme toepassen. Als je de deur op slot doet, kan hij er zijn voet niet tussen steken, ‘met alle gevolgen vandien’. Het voordeel van de duidelijkheid. Maar het blijft natuurlijk grof om een man niet uit te leggen waarom je hem dumpt. Het blijft natuurlijk grof.)

zaterdag 8 december 2018

Het grote dictee

 Rare avond gisteren.

Ik nam deel aan ‘Het grote dictee heruitgevonden’, een initiatief van de bibliotheek van Mechelen dat nu in allerlei bibliotheken te lande navolging krijgt en zo ook dus in Bibliotheek Tweebronnen in Leuven. Het dictee bestond uit twee oefeningen: eerst was er een klassiek gedeelte waarin men zinnen foutloos moest proberen te schrijven en daarna was er een deel waarin men letters kon verzamelen door gedicteerde woorden foutloos te schrijven, en met deze letters, twintig in totaal (tenminste als je alle letters of het grootste deel ervan wist te verzamelen), was het mogelijk om een woord van twintig letters te vormen.
We waren daar met een man of vijftig, schat ik, en heel wat mensen - vooral vrouwen van tussen de 50 en 65, duh - waren met vriend(inn)en gekomen. Zelf was ik daar (uiteraard) in mijn eentje en ik had zelfs met niemand over dit evenement gepraat (ik had er geen aanleiding toe gezien en had ook niet het gevoel gehad dat ik dit zo nodig wilde ‘delen’). Er waren ambitieloze toeristen, zoals ikzelf, onder de deelnemers, maar evengoed zaten er strevers tussen die weten dat het ‘johnlennonbrilletje’ is en niet ‘John Lennonbrilletje’.
Lang verhaal heel kort: ik was daar de winnaar van dat spel.
‘t Is te zeggen: ik won het onderdeel om het langste woord te vormen. Tot mijn grote verbazing sloeg ik er als enige deelnemer in om ‘bibliotheekbezoekers’ te leggen. Er bleken nog verschillende mensen te zijn die de twintig letters hadden weten te verzamelen, maar geen van hen had alle twintig letters op hun juiste plaats gezet. Hoe was dat in godsnaam mogelijk? Het lag zo voor de hand. Drie b’s... En we waren ín een bibliotheek.
Als winnaar van dit onderdeel (voor het andere onderdeel zat ik niet in de top vijf) werd ik op het podium geroepen en ik kreeg behalve drie kussen van Phara de Aguirre (die de avond in goede banen leidde) ook een boekenpakket* cadeau.
Vanuit de zaal weerklonk een beleefd applaus. Niemand kende mij, dus kon er ook niet gejoeld worden, ofzo. Phara de Aguirre vroeg mij naar mijn job. Ik antwoordde dat ik werkloos ben, om er (voor het gênant zou worden) snel aan toe te voegen dat ik van opleiding journalist ben. “Een journalist die goed kan schrijven, die kunnen we wel gebruiken”, sprak Phara de Aguirre in de microfoon.
Ik haastte me het podium af en hier en daar feliciteerde iemand me met mijn blijkbaar opmerkelijke prestatie. De avond was voorbij en mensen begonnen met hun gezelschap na te kaarten over de moeilijkheidsgraad van het dictee (relatief gemakkelijk, waren de meesten het erover eens). Omdat ik daar alleen was, kon ik in principe maar beter meteen naar huis gaan, maar ik merkte dat ik me daar toch niet helemaal goed bij zou voelen. Ik had net een onderdeel van dit spel gewonnen, op het podium gestaan, applaus en een boekenpakket in ontvangst mogen nemen - ik wilde nu toch, al was het maar heel even, met iemand hier over spreken. Het was allemaal zo totaal onverwachts gebeurd. Ik stond bij wijze van spreken nog wat na te trillen op mijn benen (ik word zéér nerveus als ik voor een groep mensen moet spreken, zelfs al zijn het maar drie zinnen).
Gelukkig was de uitbater van het bibliotheekcafé aanwezig om de mensen van drankjes te voorzien. Omdat ik die man een beetje ken, kon ik nog wat met hem kletsen alvorens naar huis terug te gaan met mijn boeken. Phara de Aguirre kwam mij vragen waar ik had gewerkt als journalist en waarom ik nu werkloos ben. Ik sprak over een ‘hobbelig parcours’ en dat ik in 2012 op de VRT had gewerkt in het kader van een project rond de gemeenteraadsverkiezingen. “Er komen binnenkort weer verkiezingen aan”, lachte Phara de Aguirre veelbetekend, waarna ze vertrok.
Het was echter al op het podium dat ik de ‘ernst van de situatie’ had ingezien. Daar stond ik op een verhoog en redelijk eenzaam als beste van een vijftigtal deelnemers. Ik had dat twintigletterwoord onmiddellijk gevonden. Onmiddellijk. Omdat ik me weleens met het vormen van anagrammen vermaak misschien, maar toch. Niemand anders had dat woord gevonden en mij had het zo eenvoudig geleken. Wat wilde dat nu zeggen over mij? Dat ik een 'goed taalgevoel' heb? Ik vrees van wel. En al op het podium had ik beseft dat het toch triestig is dat ik daar niet echt iets mee doe in mijn dagelijks leven (een professioneel leven heb ik überhaupt niet).
Maar ik zette die gedachte van me af toen ik op de bus naar huis stapte en als ik dit nu opschrijf dan doe ik dat in alle rust. Welja, ik houd wel wat zogenaamde ‘mixed feelings’ aan deze avond over, maar het plezierige haalt het toch makkelijk van het treurige. Niettemin stemt het gisterenavond gebeurde tot nadenken.
* Het boekenpakket, dat heel mooi was ingepakt, bevat ‘Trouweloos’ van Karen Slaughter en ‘Ter voorbereiding op het volgende leven’ van Atticus Lish.

woensdag 5 december 2018

Je telefoneert me niet meer

 Je telefoneert me niet meer

Je telefoneert me niet meer
Was het dan laatst de laatste keer dat je de moeite nam om me te zeggen dat ik zo interessant ben
Dat ik je amuseer en een plezante man ben
Dat ik een gast met een verhaal en met een hoop talent ben
Vond je dan niet écht dat ik de mooiste woorden ken en originele ideeën weet te ontlokken aan mijn pen
Dat ik een goeie minnaar zou zijn die niet zomaar naar de juiste plaatsen gaat
Die niet op de hoogte wenst te zijn van andermans interessant doenerige doen en laten
Die galant de precieze maten van jouw outfits kent en minder in stemhokjes dan in pashokjes denkt
Die niet zwenkt in zijn oordeel daar waar jij bijna zijn spiegelbeeld bent
Alsof ik een trein ben, zo zei je, die je bereid zou zijn te nemen, naar waar hij ook rijdt
Dat ik, welaan dan, iemand ben op wie ik zelf verliefd zou kunnen worden, grapte je
Als ik niet was wie ik was, een ander smaakvol iemand was, die uit mijn lichaam kon ontsnappen
Dat ik dan bijvoorbeeld als ik mij zou zien een beetje zoals jij zou kunnen zijn
Want jij en niemand anders zegt precies te weten wie ik ben en jouw oordeel, ja, dat houdt me bezig
Maar toch, waarom daarover het nadeel en niet het voordeel vrezen
Wie is die gast, zou ik dan kunnen denken, die tast zonder te vinden, die kwast die niet kan verven
Die door de straten zwerft, niet in staat is om te werken, niet in staat om op te merken
Dat zijn wezenloze blik de wereld rond hem heen verbrijzelt
Alsnog een onwijze blok is aan jouw been
En jou daarom niet durft te bellen om eerlijk te vertellen dat hij net zo veel houdt van jou
Wanneer jij me telefoneert en mij bezweert dat je gelukkig bent
Met mij, een vent - zo noem je mij - die jou begeert, bijna vereert of dat althans beweert
Maar nu bel je niet meer en schrijf ik dit gedicht want ik wil zo veel meer van jouw aandacht op mij gericht

zaterdag 10 november 2018

Tijd voor mezelf

Ik krijg nu tijd voor mezelf
Eindelijk
Ik krijg nu tijd voor mezelf
Onvermijdelijk

Ik was oneindig vele jaren bang om door de mand te vallen
Flexibel maar verlamd van angst om kansen te verknallen
Alleen maar als ik terugdenk aan hoe moeilijk dat wel was
Ik was een profiteur van politieke caritas
Van zevenhonderd euro om mijn mondje dicht te houden
Een som die je verplicht om in te trekken bij je ouders
Vernederend om in mijn stad geen kot te kunnen huren
Tenzij misschien een krot met kakkerlakken op de muren
En dat je voor je coach maar een profiel bent in een map
Is voor je psychisch welzijn misschien wel de zwaarste klap

Klap
Je zet dan toch die stap
Een keuze die een mens kan maken maar die jij snapt
Tot iemand je een inzicht aanreikt dat je nog niet kende
Een nieuwe koffer dropt met nog een ander soort ellende
En hoe je daar mee omgaat is natuurlijk jouw beslissing
Maar wat ik deed op dat moment leek mij toen geen vergissing
En dat ik niet gewacht heb op wat zou kunnen gebeuren
Dat opent nu plots zomaar alle mogelijke deuren

Want ik krijg tijd voor mezelf
Uiteindelijk
Ik krijg nu tijd voor mezelf
Onvermijdelijk

En heel geleidelijk
Raak ik daar nu aan gewend
Een situatie die ik eigenlijk nooit eerder heb gekend
Ik praat over mijn schaamte met een neuropsycholoog
Dat vind ik niet gemakkelijk en soms houd ik het niet droog
Maar het moet wel gebeuren om de draad weer op te pikken
Nu is het echt hoog tijd om al mijn leugens te doorprikken
Dus als ik jou eens tegenkom en jij vraagt hoe het gaat
Ik sta nu op de ziekenkas en ben daarbij gebaat

vrijdag 9 november 2018

Control-S

Ik sloeg mijn lange gedichtje niet op
Kop op man je kan toch opnieuw beginnen
Bezin je en zwoeg kom ermee voor de pinnen
Maar balen niet lichtjes ik zat er boenk op

Een loempe stomkop doet zoiets zelfs beter
Gereed met zijn teksten hij heeft ze gesaved
Herleest ze is zeker hij zit in een zetel
Vermetel gebeten hij keek ze nog na

Dus roept hij hoera want hij was wel zo clever
Om never zijn teksten te laten verrekken
Verrukt en niet krukkig klinkt zijn hallelujah
En mij grijnst hij toe amehoela dat suckt

Nu kan ik hier kniezen kop tussen mijn knieën
Verliezen verdorie doe ik ook bij wiezen
Zo miezert het treiterig door mijn memorie
Jandorie jandorie jandorie

Schiet ik niks mee op
In alles een kans
Het is geen avance
Kan zelfs in het Frans
Mais oui pourquoi pas
Un flirt avec toi
Et à ton minou
Je dirais coucou

De boeken gaan toe
Mijn gedicht is gaan lopen
Te hopen valt nu dat dit klotebestand
Zich openstelt voor mijn kloek timmerend handje
Met mijn control S-je leer ik het een lesje

donderdag 8 november 2018

Begrijp mij

Begrijp mij
Want ik begrijp mij niet
Hoewel ik wel wil en welwillend expliciet
Aan jou vraag hoe jij mijn dagen ziet
Of de maan voor mij schijnt of het dondert
Of het wonder de zon mij bevrijdt
Hoe ik loens tussen tinder en dons
Wat ik woens voor mezelf op de derde dag van de week
Een versperde gewestweg, een kabbelend beekje
Een babbelend cakeje misschien wel
Weet ik veel
Ik ben een leek
En ook al lijkt mijn toestand rechtopstaand oké
Ik lig hier k.o. in een staat die stevig mijn eigen verstand te boven gaat

woensdag 1 augustus 2018

Online mensen recenseren

De nieuwe ‘mensenrecensies’ van Google zijn wel cool en innovatief, maar toch vooral ook heel confronterend (en - uiteraard - weer een stapje verder richting het einde van de privacy). Als je plots een foto van jezelf op Google Reviews ziet staan met daarnaast allerlei, in een aantal sterren uitgedrukte, beoordelingen van vrienden, dan hou je immers toch best even je hart vast.
Voor wie nog van niks weet: Google heeft een nieuwe functie, Google Reviews, waar elke Googlegebruiker automatisch een profiel krijgt en waar mensen die met hem of haar via sociale media verbonden zijn hem of haar over verschillende categorieën kunnen beoordelen, uitgedrukt in een aantal sterren en eventueel met wat uitleg erbij. (Wat het sterrensysteem betreft: één ster = vermijd deze persoon ten allen tijde; twee sterren = niet echt interessant gezelschap; drie sterren = aangenaam gezelschap; vier sterren = goeie vrienden; vijf sterren = super de max fantastisch love you x!)
Google Reviews is een soort Tripadvisor maar dan voor mensen in plaats van bestemmingen. Een Humanadvisor, zo zou je het ook kunnen noemen. Als mens word je door je eigen vrienden publiek beoordeeld. Nooit eerder kon men op deze schaal publiekelijk geschreven zien staan wat vriend x zoal op vriend y aan te merken heeft.
Inmiddels hebben (nog maar) zes Facebookvrienden mij beoordeeld op Google Reviews en mijn gemiddelde score is 3 op 5 (drie sterren dus). Eén iemand heeft mij één ster gegeven, iemand anders vond mij twee sterren waard, nog een andere vriend gaf mij drie sterren en er zijn ook drie vrienden die mij vier sterren gegeven hebben (waarvoor dank). Dat alles zorgt samen voor een gemiddelde score van 3 op 5, wat in vergelijking met héél veel andere mensen op Google Reviews een eerder lage score is. De meeste mensen (ongeveer 85%) zitten met hun score rond of zelfs boven de 4 of 5, omdat hun vrienden hen (wellicht) zonder al te lang na te denken de maximumscore geven. Dat is hun goed recht natuurlijk, maar niet zo leerrijk, want met bijschriften als “ge zijt mn bff 4-ever” en dat soort nietszeggendheden, kom ik niet te weten wát er precies zo leuk is aan die persoon en heb ik er dus ook geen idee van of ik die persoon zelf beter wil leren kennen. Met mijn gemiddelde van drie sterren op vijf word ik (voorlopig?) natuurlijk totaal met rust gelaten door mensen die ik niet ken, maar van mensen die met een gemiddelde van rond de 4,5 zitten hoor ik dat ze voortdurend aanvragen krijgen van mensedie hen graag beter willen leren kennen omdat er in een commentaar bijvoorbeeld staat dat hij of zij een echt feestbeest is of dat hij of zij super veel over dinosaurussen weet, ofzo.
De commentaren die ik tot nu toe zelf heb gekregen, heb ik nog niet allemaal even goed verteerd. Daar moet ik eerlijk in zijn. De ‘vriend’ die mij met één ster heeft bedacht schrijft dat ik in gezelschap - en ik citeer - “de sfeer bedruk[t] door soms minutenlang niks te zeggen en een gezicht te trekken alsof hij liever naar huis zou gaan dan nog wat langer te blijven bij ons, oninteressante lapzwansen”. Hij noemt mij ook ‘onvoorspelbaar’ (en dat is duidelijk bedoeld als een verwijt). Door mij maar één ster te geven windt hij er geen doekjes om en ik respecteer hem vooor zijn eerlijkheid, maar naar de buitenwereld communiceert hij op deze manier dat ik, Axel Craenendort, totaal niet de moeite waard ben om beter te leren kennen (ah ja: één ster = te mijden). Beetje streng toch, vind ik. (Ik zou mezelf een 3 op 5 geven.)
In de andere minder positieve recensies over mij wordt ook nog opgemerkt dat ik pessimistisch, cynisch en veel te veel op mezelf gefocust ben, en de een ligt daar blijkbaar al meer van wakker dan de ander. Bij de viersterrenrecensies kun je over mij wel lezen dat ik goed kan kussen en dancen [sic], dat ik een redelijk goede algemene kennis heb en dat ik vooral veel van voetbal weet. Ik weet niet of ik over dat laatste zo content ben, want ik zit niet per se op toenaderingspogingen van mij onbekende voetbalfans te wachten, maar het is des te fijner om over mezelf te lezen dat ik goed kan kussen en dansen (het gekke is dat ik nooit gekust of gedanst heb met de vriendin die dat geschreven heeft - zij zal het van horen zeggen hebben, neem ik aan).
Facebook schijnt inmiddels trouwens hetzelfde van plan te zijn en zou ook met een sterrensysteem gaan werken om mensen te beoordelen. Het zou er precies zo uitzien zoals het er uitziet op de Facebookpagina van horecazaken e.a. Elke Facebookgebruiker zou op zijn profielpagina in de linkerkolom een ‘recensievak’ krijgen dat enkel maar de instelling ‘openbaar’ kan hebben (dit in tegenstelling tot bijna al je andere Facebookgegevens die je zo kan instellen dat enkel je Facebookvrienden ze kunnen zien). Werkgeversorganisaties zouden bij Facebook hebben aangedrongen op het openbaar houden/maken van de recensiesectie om zo toekomstig personeel te kunnen recruteren.
En zo zijn we bij de ‘mensenrecensies’ aanbeland. Uiteindelijk de logische opvolger van de afgezaagde like-knop. Bedrijven als Google en Facebook moeten met nieuwe dingen blijven komen, want als techbedrijven zijn ze ondertussen beiden bejaard tot hoogbejaard. De dino’s van de 21ste eeuw.
Als je mij nog niet gerecenseerd hebt op Google, voel je dan vrij daar verandering in te brengen. Ik heb zelf nog niemand gerecenseerd, ik moet nog wennen aan het idee dat ik mijn vrienden in de volledige openbaarheid een in sterren uitgedrukte score moet geven op hun persoonlijkheid. Maar ach, het zal wel weer wennen, zoals we ook aan al die andere ingrijpende privacyschendingen gewend geraakt zijn.